ECLI:NL:RBROT:2026:8272

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/10/710338 / JE RK 25-2378, C/10/719888 / JE RK 26-951 en C/10/720980 / JE RK 26-1109
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:264 BWArt. 1:265c BWArt. 1:265f BWAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing en vervallenverklaring schriftelijke aanwijzingen in gezinsplaatsing

De zaak betreft verzoeken rondom de uithuisplaatsing van een minderjarige en de contactregeling met de moeder. De gecertificeerde instelling (GI) vroeg verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en handhaving van schriftelijke aanwijzingen die het contact tussen moeder en kind beperkten. De moeder verzocht om vervallenverklaring van deze aanwijzingen en een ruimere contactregeling.

De kinderrechter nam diverse schriftelijke stukken en e-mails in overweging en hield een zitting met gesloten deuren. De GI baseerde haar verzoek op een afgerond perspectiefonderzoek dat adviseerde dat de minderjarige niet bij de moeder kan opgroeien, mede vanwege spannings- en angstklachten bij het kind en incidenten met de moeder. De moeder erkende overtredingen van contactafspraken maar stelde dat zij een veilige thuissituatie kan bieden en dat het contact onterecht werd stopgezet.

De kinderrechter oordeelde dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de veiligheid en stabiliteit van het kind. De schriftelijke aanwijzing die het contact volledig stopzette, was echter onvoldoende gemotiveerd en te vergaand. Daarom werd deze aanwijzing vervallen verklaard. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.

De uitspraak benadrukt dat de moeder aan zichzelf moet werken om veilig contact mogelijk te maken, met oog voor de belangen van het kind, het gezinshuis en betrokken professionals. Fysiek contact kan pas worden heroverwogen als de emotionele veiligheid van het kind is gewaarborgd.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd en de schriftelijke aanwijzing die het contact verbiedt wordt vervallen verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/710338 / JE RK 25-2378, C/10/719888 / JE RK 26-951 en C/10/720980 / JE RK 26-1109
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en over de verzoeken tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzingen
in de zaken van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam,
en
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende te Rotterdam.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt de moeder als belanghebbende aan in de zaak van de GI en de GI als belanghebbende in de zaak van de moeder.
De kinderrechter merkt als informant aan in alle zaken:
[naam gezinsouder],
hierna te noemen: de gezinshuisouder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI van 14 april 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • de brief met bijlagen van de moeder van 13 maart 2026, ontvangen op 28 april 2026;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 18 mei 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 4 juni 2026, ontvangen op 5 juni 2026;
  • de e-mails met bijlagen van de moeder van 13 april 2026, 19 april 2026, 20 april 2026, 13 mei 2026, 17 mei 2026, 18 mei 2026, 23 mei 2026, 24 mei 2026, 29 mei 2026 en 31 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met mr. L.H.E.M. Berendse (waarnemend voor; mr. R.W. de Gruijl);
  • een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] ;
  • de gezinshuisouder.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
Bij beschikking van 15 december 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 31 december 2026. Met diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 30 juni 2026. Het overig verzochte is aangehouden.
2.4.
De GI heeft op 8 mei 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende het contact tijdens de uithuisplaatsing. Hierin is het volgende opgenomen:
“De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering stelt de volgende regeling vast:
Videobellen eens per maand. Enkel onder begeleiding van een professional van een daarvoor aangestelde organisatie.
De regeling geldt voor de duur van drie maanden, tot en met 8 augustus 2026. Na afloop van deze duur zal het verloop van deze regeling worden geëvalueerd. U ontvangt hiervoor een uitnodiging.”
2.5.
De GI heeft op 27 mei 2026 een tweede schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering geeft de volgende aanwijzingen:
  • u onthoudt zich van ieder fysiek contact met het gezinshuis;
  • u begeeft zich niet in de straat of directe omgeving van het gezinshuis;
  • u respecteert het vertrouwelijke karakter van het adres;
  • u legt geen contact met de gezinshuisouders;
  • contact verloopt enkel via de jeugdbeschermer;
  • het contact tussen u en uw zoon wordt tijdelijk stopgezet; het videobellen wordt niet georganiseerd.
Deze maatregelen gelden voorlopig voor onbepaalde tijd, totdat de rust, veiligheid en het vertrouwen voldoende zijn hersteld en er opnieuw beoordeeld kan worden of en op welke wijze contactherstel mogelijk is.”

3.De verzoeken

Het aangehouden verzoek van de GI met zaaknummer C/10/710338 / JE RK 25-2378
3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er resteert nog een beslissing op het aangehouden deel van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing, te weten de periode tot 31 december 2026.
Het verzoek van de moeder met zaaknummer C/10/719888 / JE RK 26-951
3.2.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 8 mei 2026 vervallen te verklaren.
3.3.
Daarnaast verzoekt de moeder een contactregeling te bepalen waarbij de moeder en [voornaam minderjarige] één keer per twee weken begeleid omgang kunnen hebben voor de duur van twee uur per keer en elke week een videobelmoment en dan wel een zodanige contactregeling tussen de moeder en [voornaam minderjarige] te bepalen die de rechtbank juist en passend acht.
Het verzoek van de moeder met zaaknummer C/10/720980 / JE RK 26-1109
3.4.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 27 mei 2026 vervallen te verklaren.

4.De standpunten

Ten opzichte van het verzoek van de GI
4.1.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht dit als volgt toe. Het perspectiefonderzoek is afgerond en hieruit volgt het advies om [voornaam minderjarige] niet bij de moeder te laten opgroeien. Er is besloten dit advies over te nemen en de GI heeft de moeder hierover geïnformeerd. [voornaam minderjarige] is afgelopen maart begonnen met speltherapie. Bij [voornaam minderjarige] lijkt er sprake te zijn van spannings- en angstklachten die samenhangen met de eerdere ingrijpende en mogelijk traumatische ervaringen. Rondom contactmomenten met zijn moeder was verhoogde spanning zichtbaar. Ook is [voornaam minderjarige] angstig wanneer hij over straat loopt en kan hij niet met een fijn gevoel fietsen of buiten spelen. Het is zorgelijk dat [voornaam minderjarige] in zijn vrijheid wordt ingeperkt, vanwege het gedrag van de moeder. Zijn huidige verblijfplaats in het gezinshuis dient te worden gecontinueerd om zo de stabiliteit en veiligheid te waarborgen. De GI heeft een nieuwe jeugdbeschermer gekoppeld aan het gezin en heeft geprobeerd een kennismaking te regelen, maar deze is nog niet van de grond gekomen. De GI hoopt dat de samenwerking met de moeder zal verbeteren.
4.2.
Door en namens de moeder wordt primair verzocht om afwijzing van het verzoek van de GI. De moeder verzoekt subsidiair de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur. De moeder wil dat [voornaam minderjarige] naar huis komt en [voornaam minderjarige] wil dit ook graag. De moeder kan een veilige thuissituatie bieden. Zij heeft meermaals herstelgesprekken aangevraagd met de GI maar deze zijn niet van de grond gekomen. De angstklachten van [voornaam minderjarige] hebben geen verband met de begeleide bezoeken, nu [voornaam minderjarige] al voor de uithuisplaatsing last had van angst en spanning. Zij erkent dat zij tegen de regels in [voornaam minderjarige] twee keer heeft opgezocht. Dit was zowel bij het gezinshuis als op de school van [voornaam minderjarige] . Moeder had al langere tijd geen contact en omgang met [voornaam minderjarige] en zij wilde hem graag zien.
Ten opzichte van de verzoeken van de moeder
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling verklaart de GI dat met het afgeven van de schriftelijke aanwijzing van 27 mei 2026, de schriftelijke aanwijzing van 8 mei 2026 is komen te vervallen.
4.4.
Door en namens de moeder wordt het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing en het vaststellen van een contactregeling tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd. De afgelopen jaren hebben de moeder en [voornaam minderjarige] sporadisch omgang met elkaar gehad. De moeder heeft [voornaam minderjarige] sinds maart dit jaar niet meer gezien. De moeder meent dat de GI niet in het belang van [voornaam minderjarige] handelt. In de schriftelijke aanwijzing van 27 mei 2026 is de omgang stopgezet. Dit is niet in zijn belang. Het is niet duidelijk wanneer de omgang met [voornaam minderjarige] weer kan worden uitgebreid in duur en frequentie. Ook is het onduidelijk waarom de omgang is stopgezet, terwijl in de schriftelijke aanwijzing van 8 mei 2026 nog wel (beperkte) omgang mogelijk was. De moeder wenst verder te benadrukken dat haar eigen vader in de buurt van het gezinshuis woont. Het is daardoor voor haar onmogelijk om zich niet te bevinden in de buurt van [voornaam minderjarige] . De schriftelijke aanwijzing beperkt op deze manier niet alleen het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] , maar ook tussen de moeder en haar vader.
4.5.
De GI brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. De GI ziet een moeder die veel van [voornaam minderjarige] houdt en dat zij op haar manier haar best doet. Het gedrag van de moeder leidt niet tot de gewenste resultaten, en maakt het juist lastig om de samenwerking aan te gaan en deze te continueren. Dat de moeder zich niet heeft gehouden aan de gestelde afspraken, heeft tot gevolg gehad dat de omgang is stopgezet. Er zijn meerdere incidenten met moeder geweest waarbij de veiligheid van [voornaam minderjarige] , de rest van de kinderen in het gezinshuis en de gezinshuisouders in het geding kwamen. Ook zijn de laatste belmomenten niet goed verlopen. De GI maakt duidelijk dat het stilleggen van het contact en de omgang van tijdelijke aard is en deze worden opgepakt wanneer er goede afspraken met de moeder zijn gemaakt.

5.Informatie van de informant

5.1.
De gezinshuisouder brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Al langere tijd laat de moeder ontwrichtend gedrag zien tegenover de GI en de gezinshuisouders. De moeder is meermaals toeterend door de straat gereden en heeft verschillende keren voor de deur van het gezinshuis gestaan. Ook worden er meerdere gezagsbeslissingen gefrustreerd door de moeder. Zo heeft zij het perspectiefonderzoek vroegtijdig gestopt en is de omgangsbegeleiding gestopt vanwege de dreiging vanuit de moeder. Na de belmomenten zag de gezinshuisouder dat [voornaam minderjarige] vermoeid en van slag was.

6.De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek van de GI
6.1.
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [voornaam minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [voornaam minderjarige] is een aantal keer overgeplaatst en woont op dit moment in een gezinshuis. Hier ontwikkelt hij zich goed en gaat hij ook naar school. Ook volgt hij speltherapie voor zijn angst- en spanningsklachten. De omgang met de moeder verloopt echter moeizaam en vanwege meerdere incidenten heeft de GI de omgang met [voornaam minderjarige] meermaals stopgezet. Door de houding en het gedrag van moeder, komt de samenwerking tussen de moeder en de GI bovendien niet goed tot stand. Mede gelet op het afgeronde perspectiefonderzoek van de Rading waarin het advies wordt gegeven dat [voornaam minderjarige] niet opgroeit bij de moeder, is het van belang dat de huidige verblijfplaats van [voornaam minderjarige] in het gezinshuis wordt gecontinueerd. Hier kan de veiligheid en stabiliteit van [voornaam minderjarige] worden gewaarborgd. De komende periode dient via de betrokkenheid van de GI en de inzet van passende hulpverlening te worden onderzocht wat nodig is om de samenwerking tussen de moeder en de GI te verbeteren, het contact tussen moeder en [voornaam minderjarige] te herstellen en tegelijkertijd de veiligheid van [voornaam minderjarige] blijvend te waarborgen.
Ten aanzien van de verzoeken van de moeder
6.3.
De GI kan de contacten tussen een met gezag belaste ouder en het kind beperken als dit noodzakelijk is in verband met het doel van de uithuisplaatsing (artikel 1:265f, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW)). Op grond van het tweede lid van artikel 1:265f BW geldt deze beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing.
6.4.
Op grond van artikel 1:264, eerste lid van het BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.
6.5.
De schriftelijke aanwijzing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit betekent dat de schriftelijke aanwijzing moet voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De schriftelijke aanwijzing moet onder meer zorgvuldig zijn voorbereid en de redenen die voor het besluit worden gegeven, moeten het besluit kunnen dragen.
6.6.
Uit het dossier en wat op de zitting is besproken, volgt dat de samenwerking tussen enerzijds de moeder en anderzijds de betrokken jeugdbeschermers, de hulpverleners en ook de gezinshuisouders al langere tijd heel moeizaam verloopt. De incidenten zijn heftig en voor zover [voornaam minderjarige] daarbij aanwezig is geweest, ook schadelijk voor zijn ontwikkeling. De incidenten die door de GI in de schriftelijke aanwijzing van 27 mei 2026 zijn benoemd, zijn echter grotendeels voorafgegaan aan de schriftelijke aanwijzing van 8 mei 2026. In die schriftelijke aanwijzing werd bepaald dat (in lijn met het advies van de Rading) voor de duur van drie maanden een beperkte vorm van omgang mogelijk was, namelijk eenmaal per maand videobellen. Het is de kinderrechter onvoldoende duidelijk geworden wat er tussen 8 en 27 mei 2026 is gebeurd, waardoor het noodzakelijk is om de omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] voor onbepaalde tijd in zijn geheel stop te zetten. Ook op de zitting heeft de GI onvoldoende kunnen uitleggen waarom voor deze maatregel is gekozen. De kinderrechter acht de schriftelijke aanwijzing op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd en komt tot de conclusie dat de opschorting van elk contact tussen moeder en [voornaam minderjarige] op dit moment te vergaand is.
6.7.
De kinderrechter acht de gegeven schriftelijke aanwijzing ondeugdelijk gemotiveerd en ziet daarin grond om de schriftelijke aanwijzing geheel vervallen te verklaren. Dit betekent dat het verzoek wordt toegewezen.
6.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.9.
De kinderrechter acht verder nog van belang te benoemen dat de moeder vorig jaar deze rechtbank heeft verzocht om een eerdere schriftelijke aanwijzing (gedateerd 12 september 2025) waarbij het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder eveneens werd opgeschort, vervallen te laten verklaren. De rechtbank heeft dit verzoek op 6 november 2025 afgewezen, waarna de moeder hoger beroep heeft ingesteld. Het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) heeft op 8 april van dit jaar in deze procedure uitspraak gedaan en geoordeeld dat de opschorting door de GI van elk contact tussen moeder en [voornaam minderjarige] op dat moment te vergaand was. De moeder had weliswaar tijdens de omgangsmomenten met [voornaam minderjarige] een onveilige sfeer veroorzaakt, en om die reden (zo begrijpt het Hof) had de GI besloten om het fysieke contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] op te schorten. Dit betekent volgens het Hof echter niet dat er op dat moment geen enkele vorm van contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] mogelijk was. De GI had zich dan ook in het belang van [voornaam minderjarige] ervoor moeten inzetten om andersoortig contact mogelijk te maken, bijvoorbeeld in de vorm van (video) bellen.
6.10.
Het Hof heeft in deze uitspraak echter ook overwogen dat de moeder echt met zichzelf aan de slag moet gaan en zich ervoor gaat inzetten om de contactmomenten met de minderjarige veilig en respectvol te laten verlopen. De kinderrechter onderschrijft deze overweging en wijst daarbij ook op de belangen van de andere kinderen in het gezinshuis en de gezinsouders, en ook op alle andere betrokken professionals. Zij moeten allemaal gevrijwaard worden en blijven van enige vorm van agressie, dreiging en intimidatie door de moeder. Alleen de moeder zelf kan daarvoor zorgen. Pas wanneer is vastgesteld dat de (emotionele) veiligheid van [voornaam minderjarige] voldoende is geborgd, kunnen bovendien de mogelijkheden voor fysieke omgang opnieuw worden bekeken.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 31 december 2026;
7.2.
verklaart de schriftelijke aanwijzing van 28 mei 2026 geheel vervallen;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. J. Groot, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.