ECLI:NL:RBROT:2026:825

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
C/10/694961 / HA ZA 25-181
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 6:212 BWArt. 130 lid 1 RvArt. 147 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis en terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking bij autotransactie

In deze civiele verzetprocedure vordert gedaagde de vernietiging van het verstekvonnis van 6 november 2024. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een overeenkomst waarbij gedaagde partij is, waardoor het verstekvonnis wordt vernietigd. Eiseres wijzigde haar eis en baseerde deze ook op onrechtmatige daad, maar deze vordering wordt afgewezen.

Feitelijk betreft de zaak een autotransactie waarbij gedaagde als bemiddelaar optrad tussen eiseres en een Italiaanse verkoper. De auto is nooit geleverd en het kenteken bleek vervalst. Eiseres vordert schadevergoeding en ontbinding van de koopovereenkomst, maar de rechtbank oordeelt dat gedaagde geen partij is bij de koopovereenkomst en geen onrechtmatig handelen is komen vast te staan.

Wel wordt gedaagde veroordeeld tot terugbetaling van €2.600 die hij onder zich hield, omdat dit bedrag ongerechtvaardigd is behouden en daarmee sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts en op 28 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd voor gedaagde en hij wordt veroordeeld tot terugbetaling van €2.600 met rente wegens ongerechtvaardigde verrijking.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/694961 / HA ZA 25-181
Vonnis in verzet van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. V.R. Pool,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] , Italië,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. N.J. Glen-Boedhram.

1.De zaak in het kort

[gedaagde] vordert in deze verzetprocedure vernietiging van het verstekvonnis van 6 november 2024. De rechtbank vernietigt het verstekvonnis, omdat geen sprake is van (toerekenbare tekortkoming in de nakoming van) een overeenkomst waarbij [gedaagde] partij is. In de verzetprocedure heeft [eiser] haar eis gewijzigd, door, onder meer, de vordering subsidiair te baseren op onrechtmatige daad. Ook deze vordering wordt afgewezen, omdat niet kan worden geoordeeld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] . Wel moet [gedaagde] € 2.600,00 aan [eiser] terug betalen, omdat [gedaagde] door dit bedrag te houden, onrechtvaardig wordt verrijkt.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 26 maart 2025, met de daarin genoemde stukken (hierna: het vonnis in incident);
- de brief van 23 mei 2025 van de rechtbank waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de e-mail van 23 juli 2025 van de rechtbank met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling;
- de mondelinge behandeling op 3 september 2025 en de daarbij door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] woont in Italië en is een liefhebber van oldtimers. Hij wordt door potentiële kopers benaderd of hij benadert potentiële kopers over de verkoop van unieke auto’s in Italië. Vervolgens brengt hij koper en verkoper met elkaar in contact.
3.2.
[gedaagde] heeft [eiser] op deze manier meerdere keren benaderd, wat tot enkele kooptransacties heeft geleid, waaronder de koop door [eiser] van een Alfa Romeo Gulia GT, die eind april 2023 aan [eiser] is geleverd. [eiser] heeft [gedaagde] hiervoor een bedrag van € 350,00 betaald.
3.3.
Op 1 augustus 2023 heeft [gedaagde] [eiser] wederom benaderd over de verkoop van een auto in Italië; een Alfa Romeo Duetto 1600 Spider (hierna: de auto). De auto werd te koop aangeboden door [persoon A] h.o.d.n. F&F Classic Car, wonende in Italië (hierna: [persoon A] ).
3.4.
Partijen hebben elkaar over de auto tussen 1 en 4 augustus 2023, onder meer, de volgende Whatsapp berichten gestuurd:
“01-08-2023 17:46 - [gedaagde] mobiel: Als er belangstelling voor is natuurlijk veel meer foto's, maar volgens mij kun je zo'n auto niet ongezien kopen. Groeten [voornaam gedaagde] ”
(…)
01-08-2023 20:12 - [persoon B] : Heb net de foto's van [persoon C] ontvangen, alle 77! Echt een keurige auto. Heb hier zeker interesse in. Ken jij de verkoper of de tipgever?
(…)
02-08-2023 11:59 - [gedaagde] mobiel: Eerste twee verkocht En de gele gaat volgende week naar Zwitserland dit zijn b. V de verkoop ervaringen met [persoon C]
02-08-2023 11:59 - [gedaagde] mobiel: Ken je hem? helaas moet ik voorzichtig blijven
04-08-2023 13:34 - [persoon B] : Dag [voornaam gedaagde] , [persoon C] probeert om snel een deal rond te maken, maar zover ben ik nog niet. Ik heb nog een paar vragen.
(…)
Indien er geen Europese documenten bij zijn dan heb ik geen interesse in deze Alfa, dat wordt teveel risico. Zoals jij al zegt, 83 jarige opa's laten geen Duetto's in het buitenland restaureren !
04-08-2023 13:35 - [persoon B] : Wil jij met [persoon C] overleggen? Dat gaat beter en sneller dan via WhatsApp.
04-08-2023 14:59 - [gedaagde] mobiel: Hij durft wel om snel tot een overeen komst te komen. Ik had hem al duidelijk gemaakt dat het zo niet werkt.
(…)
04-08-2023 15:01 - [gedaagde] mobiel: Ik ga de vragen met hem bespreken
04-08-2023 15:47 - [gedaagde] mobiel: [naam bestand 1] (bestand bijgevoegd)
04-08-2023 16:29 - [persoon B] : Motorcode 00548 is een 1750. Dat is niet verkeerd, alhoewel ik toch een voorkeur zou hebben voor een originele 1600 motor.
04-08-2023 18:27 - [gedaagde] mobiel: Moet zo iets verreenkend worden? Auto niet origineel hoe nadelig is dit in de verkoop? Enz enz graag jouw visie hieriop”
3.5.
[eiser] en [persoon A] hebben een koopovereenkomst gesloten, gedateerd op 8 augustus 2023, met [eiser] als koper en [persoon A] als verkoper van de auto. De koopprijs die [eiser] en [persoon A] zijn overeengekomen bedroeg € 30.000,00.
3.6.
Op 14 augustus 2023 heeft [eiser] een gedeelte van de koopprijs, € 5.000,00, overgemaakt naar de rekening van de partner van [gedaagde] . Dit bedrag heeft [gedaagde] doorbetaald aan [persoon A] . Deze betalingsstructuur was op verzoek van [eiser] .
3.7.
Van 22 tot 24 augustus 2023 vond, onder meer, het volgende contact plaats tussen [eiser] en [gedaagde] per Whatsapp:
“22-08-2023 14:55 - [gedaagde] mobiel: Alles klaar.
22-08-2023 14:57 - [gedaagde] mobiel: Maar na controlle merkt è ik dat het chassis nr niet juist is. Na [persoon C] gesproken bleek dat de Italiaanse rdw een fout heeft gemaakt, nu moeten we nog enkele dagen wachten,
22-08-2023 14:57 - [gedaagde] mobiel: Lijkt onmogelijk maar toch
22-08-2023 14:58 - [gedaagde] mobiel: De afmelding was ook inorde zie derde gedeelte
24-08-2023 13:53 - [gedaagde] mobiel: [naam bestand 2] (bestand bijgevoegd) [naam bestand 2]
24-08-2023 13:54 - [gedaagde] mobiel: Hoi [persoon D] , nu wel inorde
24-08-2023 13:55 - [gedaagde] mobiel: Nr chassis. (E) onder nr 2
24-08-2023 13:55 - [gedaagde] mobiel: Afmelding onder nr 3
24-08-2023 13:56 - [gedaagde] mobiel: Groeten [voornaam gedaagde]
24-08-2023 14:23 - 3an [eiser] : Fantastisch! Wat is de volgende stap? Is het transport ook al geregeld? Wanneer zal ik de rest betalen? Nu, of als het transport ook voor elkaar is? Dit is wel lekker snel gegaan!
24-08-2023 15:38 - [gedaagde] mobiel: We informeren nu over transport, laat ik dadelijk weten, wanneer daar duidelijk heid over is kan de betaling volgen.”
3.8.
Op 24 augustus 2023 heeft [eiser] het resterende bedrag van de koopsom, € 25.000,00, overgemaakt naar het rekeningnummer van de partner van [gedaagde] . [gedaagde] heeft hiervan € 22.400,00 doorbetaald aan [persoon A] en € 2.600,00 onder zich gehouden.
3.9.
Op 11 september 2023 stuurden [eiser] en [gedaagde] elkaar, onder meer, de volgende Whatsapp berichten:
“11-09-2023 14:07 - [persoon B] : Dag [voornaam gedaagde] , wil jij aan [persoon C] vragen waar de Duetto nu is? Hij zou vandaag meer weten, heeft hij mij per WhatsApp gezegd. Als hij nog geen antwoord heeft vraag hem dan door welk bedrijf het transport verzorgt wordt. Dan bellen we er zelf achteraan. Een kopie van de laadbrief is ook goed. Wil nu toch wel weten waar de auto is die ik gekocht ( en betaald ) heb. Het duurt te lang en ik krijg geen duidelijke antwoorden. Hoor graag van je. Groet [persoon B]
11-09-2023 14:12 - [gedaagde] mobiel: Hoi [persoon B] allemaal vragen die ik ook heb, ben al bezig om opheldering te krijgen. Transporter eenmans bedrijf En krijg ik niet vaak aan de tel [persoon C] idem. Ga verder aan werken
(…)
11-09-2023 14:50 - [persoon B] : Heb chauffeur net gesproken. Hij zegt dat het nog 6 of 7 dagen gaat duren. Wellicht maar afwachten, kan er ook niet meer van maken. Hij wist wel waar ik voor belde, dus naar mij idee bestaat de auto wel, en is deze ook daadwerkelijk op transport
11-09-2023 14:57 - [persoon B] : [persoon C] heeft net ook een berichtje gestuurd. Ik zal nog een weekje geduld moeten hebben, vrees ik. We hoeven er in elk geval nog niet enorm op te duiken. Op dit moment heb ik er wel vertrouwen in dat het goed komt, met een beetje geduld.”
3.10.
Op 29 september 2023 zond [gedaagde] aan [eiser] :
“Hoi [persoon B] ik heb nog 2600€.dat krijg te terug gestort”
3.11.
De auto is nooit geleverd aan [eiser] . Het kenteken bleek te zijn vervalst.
3.12.
[eiser] heeft op 5 oktober 2023 tegen [persoon A] en [gedaagde] aangifte gedaan bij de politie in Rotterdam wegens fraude. Op 15 december 2023 deed zij hetzelfde bij de politie in Italië.
3.13.
[persoon A] is in Italië strafrechtelijk vervolgd in verband met deze zaak. Hij is in die zaak niet verschenen. De zitting is aangehouden tot 4 maart 2026.
3.14.
Bij brief van 3 april 2024 heeft [eiser] aan [persoon A] en [gedaagde] een aanvullende termijn voor het nakomen van de overeenkomst gesteld en gevraagd binnen 48 uur inhoudelijk te reageren, dan wel tot levering over te gaan.
3.15.
[eiser] heeft [persoon A] en [gedaagde] op 10 juni 2024 voor deze rechtbank gedagvaard (zie hierna in 4.1). Op 6 november 2024 heeft de rechtbank in die zaak, met zaaknummer C/10/686788 / HA ZA 24-847, een verstekvonnis gewezen, waarin de vorderingen van [eiser] zijn toegewezen (hierna het verstekvonnis).
3.16.
Bij verzetdagvaarding van 21 januari 2025 is [gedaagde] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] heeft bij inleidende dagvaarding van 10 juni 2024 vorderingen ingesteld tegen [persoon A] en [gedaagde] . [eiser] heeft daarbij gevorderd dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat de koopovereenkomst tussen [eiser] en [persoon A] is ontbonden;
2. [persoon A] en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 30.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van wanprestatie, 29 september 2023, althans de dag van ingebrekestelling, 3 april 2024, althans de dag van verzuim, 17 april 2024, althans de dag van betekening van deze dagvaarding;
3. [persoon A] en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de schade aan [eiser] , tot dat moment begroot op € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van wanprestatie, 29 september 2023, althans de dag van ingebrekestelling, 3 april 2024, althans de dag van verzuim, 17 april 2024, althans de dag van betekening van deze dagvaarding;
4. [persoon A] en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.275,00 aan buitengerechtelijk kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
5. [persoon A] en [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten.
4.2.
In het verstekvonnis zijn de vordering van [eiser] integraal toegewezen en zijn [gedaagde] en [persoon A] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de dag van de uitspraak begroot op € 3.979,37.
4.3.
[gedaagde] vordert in deze verzetprocedure dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- primair de dagvaarding nietig verklaart, althans zich onbevoegd verklaart en het verstekvonnis vernietigt;
- subsidiair het verstekvonnis vernietigt en de vorderingen van [eiser] afwijst;
- primair en subsidiair [eiser] veroordeelt in de kosten van de procedures, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis zijn voldaan.
4.4.
Bij het vonnis in incident zijn de vorderingen van [gedaagde] tot nietigverklaring van de dagvaarding en tot onbevoegdverklaring van de rechtbank afgewezen.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Dit is een internationale zaak omdat [eiser] in Nederland is gevestigd en [gedaagde] in Italië woont. De rechtbank heeft bij vonnis in incident al geoordeeld dat zij bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen.
5.2.
Ten aanzien van het toepasselijk recht geldt het volgende.
5.3.
Voor zover [eiser] haar vorderingen baseert op een onrechtmatige daad van [gedaagde] , is de Rome II-Vo van toepassing (Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen). Artikel 4 lid 1 Rome Pro II leidt in dit geval tot toepassing van het Nederlandse recht op vorderingen uit onrechtmatige daad, omdat de vermeende schade zich in Nederland heeft voorgedaan.
5.4.
Voor zover [eiser] haar vorderingen heeft gebaseerd op de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst waarbij [gedaagde] partij zou zijn, geldt dat de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een koopovereenkomst waarbij [gedaagde] partij is (zie hierna onder 5.16 tot en met 5.18), waardoor het Weens Koopverdrag, dat volgens [eiser] van toepassing is, niet aan de orde is.
Verzet [gedaagde]
5.5.
Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel niet gesteld of gebleken is, zodat [gedaagde] in zijn verzet kan worden ontvangen. Daarbij merkt de rechtbank nog het volgende op.
5.6.
Het verstekvonnis is gewezen tussen [eiser] als eiseres en [gedaagde] en [persoon A] als gedaagden. In het geding dat heeft geleid tot het verstekvonnis was sprake van subjectieve cumulatie, zonder dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde] en [persoon A] . De rechtsverhoudingen tussen [eiser] aan de ene kant en respectievelijk [gedaagde] en [persoon A] aan de andere kant zijn namelijk niet identiek. Zij staan ieder in een afzonderlijke relatie tot [eiser] en de verweermiddelen van [gedaagde] werken niet door in de relatie die [persoon A] heeft met [eiser] . [gedaagde] kon daarom verzet instellen zonder daarin [persoon A] te betrekken. De vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde] en [persoon A] zijn weliswaar gezamenlijk door de rechtbank behandeld, maar de zaken tegen ieder van deze gedaagden hebben hun processuele zelfstandigheid behouden. Het verstekvonnis, waarbij de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde] en [persoon A] zijn toegewezen, bevat dan ook naar de inhoud daarvan zelfstandige uitspraken ten aanzien van ieder van de gedaagden.
5.7.
Dit betekent dat – zolang niet naar aanleiding van een in ieder van de te onderscheiden zaken door hetzij de eiser hetzij de desbetreffende gedaagde ingesteld rechtsmiddel het verstekvonnis is vernietigd – het verstekvonnis in zoverre zijn kracht behoudt. De regel dat een door een gedaagde ingesteld rechtsmiddel in beginsel niet doorwerkt in de verhouding tot zijn medegedaagden, geldt voor verzet niet anders dan voor de andere gewone rechtsmiddelen. Door het verzet wordt de met het verstekvonnis geëindigde instantie op grond van artikel 147 lid 1 Rv Pro heropend en voortgezet, maar, gelet op de processuele zelfstandigheid van ieder van de zaken en het rechtsmiddelkarakter van het verzet, uitsluitend tussen de oorspronkelijk eiser/de geopposeerde ( [eiser] ) en de gedaagde die het verzet instelt/de opposant ( [gedaagde] ). [1] [persoon A] blijft dus geconfronteerd met het verstekvonnis.
Eiswijzigingen
- hoogte van de vordering
5.8.
[eiser] heeft in de inleidende dagvaarding aanvankelijk € 10.000,00 aan gederfde winst gevorderd. Bij conclusie van antwoord in het incident heeft zij haar eis in de hoofdzaak vermeerderd, in die zin dat zij € 20.000,00 vordert aan gederfde winst. Daarmee vordert [eiser] in totaal € 50.000,00.
5.9.
[gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. [eiser] is op grond van artikel 130 lid 1 Rv Pro, zolang geen eindvonnis is gewezen, in beginsel bevoegd haar eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt de wijziging van eis voldoende uit de stellingen van [eiser] , is deze wijziging voldoende duidelijk voor [gedaagde] – zo bleek ook uit de spreekaantekeningen van [gedaagde] – en is deze ook overigens niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal ten aanzien van deze vordering dan ook recht doen op basis van de onder 5.8 weergegeven eis.
- grondslag van de vorderingen
5.10.
In de inleidende dagvaarding heeft [eiser] gesteld dat zij door bemiddeling van [gedaagde] de koopovereenkomst met [persoon A] heeft gesloten. [eiser] heeft haar vorderingen jegens [gedaagde] gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen onder de bemiddelingsovereenkomst, omdat hij als professioneel bemiddelaar zijn zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden.
5.11.
Bij conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, tevens akte eisaanvulling en vermeerdering in de hoofdzaak heeft [eiser] haar standpunt gewijzigd. Zij heeft daarbij gesteld dat [gedaagde] (naast [persoon A] en zijzelf) partij was bij de koopovereenkomst, een driepartijenovereenkomst, en op grond daarvan schadeplichtig is en dat nooit een dienstverleningsovereenkomst (waaronder bemiddeling) tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen. Ook heeft [eiser] daarbij de grondslag van haar vordering aangevuld, in die zin dat zij haar vordering subsidiair baseert op onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiser] .
5.12.
[gedaagde] heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging, omdat hij daarop niet zou hebben kunnen reageren. De rechtbank wijst dat bezwaar af, omdat zij de eiswijziging niet in strijd acht met de goede procesorde. [gedaagde] heeft na de indiening van de conclusie van antwoord in het incident immers de tijd gehad om bezwaar te maken en heeft dat niet gedaan. Ook heeft [gedaagde] ter zitting op de eiswijzing voldoende kunnen reageren en heeft dat ook gedaan, waardoor geen sprake is van schending van hoor- en wederhoor.
5.13.
In haar spreekaantekeningen heeft [eiser] haar stelling dat sprake is van een driepartijenovereenkomst (ter zake van de koop) gehandhaafd, maar zij heeft haar vorderingen daarnaast opnieuw gebaseerd op tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde] uit hoofde van een vermeende bemiddelingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] . [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het opnieuw aanvoeren van deze grondslag, omdat [eiser] het standpunt dat sprake zou zijn van een bemiddelingsovereenkomst in het kader van het bevoegdheidsincident immers uitdrukkelijk had verlaten.
5.14.
Dit bezwaar wordt gehonoreerd. In nr. 22 van de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] staat “van belang is om te benadrukken dat nooit een dienstverleningsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen”. Die grondslag heeft de rechtbank in het incident, waarin is beslist dat zij internationale rechtsmacht heeft, dus niet in de beoordeling betrokken. Als [eiser] in het incident deze grondslag niet had ‘ingetrokken’ had dat wat deze grondslag betreft, tot een andere bevoegdheid geleid. Het nu – nadat rechtsmacht is aangenomen – opnieuw aanvoeren van deze grondslag is in strijd is met de goede procesorde.
5.15.
De rechtbank beoordeelt de vorderingen dus enkel op de grondslag van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de vermeende driepartijenovereenkomst en op onrechtmatige daad.
Toerekenbare tekortkoming
5.16.
[eiser] vordert op deze grondslag een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst is ontbonden, veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van het bedrag van € 30.000,00 en tot vergoeding van de schade aan [eiser] van € 20.000,00, bestaande uit gederfde winst. Dit laatste omdat zij de auto niet met winst heeft kunnen doorverkopen.
5.17.
Volgens [eiser] is [gedaagde] partij bij de koopovereenkomst, in die zin dat sprake is van een driepartijenovereenkomst, waarbij [gedaagde] niet de verkoper was, maar degene die de verkoop heeft gefaciliteerd.
5.18.
De rechtbank wijst de vorderingen op deze grondslag af, omdat zij oordeelt dat [gedaagde] geen partij is bij de koopovereenkomst. Hij heeft niet de rol van verkoper vervuld, zoals door [eiser] ook is erkend. Ook heeft [eiser] niet gesteld, en dat is ook niet gebleken, dat [gedaagde] verbintenissen van de verkoper op zich heeft genomen. Als [gedaagde] als bemiddelaar zou zijn opgetreden, maakt dat niet dat hij daardoor partij is geworden bij de koopovereenkomst. Zoals hiervoor geoordeeld, laat de rechtbank de grondslag van de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de vermeende bemiddelingsovereenkomst buiten beschouwing, omdat dit niet toelaatbaar is. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat naar haar oordeel bovendien geen sprake is van een bemiddelingsovereenkomst, wat ook volgt uit hetgeen hierna wordt geoordeeld.
Onrechtmatige daad
5.19.
Subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zij stelt hiertoe dat [gedaagde] [eiser] heeft benaderd met een aanbod waarvan hij wist,
althans behoorde te weten dat dit frauduleus was. Door niet de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden, heeft [gedaagde] met zijn nalatigheid [eiser] schade berokkend, aldus [eiser] . ij stelt hiertoe
5.20.
Ook deze grondslag wijst de rechtbank af. Zij overweegt daartoe het volgende.
5.21.
De rechtbank stelt voorop dat de koopovereenkomst tussen [persoon A] en [eiser] zelf tot stand is gekomen. De handelingen die [gedaagde] heeft verricht, zijn naar het oordeel van de rechtbank te kwalificeren als hand- en spandiensten, namelijk vertalen, rappelleren en informatie inwinnen. Ook het feit dat de betalingen via [gedaagde] liepen, maakt niet dat hij partij is geworden bij de koopovereenkomst. Bovendien liepen de betalingen op verzoek van [eiser] zelf via (de partner van) [gedaagde] .
5.22.
Evenmin blijkt van schriftelijke of mondelinge afspraken tussen [eiser] en [gedaagde] , waaruit zou kunnen blijken wat [eiser] van [gedaagde] mocht verwachten. Nergens blijkt uit dat bijvoorbeeld is afgesproken dat [gedaagde] bijzondere informatie over de eigendomshistorie moest opzoeken, kentekenplaten moest controleren of langs moest gaan bij de verkoper. [gedaagde] heeft betwist dat er afspraken zijn gemaakt tussen hem en [eiser] . Tegenover die betwisting heeft [eiser] haar stellingen te weinig nader toegelicht. Die toelichting kan ook niet gevonden worden in eerdere transacties met behulp van [gedaagde] , omdat ook niet gebleken is dat dergelijke afspraken in die eerdere transacties wel zijn gemaakt.
5.23.
Volgens [eiser] had [gedaagde] de authenticiteit van de verkoopoptie moeten verifiëren, althans [eiser] moeten waarschuwen voor enig bedrog aan de zijde van [persoon A] . [eiser] stelt dat [gedaagde] op meerdere momenten wist of had moeten weten dat het aanbod van [persoon A] verdachte kenmerken had en daarmee een aanmerkelijke kans op schade voor [eiser] in zich droeg. [eiser] heeft deze stellingen onvoldoende onderbouwd, gelet op het volgende.
5.24.
Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat zij eerder zonder problemen een auto van F&F Classic Car had afgenomen en dus geen reden had tot argwaan. [eiser] had zelf ook contact met [persoon A] en heeft ter zitting gezegd dat zij aan [persoon A] heeft gevraagd om een foto waarop [persoon A] voor de auto staat met de tekst ‘Voor [persoon B] ’. [persoon B] heeft die foto ontvangen en zei daarover op zitting: “achteraf is gebleken dat die foto is gemanipuleerd, maar dat had ik toen niet kunnen vermoeden”. Waarom [gedaagde] dan wel had moeten twijfelen aan de betrouwbaarheid aan F&F Classic Car, navraag had moeten doen bij de Automobielclub d’Italia of de politie in Piacenza had moeten bellen om het strafrechtelijke verleden van [persoon A] te checken, is niet nader toegelicht. Dat F&F Classic Car bij die eerdere contacten werd vertegenwoordigd door [persoon E] , en nu door [persoon A] , is, zonder nadere toelichting die [eiser] niet heeft gegeven, onvoldoende om te oordelen dat [gedaagde] argwaan had moeten hebben, of de authenticiteit van F&F Classic Car en van de verkoopoptie had moeten verifiëren.
5.25.
Hiermee valt ook het doek voor de stelling van [eiser] dat [gedaagde] ten onrechte de afloop van de andere transacties – tussen de Zwitserse koper en [persoon A] als bedoeld in het Whatsapp bericht van 2 augustus (zie onder 3.4) – niet heeft afgewacht. Als [gedaagde] dat wel had afgewacht, had hij geweten dat ook die auto’s nooit zijn geleverd, maar zoals hiervoor geoordeeld, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde] wist of had moeten weten dat het aanbod van de auto verdachte kenmerken had. Er was dan ook geen reden om de bovenbedoelde leveringen af te wachten.
5.26.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij, net als [eiser] , niet op de hoogte was van de oplichtingspraktijken van [persoon A] en niet twijfelde aan de echtheid van de foto’s. Wel heeft hij aan [eiser] bericht: “volgens mij kun je zo'n auto niet ongezien kopen”. Deze opmerking zag weliswaar op de kwaliteit van de auto, zoals door [eiser] aangevoerd, maar geeft aan dat de rol van [gedaagde] beperkt was.
5.27.
Daarnaast verwijt [eiser] [gedaagde] dat [gedaagde] had moeten beseffen dat het kenteken niet toebehoorde aan de auto en hij ook daarmee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] . Ook dit verwijt gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, omdat, zoals hiervoor geoordeeld, geen afspraken zijn gemaakt tussen partijen. Als [eiser] had gewild dat [gedaagde] bepaalde gegevens zou controleren, had zij dit aan [gedaagde] kenbaar moeten maken. Bovendien is ter zitting besproken dat er een openbaar autoregister in Italië is dat gecontroleerd had kunnen worden, waarbij [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd dat [eiser] dat register ook zelf had kunnen raadplegen en dat andere professionele auto-importeurs, zoals Stolze en Manders, dat register ook raadplegen.
5.28.
Dat [gedaagde] wel de opname van een onjuist chassisnummer had ontdekt op de registratie, zoals door [eiser] aangevoerd, maakt dat niet anders. [eiser] had daarvoor overigens de koopovereenkomst al gesloten.
5.29.
Tot slot heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] commissie bedingt en fors aan de transacties verdient. Dit zou volgens [eiser] aan het licht zijn gekomen door de verzetdagvaarding. Daarin staat in nr. 21 met betrekking tot de koop van de Alfa Romeo Gulia GT (zie onder 3.2): “De prijs die [eiser] met de verkoper had afgesproken voor die auto bedroeg € 32.500,-“, terwijl [eiser] stelt dat zij voor die auto € 36.000,00 heeft betaald. Dat zou volgens [eiser] betekenen dat [gedaagde] een commissie heeft opgestreken van € 3.500,00, waar [eiser] niets van wist. Ter zitting heeft [eiser] nader toegelicht dat als zij had geweten dat [gedaagde] voor zichzelf van de verkoper een commissie had bedongen, dat [eiser] dan bij de aanschaf van de auto voorzichtiger te werk zou zijn gegaan en dan de koop niet zou hebben gesloten.
5.30.
[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij commissie heeft bedongen van de verkopers. De advocaat van [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat wat in nr. 21 van de verzetdagvaarding staat een verschrijving is. De koopprijs was volgens haar € 36.000,00, maar daarvan is aanvankelijk maar € 32.500,00 aan de verkoper betaald. Het resterende gedeelte van € 3.500,00 is destijds – op verzoek van [eiser] – in depot gehouden om pas door te betalen aan de verkoper nadat de auto aan [eiser] geleverd was. Dit blijkt ook uit het volgende Whatsappbericht van [eiser] :
“26-03-2023 10:46 - [persoon B] : Hoi [voornaam gedaagde] , ik heb nog een idee. Kan jij met de verkoper afspreken dat jij het grootste deel van het aankoopbedrag betaald, bijvoorbeeld € 32.500 en dat je de laatste € 3.500 betaald nadat ik de auto heb ontvangen en geïnspecteerd? Ik maak aan jou het volledige bedrag over voor de auto op transport gaat. Jij maakt dan ook het restant over naar de verkoper op het moment dat ik de auto in ontvangst heb genomen. Denk je dat dit kan? Geeft mij iets meer zekerheid.”
[eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat het puur toeval is dat haar voorstel in dit bericht hetzelfde bedrag betreft als de commissie die [gedaagde] heeft ontvangen bij die transactie, maar de rechtbank ziet in dit bericht eerder een bevestiging van de juistheid van de betwisting van [gedaagde] dan in de stelling van [eiser] .
5.31.
Zo is het volgens [gedaagde] ook gegaan bij de onderhavige transactie, waarbij hij € 2.600,00 onder zich heeft gehouden, voor, zo voert hij aan, mogelijke kosten van het transport en als zekerheid voor de levering. [gedaagde] heeft op 29 september 2023 al aan [eiser] bericht dat [eiser] dat bedrag terugkrijgt (zie onder 3.10). Ter zitting heeft [gedaagde] wederom aangegeven dat hij dat bedrag wil terugbetalen aan [eiser] , omdat het geen commissie betreft en [gedaagde] dus geen recht heeft op dat bedrag.
5.32.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] haar stellingen op dit punt, gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank acht op grond van het voorgaande het bedrag van € 32.500,00 in nr. 21 van de verzetdagvaarding een verschrijving en dat de koopprijs € 36.000,00 bedroeg. Van een commissie is geen sprake geweest. Evenmin had [gedaagde] een eigen belang bij de totstandkoming van de koopovereenkomst tussen [eiser] en [persoon A] dat hij vooraf aan [eiser] had moeten melden. Als [gedaagde] een vergoeding zou ontvangen voor zijn hand- en spandiensten, was die afkomstig van [eiser] en betrof het een vergoeding van ongeveer € 350,00. Dat laatste is door [eiser] ter zitting desgevraagd verklaard.
5.33.
De conclusie is dat ook de grondslag onrechtmatige daad niet tot toewijzing van de vorderingen kan leiden. Tussen partijen is evenwel niet in geschil dat [gedaagde] het bedrag van € 2.600,00 terug moet betalen aan [eiser] , omdat er geen redelijke grond is waarop [gedaagde] dat geld mag behouden en [gedaagde] aldus ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt als hij het bedrag niet terugbetaalt. Voor dit deel is de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar op grond van artikel 6:212 BW Pro. [gedaagde] wordt dan ook veroordeeld tot betaling van dat bedrag. Omdat [gedaagde] ondanks zijn mededeling op 29 september 2023 het bedrag niet heeft terugbetaald, zal de rechtbank de wettelijke rente (ex artikel 6:119 BW Pro) toewijzen vanaf 6 oktober 2023, te weten één week na de niet nagekomen terugbetalingsmededeling. De rechtbank acht dit een redelijke termijn om deze toezegging na te komen, zodat [gedaagde] vanaf dat moment in verzuim was.
Proceskosten
5.34.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × tarief IV)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.696,00
5.35.
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
vernietigt het door deze rechtbank op 6 november 2024 onder zaaknummer / rolnummer C/10/686788 / HA ZA 24-847 gewezen verstekvonnis voor zover gewezen tussen [eiser] en [gedaagde] ,
en, opnieuw rechtdoende,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 2.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 6 oktober 2023, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.696,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.4.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
3242/3455

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546.