ECLI:NL:RBROT:2026:8248

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/10/711754 / HA ZA 25-1096
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 echtscheidingsconvenantHR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot relatieve onbevoegdheid ondanks mediationclausule in echtscheidingsconvenant

In deze civiele zaak tussen partijen die een echtscheidingsconvenant hebben gesloten, vordert de vrouw dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart vanwege een mediationclausule in het convenant. De vrouw stelt dat eerst mediation moet worden geprobeerd voordat de rechtbank kan worden ingeschakeld.

De man voert verweer en stelt dat de mediationclausule de bevoegdheid van de rechtbank niet uitsluit, dat aan de overlegverplichting is voldaan en dat mediation in dit stadium zinloos is. Tevens beroept hij zich op de redelijkheid en billijkheid en wijst erop dat zijn vordering een nakomingsvordering betreft.

De rechtbank oordeelt dat het bestaan van een mediationclausule niet leidt tot relatieve onbevoegdheid van de rechtbank. De rechter kan een zaak hoogstens aanhouden om mediation te proberen, maar is daartoe niet verplicht. Gezien de langdurige onenigheid en het reeds doorlopen mediationtraject acht de rechtbank aanhouding niet zinvol.

De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot relatieve onbevoegdheid af en compenseert de proceskosten, waarna de zaak wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711754 / HA ZA 25-1096
Vonnis in incident van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend te [woonplaats 1],
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. A. van den Eshoff,
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats 2],
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaat: mr. P.A. de Lange.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 3 december 2025, met bijlagen 1 tot en met 15;
  • het vrijwaringsincident van de vrouw;
  • de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident;
  • het vonnis van 11 maart 2026 in het vrijwaringsincident;
  • het bevoegdheidsincident van de vrouw;
  • de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil in de hoofdzaak

2.1.Het geschil in de hoofdzaak is beknopt weergegeven in het vonnis van 11 maart 2026 en wordt daarom niet nogmaals vermeld. Hier wordt volstaan met de vermelding dat het geschil ziet op het verdelen van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning.
2.2.
De vrouw heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd.

3.Het geschil in het incident

3.1.
De vrouw vordert in dit incident dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van de man kennis te nemen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en rente.
3.2.
De vrouw motiveert haar vordering als volgt. De vrouw beroept zich op artikel 9 van Pro het echtscheidingsconvenant waarin partijen een zogeheten escalatieclausule hebben afgesproken. Volgens de vrouw hebben partijen een geschil over de uitleg van artikel 3.9 van het convenant. Op grond van de escalatieclausule moet de man eerst in overleg treden met de vrouw om te kijken of partijen onderling tot een oplossing kunnen komen. Als onderling overleg niet leidt tot het gewenste resultaat moeten partijen zich vervolgens eerst wenden tot een mediator. De vrouw stelt dat de man die procedure niet heeft gevolgd, waardoor de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil.
Voor de volledigheid wordt de tekst van artikel 9 van Pro het echtscheidingsconvenant hier opgenomen:
“9.1. Indien partijen in de toekomst van mening verschillen omtrent de interpretatie van dit convenant en/of wijziging van de inhoud daarvan, zullen zij trachten door middel van onderling overleg tot een regeling te komen.
Indien een partij evenwel niet voldoet aan een dit convenant omschreven betalingsverplichting is de ander zonder meer gerechtigd een sommatie uit te (laten) brengen en vervolgens, zo nodig, tot invordering over te gaan.
9.2.
indien zij hier niet in slagen zullen zij zich wenden tot mr. P.A. den Hollander of een ander vFAS-advocaat-scheidingsmediator, met het verzoek hen te begeleiden bij het zoeken naar een oplossing voor de gerezen geschilpunten.
9.3.
pas indien en nadat deze mediation niet tot het gewenste resultaat zal hebben geleid zullen partijen zich elk tot een eigen advocaat wenden, die dan het geschilpunt eventueel aan de rechter kan voorleggen.”
3.3.
De man voert verweer en concludeert kortgezegd tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vordering in het incident. De man voert allereerst aan dat een mediationclausule de rechtbank niet onbevoegd maakt. Ten tweede geeft de man aan dat al is voldaan aan de overlegverplichting uit artikel 9.1. Ten derde stelt de man dat mediation in dit stadium zinloos is. Ook voert de man aan dat zijn vordering een nakomingsvordering betreft, waardoor hij zonder voorafgaand overleg of mediation direct tot sommatie en invordering mag overgaan. Daarnaast doet hij een beroep op de redelijkheid en billijkheid.

4.De beoordeling in het incident

De vordering tot onbevoegdverklaring wordt afgewezen
4.1.
De rechtbank wijst de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring af. Het bestaan van een mediationclausule leidt niet tot onbevoegdheid van de rechtbank. Het is vaste rechtspraak dat ook als partijen een mediationclausule hebben opgenomen die partijen tot mediation verplicht, de rechter bevoegd blijft om kennis te nemen van het geschil. De rechter kan een zaak waarin partijen mediation hebben afgesproken hoogstens gedurende een bepaalde termijn aanhouden zodat partijen alsnog de gelegenheid krijgen om mediation te beproeven, maar hij is daartoe niet verplicht. [1] De rechter kan ook beslissen dat de behandeling van de zaak niet wordt aangehouden, bijvoorbeeld omdat de zaak daarvoor te spoedeisend is of omdat mediation zinloos is in de gegeven feiten en omstandigheden.
4.2.
Bezien vanuit het doel van mediation (dejuridisering van het geschil), de aard en de duur van het geschil acht de rechtbank aanhouding niet zinvol. Partijen staan (juridisch) recht tegenover elkaar en hebben al meerdere jaren onenigheid. Partijen hebben al een mediationtraject doorlopen. Een tweede mediationtraject lijkt onvoldoende uitzicht te bieden op een positief resultaat, want uit niets blijkt dat partijen daartoe bereid zijn. Daarvoor staan partijen te ver uit elkaar.
Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden.
De conclusie
4.3.
De conclusie is dat de incidentele vordering tot onbevoegdheid van de rechtbank wordt afgewezen en dat er geen aanleiding is om de zaak aan te houden.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.4.
Het uitgangspunt in zaken tussen familieleden is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De proceskosten in het incident worden dus gecompenseerd.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de incidentele vordering af;
5.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
5.3.
verwijst de zaak naar de rol van
22 juli 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van de vrouw;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
4041/3669

Voetnoten

1.HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078, r.o. 3.2.2 en 3.2.3.