ECLI:NL:RBROT:2026:8291

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/10/710918 / JE RK 25-2470
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling wegens onuitvoerbaarheid en gebrek aan samenwerking moeder

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen voor een jaar. De kinderrechter nam de beschikking van januari 2026 en een aanvullend rapport van mei 2026 in overweging. Tijdens de zitting op 30 juni 2026, die met gesloten deuren plaatsvond, was de moeder afwezig maar correct opgeroepen.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en de kinderen wonen bij haar. De ondertoezichtstelling was reeds voor zes maanden verlengd, maar de Raad en de gecertificeerde instelling (GI) stelden dat verdere verlenging niet uitvoerbaar is omdat de moeder met de kinderen op Curaçao verblijft en niet samenwerkt. De moeder heeft afspraken niet nagekomen en is niet meer bereikbaar.

De kinderrechter constateert dat de bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen door schoolverzuim en politiecontacten nog steeds bestaat en dat de moeder de noodzakelijke zorg niet accepteert. Echter, gezien het ontbreken van contact en de onuitvoerbaarheid van de maatregel, acht de rechter verdere verlenging zinloos. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens onuitvoerbaarheid en gebrek aan medewerking van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710918 / JE RK 25-2470
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Beschikking over de verlenging van een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2022 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een de rechtbank onbekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het aanvullende rapport van de Raad van 20 mei 2026.
1.2.
Op 30 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 16 januari 2026 zijn [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI verleend tot 16 juli 2026. Het overige verzochte is aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De ondertoezichtstelling is reeds voor de duur van zes maanden verlengd. Er resteert een beslissing over de overige zes maanden.

4.De standpunten

4.1.
De Raad kan instemmen met het afwijzen van het verzoek. De verlenging was bedoeld om de jeugdbeschermer de mogelijkheid te bieden een overdracht naar Curaçao te regelen. De GI heeft inmiddels een zorgmelding gedaan bij de Nederlandse Centrale autoriteit, meer kan de GI op dit moment niet doen. Dat maakt dat de ondertoezichtstelling niet langer uitvoerbaar is. Indien de moeder weer terugkeert naar Nederland zal de GI dat melden bij de Raad. Dan zal gekeken worden of een nieuw onderzoek nodig is.
4.2.
De GI heeft verzocht het verzoek af te wijzen. De moeder en de kinderen wonen inmiddels op Curaçao. Er is de afgelopen maanden een paar keer kort contact geweest met de moeder. De vervolgafspraken die zijn gemaakt, zijn door de moeder niet nagekomen. Inmiddels reageert de moeder helemaal niet meer. De moeder had aangegeven dat zij weer naar Nederland wilde komen, zodra de school van [voornaam minderjarige 1] geregeld was. De GI heeft contact gehad met de school en bij de moeder aangegeven welke documenten nodig waren. De moeder komt de afspraken om dit te bespreken ook niet na en is niet meer te bereiken. De zorgen zijn nog altijd aanwezig, maar op dit moment is het niet werkbaar.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter overweegt het volgende. Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de situatie zoals vermeld in artikel 1:255 BW Pro zich nog steeds voordoet. Gelet op de zorgen over het schoolverzuim van [voornaam minderjarige 1] , de politiecontacten van [voornaam minderjarige 1] en het ontbreken van ieder zicht op [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] , worden [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd. De zorg die voor het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt door de moeder niet of onvoldoende geaccepteerd. In die zin wordt de grond als bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW dus nog steeds vervuld.
5.2.
De strekking van dit artikel is daarnaast ook dat de belangen van minderjarigen gediend moeten zijn bij deze maatregel. Uit jurisprudentie volgt dat de grond bijvoorbeeld niet langer bestaat als bij een verlenging van de ondertoezichtstelling feitelijk geen verdere resultaten zijn te verwachten.
5.3.
De moeder is niet bereid om in contact te treden en samen te werken met de GI. Deze situatie doet zich al voor sinds het begin van de ondertoezichtstelling in januari 2026. Gebleken is dat de GI via allerlei manieren heeft geprobeerd de moeder te benaderen en met hen samen te werken. Dit is helaas niet gelukt. De moeder lijkt op dit moment met [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] op Curaçao te zitten en is volledig uit het contact met de GI getreden. Gelet op het verloop van de ondertoezichtstelling en de weerstand die de moeder laat zien ten opzichte van de GI, heeft de kinderrechter niet de verwachting dat de houding van de moeder binnen afzienbare termijn zal wijzigen en dat zij alsnog bereid is samen te werken met de GI of andere hulpverleningsinstanties. De GI heeft een zorgmelding gedaan bij de Nederlandse Centrale autoriteit en dat is momenteel het enige wat nog gedaan kon worden.
5.4.
Naar het oordeel van de kinderrechter is er op dit moment dan ook sprake van een situatie waarbij feitelijk geen verdere resultaten van de ondertoezichtstelling zijn te verwachten, nu de ondertoezichtstelling praktisch onuitvoerbaar is gebleken. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.