ECLI:NL:RBROT:2026:8433

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
12019075 CV EXPL 25-27052
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 BWArt. 237 RvArt. 242 RvArt. 233 RvArtikel 5.1 onder a van de algemene voorwaarden
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke veroordeling tot betaling openstaande leasetermijnen na ontbinding leaseovereenkomst

Volkswagen Pon Financial Services B.V. heeft een leaseovereenkomst gesloten met een vennootschap onder firma voor een brommobiel. De vennootschap en haar vennoten betaalden meerdere leasetermijnen niet, waarna Volkswagen de overeenkomst ontbond en betaling van de openstaande en resterende termijnen vorderde.

De gedaagden stelden dat zij de brommobiel nooit hebben opgehaald vanwege het faillissement van de fabrikant en wilden de overeenkomst niet nakomen. De kantonrechter oordeelde dat het faillissement van de fabrikant geen tekortkoming van Volkswagen vormt en geen reden is om de overeenkomst te ontbinden.

De kantonrechter veroordeelde de vennootschap en haar vennoten hoofdelijk tot betaling van €7.866,06 aan hoofdsom, €926,13 aan buitengerechtelijke incassokosten, en contractuele rente van 11,561% per jaar. De vordering tot verwijdering van de BKR-registratie werd afgewezen. Tevens werden de proceskosten van €1.718,86 aan Volkswagen toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vennootschap en haar vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van openstaande leasetermijnen, incassokosten, rente en proceskosten; de vordering tot verwijdering BKR-registratie wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12019075 CV EXPL 25-27052
datum uitspraak: 19 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Volkswagen Pon Financial Services B.V.,die handelt onder de naam DutchFinance,
vestigingsplaats: Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders,
tegen

1..De vennootschap onder firma [gedaagde 1] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
en haar vennoten:

2..[gedaagde 2] ,

3. [gedaagde 3],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
die zelf procederen.
De partijen worden hierna ‘Volkswagen’, ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’, en ‘ [gedaagde 3] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 21 november 2025, met bijlagen;
  • het verslag van de mondelinge reactie;
  • de toelichting van Volkswagen, met bijlagen.
1.2.
Op 20 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was mr. H.J.M. Hofman namens de gemachtigde van Volkswagen aanwezig. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] waren ook aanwezig.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben op naam van hun bedrijf [gedaagde 1] een brommobiel (Carver Cargo) geleased van Volkswagen. [gedaagde 1] moest elke maand een leasebedrag aan Volkswagen betalen. Zij hebben dit enkele maanden niet gedaan. Volkswagen heeft daarom de overeenkomst ontbonden. Zij eist in deze procedure dat de kantonrechter [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt om de openstaande en resterende leasetermijnen aan Volkswagen te betalen, met rente en kosten.
2.2.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn het niet eens met de eis van Volkswagen. Zij zeggen de brommobiel nooit te hebben opgehaald, omdat deze eerst niet klaarstond en vervolgens de fabrikant van de brommobiel failliet is gegaan. Toen wilden zij de brommobiel niet meer. Verder geven [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan dat zij willen dat Volkswagen de BKR-registratie verwijdert.
2.3.
De kantonrechter wijst de vorderingen van Volkswagen toe. Hieronder wordt dit uitgelegd.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] moeten € 7.866,06 aan hoofdsom betalen
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk worden veroordeeld om € 7.866,06 aan Volkswagen te betalen. Volkswagen heeft namelijk voldoende onderbouwd dat [gedaagde 1] verschillende leasetermijnen, ook na het versturen van betalingsherinneringen, niet heeft betaald. Daarom mocht zij de overeenkomst ontbinden en de leasetermijnen in één keer opeisen. [1] De hoogte van de vergoeding en het feit dat de overeenkomst door Volkswagen terecht is ontbonden, worden niet betwist door [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn voor de hoofdsom hoofdelijk aansprakelijk. [2]
2.5.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] geven aan dat zij niet gehouden kunnen worden om de termijnen te betalen, omdat de fabrikant van de Carver Cargo failliet is gegaan. Dit levert volgens [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] problemen op als de brommobiel onderhouden moet worden. Daarom wilden zij de brommobiel niet meer en hebben hem ook niet opgehaald. Maar dat de fabrikant van de brommobiel failliet is gegaan nadat de overeenkomst is gesloten, is geen tekortkoming van Volkswagen in de nakoming van de leaseovereenkomst (de brommobiel kon namelijk gewoon worden gebruikt), zodat dit dus geen geldige reden is om de overeenkomst te ontbinden.
2.6.
De kantonrechter geeft [gedaagde 2] en [gedaagde 3] nog wel mee dat zij met hulp van Geldplein, waar zij nu al contact mee hebben, na het wijzen van het vonnis alsnog een betalingsregeling kunnen voorstellen aan Volkswagen.
De incassokosten worden toegewezen
2.7.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 926,13 toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de afgesproken vergoeding te matigen tot het bedrag waarop Volkswagen recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv Pro), inclusief btw. De buitengerechtelijke incassokosten zijn berekend op basis van het totale bedrag aan openstaande leasetermijnen verminderd met de verkoopopbrengst van de auto (€ 7.808,03). Volkswagen heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze kosten te maken.
De contractuele rente wordt toegewezen
2.8.
De contractuele rente van 11,561% per jaar wordt toegewezen, omdat Volkswagen genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dat niet hebben betwist. Van 9 oktober 2025 tot en met 18 november 2025 is de rente € 99,66.
Volkswagen hoeft de BKR-registratie niet verwijderen
2.9.
De kantonrechter oordeelt verder dat van Volkswagen niet kan worden gevraagd de BKR-registratie van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op dit moment al te verwijderen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hadden dat gevraagd zodat zij dan elders een krediet kunnen afsluiten om daarmee Volkswagen te kunnen betalen. Tijdens de zitting heeft Volkswagen voldoende uitgelegd dat zij gebonden is aan de verplichting om de schuld van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te registreren in de BKR en dat er regels verbonden zijn aan het weer (mogen) verwijderen van die registratie. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben daartegenover onvoldoende gesteld dat het in hun geval onredelijk is om de BKR-registratie te handhaven totdat de schuld volledig is betaald.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] moet de proceskosten betalen
2.10.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] krijgen ongelijk en moeten daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). Zij zijn hiervoor hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Volkswagen op € 295,86 aan dagvaardingskosten, € 559,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.718,86. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Volkswagen dat eist en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan Volkswagen te betalen € 8.891,85 met de contractuele rente van 11,561% per jaar over € 7.808,03 vanaf 19 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Volkswagen tot vandaag worden vastgesteld op € 1.718,86;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
64363

Voetnoten

1.Artikel 5.1 onder a van de algemene voorwaarden.
2.Artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel.