ECLI:NL:RBROT:2026:839

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4402
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 17 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstand wegens te lang verblijf buitenland en oplegging bestuurlijke boete

Eiseres ontving bijstand die het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag en terugvorderde over de periode 2017-2022 vanwege een te lang verblijf in het buitenland en een contante geldstorting. Tevens werd een bestuurlijke boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.

Eiseres maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar het bezwaar tegen de herziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Eiseres voerde aan dat haar borderline persoonlijkheidsstoornis en haar zorg voor twee kleine kinderen de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die de termijnoverschrijding rechtvaardigden, mede omdat zij eerder al bezwaar had gemaakt tegen een soortgelijke boete.

Ten aanzien van de boete stelde eiseres dat zij niet verwijtbaar had gehandeld en dat de boete disproportioneel was. De rechtbank stelde vast dat eiseres de inlichtingenplicht had geschonden en dat het college de boete passend had gematigd rekening houdend met de ernst, verwijtbaarheid en financiële situatie van eiseres. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de herziening van de bijstand en de opgelegde bestuurlijke boete wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4402

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Kafa),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Procesverloop

1.1.
Met een besluit van 1 augustus 2024 (primair besluit 1) heeft het college de uitkering van eiseres herzien over de periode van 25 december 2017 tot en met 17 mei 2022 en een bedrag van € 3.991,22 van eiseres teruggevorderd.
1.2.
Met het besluit van 26 november 2024 (primair besluit 2) heeft het college eiseres een boete opgelegd van € 780,-.
1.3.
Op 9 januari 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen primair besluit 2. Op 10 januari 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen primair besluit 1.
1.4.
Met het besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen primair besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.
1.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1.
Met primair besluit 1 heeft het college de bijstand van eiseres herzien en teruggevorderd in verband met dagen die zij in de jaren 2017 tot en met 2022 te lang in het buitenland heeft verbleven en vanwege een contante geldstorting op 17 mei 2022, waardoor zij te veel bijstandsuitkering heeft ontvangen. Over de betreffende maanden wordt de bijstand daarom teruggevorderd tot een bedrag van € 3.991,22. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 1 niet-ontvankelijk is vanwege een niet verschoonbare termijnoverschrijding.
2.2.
Met primair besluit 2, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, is eiseres een boete van € 780,- opgelegd omdat zij ten aanzien van het verblijf in het buitenland en de contante geldstorting haar inlichtingenplicht heeft geschonden.
Het standpunt van eiseres
3.1.
Eiseres betoogt dat het bezwaar tegen primair besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de beperkte termijnoverschrijding verschoonbaar is. Eiseres lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis, een ernstige psychische aandoening die haar vermogen tot besluitvorming, initiatief en zelfregie aantast. Bij stressvolle of overweldigende situaties heeft eiseres de neiging haar hoofd in het zand te steken, wat direct verband houdt met haar aandoening. De medische belemmering in combinatie met de psychische nasleep van het feit dat zij gedupeerde is geweest van de toeslagenaffaire hebben ertoe geleid dat zij niet tijdig heeft kunnen handelen. Eiseres is ook moeder van twee kleine kinderen, waar zij voor moest zorgen tijdens de kerstvakantie. Eiseres was afhankelijk van derden, waardoor het proces vertraging heeft opgelopen.
3.2.
Eiseres betoogt voorts dat de boete ten onrechte is opgelegd, omdat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld. Eiseres heeft niet bewust of opzettelijk nagelaten haar verblijf in het buitenland te delen of de geldstorting te melden. Door haar psychische gesteldheid en de druk van haar voormalige partner verkeerde eiseres in een overmachtsituatie, waarin zij feitelijk niet in staat was zelfstandig en rationeel te handelen. Eiseres betoogt verder dat de opgelegde boete in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat eiseres over zeer beperkte financiële middelen beschikt en zich in een kwetsbare medische en sociale situatie bevindt. Een dergelijke sanctie leidt tot disproportionele gevolgen die niet in verhouding staan tot de ernst van het feit, aldus eiseres. Tot slot betoogt eiseres dat het besluit zonder een zorgvuldige afweging van haar persoonlijke omstandigheden is genomen en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom in dit geval niet tot matiging of zelf kwijtschelding van de boete is overgegaan.
Relevante wet- en regelgeving
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Verschoonbaarheid termijnoverschrijding in bezwaar
5.1.
De rechtbank overweegt wat betreft het niet tijdig maken van bezwaar tegen primair besluit 1 als volgt. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het vóór het einde van de termijn is ontvangen. Als een bezwaarschrift te laat wordt ingediend, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
5.2.
Primair besluit 1 is op 1 augustus 2024 aan eiseres bekend gemaakt. Dat betekent dat de termijn om bezwaar te maken is aangevangen op 2 augustus 2024 en is geëindigd op 12 september 2024. Het bezwaarschrift is op 10 januari 2025 door het college ontvangen en is dus niet kort na afloop van de bezwaartermijn ingediend, maar pas vier maanden daarna.
5.3.
Uit de omstandigheden dat eiseres lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en het druk heeft gehad met de kinderen tijdens de kerstvakantie, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres buiten staat was om tijdig bezwaar te maken tegen primair besluit 1, eventueel met hulp van derden. Het college heeft er voorts terecht op gewezen dat uit het gespreksverslag van de werkcoach van 26 november 2014 blijkt dat toen al bekend was dat bij eiseres een borderline persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld, maar dat zij niet in behandeling was. Uit het gesprek met de werkcoach van 24 augustus 2023 blijkt dat eiseres ongeveer negen jaar later (nog steeds) geen behandeling wenste. Dat is een keuze van eiseres die voor haar rekening moet komen, in aanmerking genomen dat eiseres niet met concrete medische informatie aannemelijk gemaakt dat haar stoornis haar heeft belemmerd om een behandeling te gaan volgen en om tijdig bezwaar te maken. Hier komt nog bij dat eiseres eerder met een besluit van 29 mei 2018 een boete opgelegd heeft gekregen wegens een te lang verblijf in het buitenland, waartegen eiseres zelf een bezwaarschrift heeft ingediend. Hieruit volgt zowel dat eiseres een gewaarschuwd mens was, als dat zij zelf, ondanks de genoemde stoornis, tijdig bezwaar kon maken.
5.4.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de termijnoverschrijding niet aan eiseres kan worden toegerekend en verschoonbaar is. Het college heeft het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 1 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Bestuurlijke boete
6.1.
Wat betreft de bestuurlijke boete, primair besluit 2, heeft het college de in dat geval geringe termijnoverschrijding bij het maken van bezwaar verschoonbaar geacht, hetgeen de rechtbank volgt. Inhoudelijk stelt de rechtbank bij de beoordeling van die boete voorop dat eiseres niet heeft betwist dat zij de verblijven in het buitenland en de contante geldstorting aan het college had moeten melden, maar dit heeft nagelaten. Eiseres had bovendien redelijkerwijze moeten begrijpen dat deze omstandigheden voor het college van belang waren om te weten. Hiermee staat vast dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden.
6.2.
De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres niet of slechts in verminderde mate kan worden verweten dat zij het verblijf in het buitenland en de contante storting niet bij het college heeft gemeld. Wat betreft de medische argumentatie van eiseres verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover onder 5.3 al is overwogen. Dat eiseres onder druk van haar voormalig partner in een dusdanige situatie verkeerde dat zij feitelijk niet in staat was zelfstandig en rationeel te handelen, heeft eiseres op geen enkele wijze onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Daarnaast is aan eiseres uitstel van betaling verleend, omdat zij zich heeft gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire.
6.3.
Ten aanzien van het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel stelt de rechtbank vast dat het college bij het vaststellen van de hoogte van de boete rekening heeft gehouden met de aard en de ernst van de overtreding (het benadelingsbedrag van € 3.991,22), de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden en de mate van verwijtbaarheid (normale verwijtbaarheid en daarmee een boetepercentage van 50% van het benadelingsbedrag), de omstandigheid dat de boete niet binnen dertien weken na het boetevoornemen is opgelegd (reden waarom het boetepercentage is verlaagd naar 45%), de financiële draagkracht van eiseres inclusief haar vermogen, en de omstandigheid dat de boete op grond van de toepasselijke beleidsregels binnen twaalf maanden uit de beslagvrije ruimte van de toepasselijke bijstandsnorm moet kunnen worden voldaan. Dit alles leidt tot een boete van € 790,-. Eiseres heeft niet concreet toegelicht waarom de boete, ondanks de aanzienlijke matiging, disproportionele gevolgen heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is het evenredigheidsbeginsel dan ook niet geschonden. Tevens heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat er geen dringende redenen zijn gebleken om af te zien van de boete.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Op grond van het tweede lid wordt in dit artikel onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.
Op grond van het zevende lid van dit artikel kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Het tiende lid van dit artikel bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. Dit is het Boetebesluit Socialezekerheidswetten (het Boetebesluit).
Artikel 31, eerste lid, van de Pw bepaalt dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
In artikel 32 van Pro de Pw is opgenomen wat onder inkomen wordt verstaan.
Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
In artikel 58, eerste lid, van de Pw is bepaald - voor zover van belang - dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Op grond van het achtste lid van dit artikel kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Op grond van artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag indien er geen sprake is van opzet of grove schuld.
Op grond van artikel 2aa, eerste lid, van het Boetebesluit kan het bestuursorgaan afzien van een bestuurlijk boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien:
a. de overtreding van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag of het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,-, of
b. de betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.
Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAWE, IOAZ Rotterdam 2017
Op grond van artikel 5, aanhef en onder c, wordt, indien belanghebbende de boete wegens financiële omstandigheden niet in één keer kan betalen, de maximale hoogte van de op te leggen boete als volgt bepaald: bij normale verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 12 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10,-.
Op grond van artikel 7, eerste lid, wordt het besluit tot het opleggen van de boete genomen binnen een termijn van 13 weken na de verzenddatum van het boetevoornemen.
Op grond van artikel 7, tweede lid, wordt indien het besluit tot het opleggen van de boete wordt genomen op een moment dat gelegen is tussen 13 weken en 26 weken na de verzenddatum van het boetevoornemen, het boetepercentage dat op grond van de artikelen 2 en 3 wordt opgelegd, verlaagd met 5%.