ECLI:NL:RBROT:2026:8246
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens onvoldoende medische spoed
Verzoekster diende op 24 februari 2026 een aanvraag in voor een urgentieverklaring wegens rugklachten met uitstraling naar de benen, waardoor traplopen moeilijk is. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag op 26 mei 2026 af, omdat niet voldaan werd aan de criteria voor ernstige en chronische medische problematiek die een spoedige verhuizing rechtvaardigen.
Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat zij behandeld zou worden alsof zij een urgentieverklaring had totdat op bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 29 juni 2026 en oordeelde dat het college in redelijkheid tot afwijzing kon besluiten, mede op basis van een SMA-artsadvies van 26 mei 2026. Dit advies stelde dat de beperkingen bij traplopen licht zijn en dat verbetering mogelijk is.
Verzoekster deed tevens een beroep op de hardheidsclausule vanwege haar medische situatie en het feit dat zij alleenstaande moeder is. De voorzieningenrechter vond echter dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van bijzondere, onvoorziene omstandigheden die een urgentiegrond zouden kunnen vormen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen onverwijlde spoed was die een voorlopige voorziening rechtvaardigde en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende medische spoed.