ECLI:NL:RBROT:2026:837

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
712020 / KG ZA 25-1255
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:10 lid j BWArt. 3:15i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot afgifte administratie en afmaken belastingaangifte bij onbetaalde factuur

De eiser, een ondernemer, heeft haar administratie en belastingaangifte uitbesteed aan administratiekantoor Yoda sinds 2008. Na onbetaalde facturen over 2022 en 2023 stopte Yoda met werkzaamheden en weigerde de administratie volledig af te geven. De ondernemer vordert in kort geding afgifte van administratieve stukken over 2020-2024 en het afmaken en indienen van de IB-aangifte 2024.

De rechtbank oordeelt dat de ondernemer geacht wordt zelf over haar administratie te beschikken en wijst de vordering tot afgifte van stukken af. Ten aanzien van de IB-aangifte 2024 erkent de rechtbank het opschortingsrecht van Yoda wegens onbetaalde facturen, maar veroordeelt Yoda om de aangifte binnen twee maanden na betaling van € 8.500 en aanlevering van benodigde stukken te verzorgen.

De proceskosten worden gecompenseerd. De uitspraak benadrukt het belang van betaling voor voortzetting van werkzaamheden en het recht van de ondernemer op tijdige belastingaangifte.

Uitkomst: Vordering tot afgifte administratie afgewezen; Yoda veroordeeld tot afmaken IB-aangifte 2024 na betaling openstaand bedrag.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team haven en handel
Zaaknummer: C/10/712020 / KG ZA 25-1255
Vonnis in kort geding van 26 januari 2026
in de zaak van
[persoon A],
te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. B.J. de Deugd,
tegen
YODA 010-CAPELLE B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: YODA,
verschenen in persoon (de heer [persoon B] , [naam functie] vestiging Rotterdam).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 18 december 2025, met producties;
- de schriftelijke reactie van Yoda per e-mail d.d. 7 januari 2026, met bijlagen;
- de mondelinge behandeling van 12 januari 2026;
- de pleitnota van [persoon A] .

2.De feiten

2.1.
[persoon A] drijft een onderneming onder de naam [onderneming A] .
2.2.
[persoon A] heeft sinds 2008 haar bedrijfsadministratie - bestaande uit de boekhouding, inclusief jaarstukken, het verzorgen van de aangiften Omzetbelasting en de aangiften Inkomstenbelasting (IB) - uitbesteed aan (rechtsvoorgangers van) administratiekantoor Yoda.
2.3.
Dit administratiekantoor werd aanvankelijk gevoerd door de heer [persoon C] (onder de handelsnaam [handelsnaam C] ) en sinds 2023 door de heer [persoon B] (tot 2025 onder de handelsnaam [handelsnaam B] ).
2.4.
Per brief van 6 februari 2012 heeft [persoon C] de afspraken met [persoon A] bevestigd. In de brief is onder meer opgenomen:
"
Tarief en kosten
(…)
De kosten van onze dienstverlening brengen wij u periodiek (in beginsel tweewekelijks) in rekening aan de hand van de daadwerkelijk bestede tijd. Reistijd en tijd voor intern overleg worden in rekening gebracht als aan de uitvoering van uw opdracht bestede tijd, overeenkomstig de tijd die daaraan daadwerkelijk is besteed. Indien als gevolg van bijzondere omstandigheden op ons kantoor meer of minder tijd is besteed aan de uitvoering van uw opdracht, brengen wij hierop een correctie aan. De bestede tijd wordt u in rekening gebracht van tijdseenheden van 5 minuten, een kwartier (0,25 uur) of in elk veelvoud daarvan. Voor u gemaakte kosten zoals ondermeer legeskosten, opgevraagde uittreksels uit openbare registers en dergelijke worden u afzonderlijk en gespecificeerd in rekening gebracht. Voor de goede orde wijzen wij u erop dat wij tot onze opdracht rekenen alle verdere werkzaamheden die uit uw opdracht mochten voorvloeien of die daarmee verband houden. In geval van het verrichten van werkzaamheden die niet rechtstreeks uit uw opdracht voorvloeien zullen wij steeds zoveel mogelijk vooraf met u overleggen. De vermelde bedragen in deze offerte zijn exclusief omzetbelasting."
2.5.
Op 23 augustus 2024 heeft [administratiekantoor B] aan [persoon A] een factuur (eindafrekening) gezonden voor werkzaamheden over het boekjaar 2022 voor, na aftrek van de reeds betaalde jaartermijn, een bedrag van € 7.962,07 inclusief btw.
2.6.
[persoon A] heeft deze factuur onbetaald gelaten en bezwaar gemaakt tegen de verschuldigdheid daarvan.
2.7.
Per 2025 is [persoon A] overgestapt naar een ander administratiekantoor. De nieuwe administrateur heeft aangegeven dat een van de belastingdienst verkregen uitstel voor het indienen van de aangifte IB 2024 eind april 2025 afloopt.
2.8.
Per e-mail van 15 december 2025 heeft de advocaat van [persoon A] opheldering gevraagd over de factuur van 23 augustus 2024 en Yoda gesommeerd de administratie van [persoon A] aan haar beschikbaar te stellen en de aangifte IB in te dienen.
2.9.
Hierop heeft [persoon B] op per e-mail d.d. 15 december 2025, onder meer, geantwoord:
"Er is geen sprake van een vaste prijs maar van een voorschot factuur. Het betreft een geschatte prijs. Al een aantal jaren gaan wij over het bedrag van de voorschot nota heen en hier zijn in het verleden al gesprekken over gevoerd.
De afrekening van het jaar vindt altijd plaats als het boekjaar gesloten is en dan maken wij een eindnota op. Aangezien wij door slechte aanlevering van de klant ver over de voorschot nota heen zijn gegaan hebben wij een afrekening opgesteld. Dit geldt voor zowel het jaar 2023 als het jaar 2024.
Wij hebben het werk voor 2024 stilgezet aangezien wij niet uitkomen met de verzonden
voorschotnota's en de uren die besteed zijn. Tevens wordt het geleverde werk van 2023 niet betaald.
Van een vast abonnement is dus geen sprake."
2.10.
Na een nieuwe aanmaning heeft [persoon B] per e-mail van 16 december 2025 aan de aan de advocaat van [persoon A] onder meer geschreven:
"Wij zijn door het budget heen en hebben geen uren meer over om het jaarwerk 2024 tot een goede afronding te brengen.
Dit hebben wij tezamen met het jaarwerk 2023 aan cliënte ter kennisgegeven."

3.Het geschil

3.1.
De vordering van [persoon A] luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Yoda te veroordelen binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [persoon A] af te geven de stukken uit haar administratie over de jaren 2020 tot en met 2024, in origineel of in kopie, bij gebreke waarvan een dwangsom verbeurd zal worden van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 100.000,00;
II. Yoda te veroordelen binnen zes weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis een correcte aangifte IB 2024 te verzorgen (inclusief het jaarwerk voor de onderneming van [persoon A] ) en deze bij de belastingdienst in te dienen, bij gebreke waarvan een dwangsom verbeurd zal worden van € 1.000,00 per dag en, met een maximum van € 100.000,00.
III Kosten rechtens.
3.2.
Het verweer van Yoda strekt tot afwijzing van de vordering van [persoon A] .

4.De beoordeling

spoedeisend belang
4.1.
Voor toewijzing van een voorlopige voorziening is nodig dat [persoon A] daarbij een spoedeisend belang heeft. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft [persoon A] gesteld dat de einddatum voor het uitstel bij de belastingdienst over enkele maanden eindigt. De voorzieningenrechter acht op grond hiervan spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening aanwezig. Yoda heeft overigens het spoedeisend belang niet betwist.
de gevorderde voorlopige voorzieningen
4.2.
In deze procedure in kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, beoordeeld worden of de vordering van [persoon A] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing, mede gelet op de wederzijdse belangen, reeds nu gerechtvaardigd is.
afgifte stukken (vordering I)
4.3.
Yoda heeft er ter zitting op gewezen dat zij een digitale administratie voert, waar [persoon A] toegang toe heeft. Bovendien zou [persoon A] zelf over haar administratie moeten beschikken, omdat daarvoor een wettelijke bewaarplicht geldt. Het is daarom niet nodig dat Yoda aan [persoon A] haar administratie over 2020 - 2024 afgeeft.
4.4.
[persoon A] heeft ter zitting erkend dat zij deze stukken ook zelf in haar administratie moet hebben, omdat zij die stukken steeds (in kopie) aan Yoda verstrekte. Juist is voorts dat voor [persoon A] op grond van artikel 2:10 lid Pro j. 3:15i BW verplicht is haar administratie gedurende 7 jaar te bewaren. Dat betekent dat [persoon A] geacht wordt op dit moment nog over de administratie over 2020 - 2024 te beschikken. Gelet daarop heeft [persoon A] onvoldoende gesteld en onderbouwd dat en welk belang zij bij deze vordering heeft zodat deze wordt afgewezen.
aangifte IB 2024 (vordering II)
4.5.
[persoon A] stelt ter onderbouwing van deze vordering dat zij steeds de jaarlijkse facturen met haar maandbetalingen heeft voldaan en de werkzaamheden van Yoda daarmee geheel gedekt waren. Yoda voert aan dat sprake is geweest van meerwerk/correcties, dat onder meer voortvloeide uit de gebrekkige aanlevering van stukken door [persoon A] . Yoda diende daardoor meer dossierwerkzaamheden (afhandeling 'vraagposten') te verrichten. Dit meerwerk is - conform de algemene voorwaarden - met de factuur van 23 augustus 2024 aan [persoon A] in rekening is gebracht. Voor wat betreft haar verplichting de aangifte IB 2024 te verzorgen, beroept Yoda zich op opschorting totdat deze factuur is betaald.
4.6.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter beroept Yoda zich terecht op haar opschortingsrecht. Uit de door Yoda in het geding gebrachte correspondentie en stukken blijkt dat Yoda/ [persoon C] in de loop van de jaren meermaals het voorschot heeft verhoogd en dat Yoda bij [persoon A] meermaals om aanvullende administratieve stukken heeft verzocht ('vraagposten'). De voorzieningenrechter acht op grond daarvan aannemelijk dat Yoda voor [persoon A] meerwerk heeft moeten verrichten, waarbij in aanmerking is genomen dat [persoon A] heeft nagelaten de posten op de factuur gemotiveerd te betwisten. De voorzieningenrechter acht gelet op de stukken niet uitgesloten dat de bij factuur van 24 augustus 2024 in rekening gebrachte werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht. De voorzieningenrechter gaat er dus - vooruitlopend op een door partijen aan te spannen bodemprocedure – van uit dat [persoon A] , ten minste een deel van, het factuurbedrag aan Yoda verschuldigd is, zodat haar een opschortingsrecht voor haar werkzaamheden toekomt zolang [persoon A] (een deel van) dat bedrag niet betaald.
4.7.
Ter zitting heeft Yoda aangegeven nog steeds bereid te zijn de aangifte IB 2024 voor [persoon A] te verzorgen, mits zij het factuurbedrag (en de kosten voor het opmaken van de aangifte) voldoet en de benodigde stukken aanlevert (meer specifiek 114 facturen). Onder deze voorwaarden wijst de voorzieningenrechter de vordering, als hierna vermeld, toe. De voorzieningenrechter heeft daarbij gelet op het belang van [persoon A] bij een spoedige indiening van aangifte IB 2024, omdat de termijn hiervoor, zoals zij onbetwist heeft gesteld, in april 2025 verstrijkt en de omstandigheid dat Yoda tot nu geen maatregelen heeft genomen om het factuurbedrag te incasseren. Gelet op vorenbedoelde bereidheid van Yoda om de aangifte te verzorgen, verbindt voorzieningenrechter aan de veroordeling daartoe geen dwangsom. Met de betaling van [persoon A] vervalt ook het opschortingsrecht van Yoda.
proceskosten (vordering III)
4.8.
[persoon A] en Yoda zijn over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt Yoda binnen twee maanden na ontvangst van een bedrag van € 8.500,00 én de benodigde administratieve stukken (met name 114 facturen) als blijkend uit de vraagposten voor [persoon A] , tegen betaling van de daarmee gemoeide uren, een correcte aangifte IB 2024 te verzorgen inclusief het jaarwerk voor de onderneming van [persoon A] en deze bij de belastingdienst in te dienen,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de proceskosten,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
[2111/2009]