ECLI:NL:RBROT:2026:8246

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ROT 26/4579
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4.2 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025Art. 3.1.7 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens onvoldoende medische spoed

Verzoekster diende op 24 februari 2026 een aanvraag in voor een urgentieverklaring wegens rugklachten met uitstraling naar de benen, waardoor traplopen moeilijk is. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag op 26 mei 2026 af, omdat niet voldaan werd aan de criteria voor ernstige en chronische medische problematiek die een spoedige verhuizing rechtvaardigen.

Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat zij behandeld zou worden alsof zij een urgentieverklaring had totdat op bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 29 juni 2026 en oordeelde dat het college in redelijkheid tot afwijzing kon besluiten, mede op basis van een SMA-artsadvies van 26 mei 2026. Dit advies stelde dat de beperkingen bij traplopen licht zijn en dat verbetering mogelijk is.

Verzoekster deed tevens een beroep op de hardheidsclausule vanwege haar medische situatie en het feit dat zij alleenstaande moeder is. De voorzieningenrechter vond echter dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van bijzondere, onvoorziene omstandigheden die een urgentiegrond zouden kunnen vormen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen onverwijlde spoed was die een voorlopige voorziening rechtvaardigde en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende medische spoed.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4579

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. Z. Abachi).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van een aanvraag voor een urgentieverklaring. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft daarom om een voorlopige voorziening verzocht.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft het college verzoeksters aanvraag voor een urgentieverklaring afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het om in deze zaak?

3. Verzoekster heeft op 24 februari 2026 een aanvraagformulier voor een urgentieverklaring vanwege medische problemen ingediend. Verzoekster kampt met rugklachten met uitstraling naar de benen, waardoor traplopen niet meer mogelijk is. Het college heeft de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen, omdat geen sprake is van een ernstige en chronische medische problematiek [1] waardoor verzoekster heel snel moet verhuizen. Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij wordt behandeld als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring totdat op haar bezwaar is beslist.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. In artikel 3.4.2, onder b, van de Verordening is bepaald dat een woningzoekende in aanmerking komt voor de urgentiegrond “ernstige en chronische medische problematiek” indien de huidige woonsituatie daardoor levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed.
6. De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van verzoeksters aanvraag. Het college heeft deze afwijzing mede gebaseerd op een advies van de SMA-arts van 26 mei 2026. De SMA-arts heeft uiteengezet dat uit de medische gegevens van verzoekster blijkt dat er meerdere klachten zijn die leiden tot pijnklachten en een verminderde belastbaarheid. Hierdoor ervaart verzoekster beperkingen bij het traplopen. Dit is echter een lichte beperking. Verzoekster wordt wel in staat geacht de huidige woning, op de derde etage, te bereiken, eventueel in een rustig tempo en met tussenpozen. Daarnaast kan nog verbetering worden verwacht in de belastbaarheid van verzoekster, omdat zij nog niet is uitbehandeld en nog niet alle therapeutische mogelijkheden zijn benut.
7. Verzoekster heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening een beroep gedaan op de hardheidsclausule, gelet op de aard van de medische beperkingen en de omstandigheid dat zij een alleenstaande moeder met kind is. In artikel 3.1.7 van de Verordening is bepaald dat het college de bevoegdheid heeft om alsnog een urgentieverklaring toe te kennen, indien het weigeren van zo’n aanvraag leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met wat zij heeft aangevoerd over haar (medische) situatie niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zulke omstandigheden. Het staat verzoekster vrij in de bezwaarprocedure hierover nadere informatie in te brengen, zodat het college deze informatie kan meenemen in de volledige heroverweging in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het geval van verzoekster niet gebleken van onverwijlde spoed die vereist dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 3.4.2 van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening).