ECLI:NL:RBROT:2026:8451

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
83-171236-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WmgArt. 19 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak valsheid in geschrift en witwassen, bewezen gewoonte niet juiste administratie in zorgsector

De rechtbank Rotterdam heeft op 13 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd verdacht van meerdere feiten, waaronder valsheid in geschrift, gebruik van valse geschriften, het niet voldoen aan een vordering krachtens artikel 19 WED Pro, het maken van een gewoonte van het niet voeren van een juiste administratie volgens artikel 36 Wmg Pro en gewoontewitwassen.

Uit het onderzoek bleek dat de verdachte zorg verleende aan een cliënt via een zorgonderneming die zorggelden factureerde. De verdachte voerde urenoverzichten en rapportages, maar de administratie vertoonde onregelmatigheden zoals ontbrekende dagrapportages en inconsistenties in uren en facturen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een gewoonte had gemaakt van het niet voeren van een juiste administratie, wat een overtreding van artikel 36 Wmg Pro oplevert.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van valsheid in geschrift en gebruik van valse geschriften, omdat niet kon worden vastgesteld dat de facturen vals waren. Ook werd vrijspraak gegeven voor het niet voldoen aan een vordering en gewoontewitwassen, omdat niet kon worden vastgesteld dat de gelden een criminele herkomst hadden.

Hoewel de officier van justitie een taakstraf van 100 uur eiste, legde de rechtbank geen straf of maatregel op vanwege de fors overschreden redelijke termijn en de impact van de langdurige procedure op de verdachte.

De rechtbank concludeerde dat de verdachte strafbaar is voor het niet voeren van een juiste administratie, maar dat geen straf wordt opgelegd.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van valsheid in geschrift en witwassen, maar schuldig aan gewoonte niet voeren juiste administratie; geen straf opgelegd wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 83-171236-21
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Datum zitting: 9, 10, 11, 12 en 15 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaten van de verdachte: mr. A. Boumanjal en mr. F.M.R. Ilahibaks
Officieren van justitie: mr. M.L.M. Kuiper en mr. R.J.W. Kerckhoffs
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het maken van een gewoonte van het niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 van Pro de Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg). Niet bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift, het gebruik maken van valse geschriften, het niet voldoen aan een vordering gedaan krachtens artikel 19 van Pro de Wet op de economische delicten (hierna: WED) en gewoontewitwassen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Aan de verdachte wordt geen straf of maatregel opgelegd. Dat heeft er onder meer mee te maken dat de redelijke termijn fors is overschreden.

1.Tenlastelegging

De officieren van justitie (hierna: de officier van justitie) beschuldigt de verdachte er - samengevat – van dat zij zich, al dan niet samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift (feit 1), het gebruik maken van valse geschriften (feit 2), het niet voldoen aan een vordering gedaan krachtens artikel 19 van Pro de WED (feit 3), het maken van een gewoonte van het niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 Wmg Pro (feit 4) en gewoontewitwassen (feit 5). De volledige tenlastelegging staat in bijlage 1.

2.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feit 4 betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verantwoordelijkheid voor de naleving van artikel 36 Wmg Pro bij de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa) ligt. Uit de Beleidsregel Handhaving volgt dat er door de NZa in beginsel bestuursrechtelijk wordt gehandhaafd. Ook uit de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude volgt dat bij een bruto benadelingsbedrag van onder de € 50.000 in beginsel bestuursrechtelijk wordt opgetreden. Het was opportuun geweest als dit in deze zaak ook was gebeurd, te meer omdat andere onderaannemers die in het onderzoek naar voren zijn gekomen niet zijn vervolgd of aan hen slechts een strafbeschikking is opgelegd.
2.2.
Oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de verdediging gaat eraan voorbij dat het Openbaar Ministerie een eigen bevoegdheid heeft om bij een verdenking van strafbare feiten een strafrechtelijk onderzoek te starten. Ook uit de Beleidsregel Handhaving blijkt dat strafrechtelijke handhaving van artikel 36 Wmg Pro mogelijk is. De officier van justitie heeft verder toegelicht dat de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude ziet op zaken die door de toezichthouder worden aangemeld voor vervolging. In het onderhavige geval was daarvan geen sprake. Er was al een strafrechtelijk onderzoek gestart door de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA). Met betrekking tot de afdoening van zaken tegen andere onderaannemers overweegt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie vanuit het opportuniteitsbeginsel een ruime beoordelingsruimte heeft om al dan niet te vervolgen en om te kiezen voor dagvaarding of voor een andere afdoeningswijze. Een dergelijke beslissing kan slechts marginaal getoetst worden. De verschillen in afdoeningsmodaliteit zijn naar oordeel van de rechtbank zeker opmerkelijk, maar niet zodanig dat ze deze toets niet kunnen doorstaan. De conclusie is dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten en moet worden vrijgesproken van feit 3. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de bewijsoverwegingen worden besproken.
3.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder feiten 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de bewijsoverwegingen worden besproken.
3.3.
Bewijsoverwegingen
3.3.1.
Inleiding
Naar aanleiding van meerdere meldingen van zorgfraude is de NLA verschillende strafrechtelijke onderzoeken gestart, onder meer naar de [zorgonderneming]. Hieruit is de verdenking voortgekomen dat [zorgonderneming] zorg zou hebben gefactureerd die niet of niet geheel werd geleverd, waarbij gebruik zou zijn gemaakt van valse facturen en urenoverzichten. [zorgonderneming] zou weinig eigen personeel in dienst hebben en voornamelijk gebruik maken van onderaannemers, waardoor door zorgverzekeraars uitgekeerde zorggelden vrij snel door [zorgonderneming] werden uitbetaald aan de onderaannemers en er weinig zicht was op wat er daarna mee gebeurde. De ontvangen zorggelden zouden vervolgens door de onderaannemers contant zijn gemaakt en vermoedelijk zijn verdeeld tussen [zorgonderneming], de onderaannemers en de cliënten. De toenmalig partner van de verdachte, [medeverdachte], was aandeelhouder van [zorgonderneming] en volgens de NLA betrokken bij de fraudeconstructie. De verdachte fungeerde, handelend onder de naam [naam bedrijf], als één van de onderaannemers die door [zorgonderneming] werd ingehuurd. Zij zou zorg hebben verleend aan [naam 1], klant van [zorgonderneming], en in dat kader de ten laste gelegde feiten hebben gepleegd.
3.3.2.
Valsheden (feiten 1 en 2)
3.3.2.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de facturen van [naam bedrijf], genoemd in de tenlastelegging, vals zijn opgemaakt omdat op deze facturen staat dat er verpleging is geleverd, terwijl de verdachte daartoe niet bevoegd was. Zij beschikte niet over een BIG-registratie en heeft in haar verhoor verklaard dat zij slechts persoonlijke verzorging heeft geleverd. De verdachte heeft deze valse facturen ook daadwerkelijk gebruikt door ze in te dienen bij [zorgonderneming].
3.3.2.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de stukken in het dossier vast dat op de bedoelde facturen verpleging wordt gedeclareerd, terwijl de verdachte niet bevoegd was om verpleging te leveren. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de administratie deed voor [naam bedrijf] en dat hij de facturen opmaakte. Over de verpleging die op de facturen is vermeld, heeft hij op de terechtzitting verklaard dat het verrichten van verplegingshandelingen werd uitbesteed aan derden. Deze stelling wordt ondersteund door de verklaring van de client, [naam 1]. Hij verklaart dat de zorg werd geleverd door meerdere personen. Er kwam iemand voor de persoonlijke verzorging en iemand voor de medicijnen en insuline. De rechtbank kan, gelet op het voorgaande, niet uitsluiten dat de op de facturen vermelde verplegingszorg is geleverd. Daarom is niet komen vast te staan dat de facturen vals zijn en wordt de verdachte van zowel feit 1 als feit 2 vrijgesproken.
3.3.3.
Niet voldoen vordering WED (feit 3)
Niet bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het niet voldoen aan een vordering gedaan krachtens artikel 19 WED Pro. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
3.3.4.
Overtreding artikel 36 Wmg Pro (feit 4)
3.3.4.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hierbij is wel de vraag op geworpen hoe ver de verantwoordelijkheid van een zorgondernemer strekt, nu de verdachte in vertrouwen de administratie aan haar man heeft overgelaten.
3.3.4.2.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van het eerste lid van artikel 36 Wmg Pro moeten zorgaanbieders een administratie voeren waaruit blijkt welke prestaties zijn overeengekomen en geleverd, wanneer en aan wie, welke tarieven daarvoor in rekening zijn gebracht en welke betalingen of vergoedingen in verband daarmee zijn ontvangen of verricht. Dit komt er in de kern op neer dat op grond van de administratie nagegaan moet kunnen worden of en in hoeverre zorg terecht wordt gedeclareerd. De Regeling verpleging en verzorging NR/REG-1914 en de Regeling verpleging en verzorging NR/REG-2002 bevatten een nadere concretisering hiervan. Daarin staat onder meer opgenomen dat de administratie zo ingericht moet zijn dat een audit-trail mogelijk is en dat de NZa en de zorgverzekeraar te allen tijde de mogelijkheid moeten hebben om de vastlegging van de uitgevoerde zorg op juistheid te controleren (respectievelijk artikel 4.2 en artikel 4 lid Pro 2).
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de verleende zorg ten aanzien van haar cliënt [naam 1] bijhield in urenoverzichten en dat zij daarvan rapportages maakte in het administratiesysteem Cliendo. [medeverdachte], maakte voor haar de facturen op. Uit de bevindingen van de NLA blijkt dat het totaal aantal uren op de facturen, urenoverzichten en rapportages niet met elkaar overeenkomen. Daarnaast ontbreken er dagrapportages van verschillende dagen waarop zorg geleverd zou zijn, zijn de dagrapportages ver na veronderstelde zorgmomenten opgemaakt en lijkt er sprake van knip- en plakwerk. Hierdoor kan niet gecontroleerd worden welke zorg feitelijk is geleverd voor de gedeclareerde gelden, hetgeen een overtreding van artikel 36 Wmg Pro oplevert. De rechtbank is van oordeel dat deze overtreding ook aan de verdachte kan worden toegerekend. Zij was als ondernemer verantwoordelijk voor het voeren van een goede administratie en had moeten controleren of de administratie overeenkwam met de door haar partner opgestelde facturen. Het niet voeren van een juiste administratie heeft over een langere periode plaatsgevonden. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank acht eveneens bewezen dat zij dit samen met Duran heeft gedaan, nu hij haar met de administratie en het opmaken van facturen hielp.
3.3.5.
Witwassen (feit 6)
3.3.5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam bedrijf] in feite werd gebruikt om een ‘legale’ herkomst te creëren voor een geldstroom van [zorgonderneming] naar de [medeverdachte]. Hierdoor heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen.
3.3.5.2.
Oordeel van de rechtbank
Vooropgesteld wordt dat voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat vast komt te staan dat sprake is van een voorwerp met een criminele herkomst. Daarnaast moet de verdachte wetenschap hebben gehad van deze criminele herkomst.
De verdachte heeft verklaard dat zij van [zorgonderneming] gelden ontving voor de zorg die zij aan haar cliënt [naam 1] heeft geleverd. De rechtbank kan op grond van het dossier, mede in het licht van wat ten aanzien van de feiten 1 en 2 is overwogen, niet vaststellen dat de verdachte geen zorg heeft geleverd en dat de gelden dus afkomstig waren uit fraude. Omdat niet vastgesteld kan worden dat sprake is van een criminele herkomst van de gelden, wordt de verdachte vrijgesproken van het onder 6 ten laste gelegde.
3.3.6.
Conclusie
Niet bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift, het gebruik maken van valse geschriften, het niet voldoen aan een vordering gedaan krachtens artikel 19 van Pro de WED en gewoontewitwassen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Wel bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het maken van een gewoonte van het niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 Wmg Pro. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.4.
3.4.
Bewezenverklaring
De bewezenverklaring is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de bovenstaande bewijsmotivering.
Bewezen is dat:
Feit 4
zij (handelend onder de naam [naam bedrijf]) in de periode van 27 augustus 2019 tot en met 22 juni 2021 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk geen administratie heeft gevoerd waaruit in ieder geval blijkt wanneer en/of welke prestaties zouden zijn geleverd en/of welke tarieven voor die prestaties in rekening zijn gebracht, en/of de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden, met betrekking tot de volgende persoon:
- [naam 1]
terwijl zij, verdachte, en haar mededader van het plegen van dat feit een gewoonte hebben gemaakt;

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 36 van Pro de Wet marktordening gezondheidszorg, opzettelijk begaan, een gewoonte maken, in vereniging gepleegd
4.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2, 4 en 5 worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen straf of maatregel op te leggen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft als zorgverlener langdurig geen juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 Wmg Pro gevoerd. In de administratie is niet op de juiste manier bijgehouden wanneer en/of welke zorg is geleverd. Dat is kwalijk, want juist in de zorgsector wordt regelmatig gefraudeerd. Dit heeft veel schade tot gevolg voor zorgverzekeraars en uiteindelijk voor alle verzekerden die daardoor hogere premies moeten betalen. Om fraude tegen te gaan is het noodzakelijk dat zorgaanbieders op de juiste wijze bijhouden welke zorg zij verlenen. De zorggelden worden door zorgverzekeraars uitgekeerd met het vertrouwen dat daarvoor zorg is geleverd en dat daaraan een goede administratie ten grondslag ligt. Met haar handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op dit systeem van vertrouwen.
5.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 september 2024 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
5.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 juni 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van vijf jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn fors is geschonden. Dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf.
5.3.4.
Geen straf en maatregel
De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat aan de verdachte geen straf of maatregel meer moet worden opgelegd. De verdachte is onderdeel geweest van een groot strafrechtelijk onderzoek. Ondanks het gegeven dat zij een beperkte rol in het geheel heeft gehad heeft zij, net als de medeverdachten, lang op de afdoening van haar strafzaak moeten wachten. De strafzaak, de inverzekeringstelling en de langdurige onzekerheid over de uitkomst van deze zaak hebben een grote impact op haar gehad. De rechtbank zal daarom geen straf of maatregel meer opleggen.

6.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 5 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte feit 4, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
bepaalt dat voor feit 3 geen straf of maatregel wordt opgelegd.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. J.C. Tijink en D.M. Douwes, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 juli 2026.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
Feit 1
zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 februari 2019 tot en met 12 maart 2021 te Utrecht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,
te weten: een of meer facturen,
- Mei 2020 (DOC-018-16), en/of
- Oktober 2020 (DOC-018-23)
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of heeft/hebben vervalst en/of doen vervalsen,
bestaande die valsheid telkens hierin dat verdachte de op die geschriften vermelde zorg weergegeven in uren en tevens in bedragen die moeten worden voldaan, in werkelijkheid niet of slechts deels heeft geleverd en/of heeft doen leveren en/of de zorg niet heeft geleverd en/of heeft (doen) leveren,
zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
Feit 2
zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 februari 2019 tot en met 22 juni 2021 te Utrecht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
voorhanden heeft gehad en/of gebruik heeft gemaakt en/of heeft (doen) maken van valse en/of vervalste geschriften, die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
te weten een of meer facturen,
- Mei 2020 (DOC-018-16), en/of
- Oktober 2020 (DOC-018-23)
als ware deze echt en onvervalst,
bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte voornoemde facturen, althans geschriften, heeft (doen) verzenden/verzonden naar [zorgonderneming];
Feit 3
zij in of omstreeks de periode van 22 juni 2021 tot en met 29 juni 2021, in Utrecht, althans in Nederland,
opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 19 van Pro de Wet op de economische delicten, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan door [naam 2] (officier van justitie), zijnde een opsporingsambtenaar,
immers heeft verdachte opzettelijk, nadat deze opsporingsambtenaar van haar had gevorderd de uitlevering van gegevens en bescheiden van [naam bedrijf], geen gevolg gegeven aan die vordering;
Feit 4
zij (handelend onder de naam [naam bedrijf]) op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 februari 2019 tot en met 22 juni 2021 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk geen administratie heeft/hebben gevoerd waaruit in ieder geval blijkt wanneer en/of welke prestaties zouden zijn geleverd en/of welke tarieven voor die prestaties in rekening zijn gebracht, en/of de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden, met betrekking tot de volgende persoon:
- [naam 1]
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt;
Feit 5
zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 februari 2019 tot en met 12 maart 2021 te Utrecht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
(telkens) (van) één of meerdere voorwerpen, te weten:
- Een (totaal)bedrag van 29.775 EUR (te relateren aan [naam bedrijf])
a. a) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad, en/of
b) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt, en/of
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) dat feit heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van haar/hun beroep en/of bedrijf;