ECLI:NL:RBROT:2026:8286

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/10/721131 / JE RK 26-1132
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds juni 2025 onder toezicht staat en in een kamertrainingscentrum verblijft.

De moeder kampt met ernstige alcohol- en psychische problematiek en werkt onvoldoende mee aan hulpverlening, wat de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige bedreigt. De minderjarige toont positieve ontwikkelingen, is gemotiveerd en ontvangt noodzakelijke ondersteuning in het KTC.

De kinderrechter weegt de belangen en concludeert dat verlenging noodzakelijk is voor stabiliteit en veiligheid. De moeder erkent de zorgen en is bereid hulp te accepteren. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 1 juli 2027 en de beslissing is direct uitvoerbaar, met mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 1 juli 2027.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/721131 / JE RK 26-1132
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 29 mei 2026, ontvangen op 9 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft op het kamertrainingscentrum (hierna: KTC) van [naam instelling] .
2.3.
Bij beschikking van 30 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 1 juli 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 1 juli 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] verblijft binnen het KTC van [naam instelling] . Zij zet positieve stappen richting zelfstandigheid en ontwikkelt zich hier goed. De zorgen rondom de moeder zijn nog steeds aanwezig. De moeder kampt met ernstige alcoholproblematiek, psychische kwetsbaarheid en instabiliteit. De moeder laat al jaren een patroon zien waarin het haar niet lukt om op vrijwillige basis hulpverlening blijvend te accepteren. De zorgen over de moeder hebben een grote invloed op het functioneren van [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] heeft veel angsten, langdurige slaapproblematiek en gebruikt cannabis. Ook komt ze regelmatig te laat op school en heeft ze een verhoogd verzuim. Tegelijkertijd laat [voornaam minderjarige] zien dat zij gemotiveerd is om zichzelf te ontwikkelen. Ze is hard aan het werken aan haar toekomst. [voornaam minderjarige] heeft zelf hulp gezocht voor haar cannabisgebruik door contact op te nemen met de huisarts. Ook staat zij op de wachtlijst voor een psychologische behandeling via Timon. [voornaam minderjarige] heeft behoefte aan dagelijkse structuur, ondersteuning bij planning, begeleiding rondom school en hulp bij het reguleren van emoties en spanningen. Haar huidige verblijf biedt haar deze noodzakelijke ondersteuning en dient daarom te worden gecontinueerd. De moeder werkt onvoldoende (structureel) mee aan noodzakelijke hulpverlening en besluitvorming. Zij komt de afspraken regelmatig niet na en is onvoldoende beschikbaar voor belangrijke opvoedings- en gezagsbeslissingen. De GI zal een gezagsbeëindigende maatregel onderzoeken waarbij het gezag van de moeder wordt beëindigd. Verlenging van de huidige maatregelen zijn noodzakelijk voor duidelijkheid, continuïteit en stabiliteit voor [voornaam minderjarige] . De moeder houdt van [voornaam minderjarige] , maar is op dit moment niet in staat om de opvoeding en verzorging op zich te nemen. Het is van belang dat het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder wordt behouden op een voor [voornaam minderjarige] fijne en veilige manier.

4.De standpunten

4.1.
De moeder brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Zij erkent de zorgen die er zijn en is bereid mee te werken aan hulpverlening. De moeder heeft hulpverlening vanuit Antes en gaat hier de komende periode mee door.
4.2.
De vader is het eens met het verzoek van de GI. Hij ziet dat [voornaam minderjarige] haar best doet. Wel maakt hij zich zorgen dat [voornaam minderjarige] een te groot verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van haar zusje [naam zusje] ontwikkelt. Hier dient aandacht voor te zijn binnen de hulpverlening. De vader heeft regelmatig contact met [voornaam minderjarige] , wat hij als prettig ervaart. Daarnaast vindt de vader het belangrijk dat er contact is tussen [voornaam minderjarige] en de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige] een positieve groei laat zien op haar verblijf bij het KTC van [naam instelling] . Ondanks de vele traumatische ervaringen die zij heeft meegemaakt, laat zij zien dat ze gemotiveerd is en zet zij steeds meer stappen richting zelfstandigheid. Daar mag zij en mogen haar ouders trots op zijn. Om de rust en stabiliteit voor [voornaam minderjarige] te waarborgen is het van belang dat haar verblijf op het KTC van [naam instelling] wordt gecontinueerd. Bij de moeder is nog steeds sprake van ernstige alcoholproblematiek en psychische problematiek. [voornaam minderjarige] maakt zich hier grote zorgen over. Dit heeft invloed op haar mentale welzijn. Gelet op het voorgaande wordt de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] nog ernstig bedreigd. Het vrijwillig kader is ontoereikend gebleken omdat de moeder al jaren een patroon laat zien waarin het haar niet lukt om op vrijwillige basis hulpverlening blijvend te accepteren, abstinent te blijven en te werken aan haar alcoholverslaving en psychische problemen. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat het de moeder ditmaal lukt de noodzakelijke hulpverlening blijvend te accepteren en hiervan te profiteren. Het is in het belang van zowel de moeder als [voornaam minderjarige] dat de moeder werkt aan haar problematiek en positieve ontwikkelingen weet vast te houden, zodat zij in de toekomst een veilige en stabiele rol in het leven van [voornaam minderjarige] kan vervullen. De kinderrechter acht de verdere betrokkenheid van de jeugdbeschermer noodzakelijk om de veiligheid en ontwikkeling van [voornaam minderjarige] zoveel mogelijk te waarborgen, de nodige hulpverlening in te zetten en het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] in het belang van [voornaam minderjarige] te bevorderen.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 1 juli 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 juli 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. K.J. van den Herik, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 6 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.