ECLI:NL:RBROT:2026:8470

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
C/10/703032 / FA RK 25-5268
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wijziging hoofdverblijfplaats minderjarige en vaststelling zorgregeling

De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van hun minderjarige kind na ontbinding van hun geregistreerd partnerschap.

De moeder verzocht om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen in verband met haar verhuizing naar een andere woonplaats en de naderende schoolgang van het kind. De vader voerde gemotiveerd verweer. De rechtbank oordeelde dat de verhuizing geen objectieve noodzaak had en dat het belang van het kind bij continuïteit en contact met beide ouders zwaarder woog. Daarom werd het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats afgewezen.

De vader kreeg vervangende toestemming om het kind in te schrijven op een basisschool in zijn woonplaats. De zorgregeling werd aangepast zodat het kind wekelijks meerdere dagen bij de moeder verblijft, met duidelijke afspraken over halen en brengen. De kinderrekening uit het ouderschapsplan werd opgeheven. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats afgewezen en zorgregeling aangepast met vervangende toestemming voor schoolinschrijving door vader.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/703032 / FA RK 25-5268
Beschikking van 25 juni 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a BW, de regeling van de uitoefening van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderbijdrage
in de zaak van:
[naam 1], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. C.A.E.C.J.M. Hooft te Gilze,
t e g e n
[naam 2], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. C.E. van der Starre te Oostvoorne.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 10 juli 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 9 februari 2026;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 18 maart 2026;
  • de berichten met bijlagen van de vrouw en de man van 18 mei 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 20 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. E.C.A.E. Verschuren namens haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Het geregistreerd partnerschap van partijen is op 28 juni 2024 ontbonden door inschrijving van de beschikking van 4 juni 2024 van deze rechtbank in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[naam 4] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
Partijen hebben op 25 april 2024 een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend. Het ouderschapsplan is gehecht aan en maakt deel uit van voornoemde beschikking van 4 juni 2024. In het ouderschapsplan is onder andere opgenomen dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft en dat, bij een voorgenomen verhuizing, ouders vooraf met elkaar in overleg zullen treden. Ten aanzien van de zorgregeling is het volgende opgenomen:

Artikel 3 Verzorging Pro en opvoeding
3.1
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De ouders zijn de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen:
Tabel opvoeding Rooster
Begin januari van elk jaar zullen de ouders de vakanties bij helfte verdelen. De feestdagen kunnen twee maanden van te voren worden verdeeld. Vaderdag en Moederdag zal [naam 4] bij vader, respectievelijk moeder spenderen.
Indien specifieke, zwaarwegende omstandigheden dit vragen, kan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de toekomst aangepast worden.”

3.De beoordeling

3.1.
Hoofdverblijfplaats en vervangende toestemming verhuizing
3.1.1.
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar in [locatie 1] te bepalen.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
De rechtbank constateert allereerst dat wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige zou betekenen dat zij met de vrouw naar [locatie 1] zou verhuizen. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is sinds het uiteengaan van partijen bij de man in [locatie 2] geweest en partijen voeren sindsdien een co-ouderschap uit. De vrouw woont al sinds eind 2023 bij haar nieuwe partner in [locatie 1] . Sinds enkele maanden daarna verblijft ook de minderjarige geregeld in [locatie 1] , op de dagen dat zij conform de regeling van partijen bij de vrouw is.
Aanleiding voor deze procedure is dat de minderjarige in september naar de basisschool gaat en het co-ouderschap vanaf dat moment niet meer uitvoerbaar is door de afstand tussen de verschillende woonplaatsen van partijen. Gelet op het feit dat bij toewijzing van het verzoek van de vrouw, de minderjarige ruim 70 kilometer zou verhuizen, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw, als een gezagsgeschil zoals bedoeld in artikel 1:253a BW, behandelen aan de hand van de nagenoemde criteria van de Hoge Raad voor vervangende toestemming voor een verhuizing.
3.1.4.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
3.1.5.
Tegenover het belang van de ene ouder om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:
  • de noodzaak om te verhuizen;
  • het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;
  • de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
  • de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
  • de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
  • de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.
3.1.6.
Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige hoofdverblijfplaats heeft (of in het geval van de vrouw de helft van de tijd verblijft) in beginsel de gelegenheid moet krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen als de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.
3.1.7.
De vrouw heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij wil dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats in [locatie 1] krijgt, omdat de vrouw daar met haar nieuwe partner en zijn dochter woont. De minderjarige zal in september naar de basisschool gaan en de huidige co-ouderschapsregeling is vanaf dat moment niet meer uitvoerbaar. De vrouw stelt bovendien dat de man vanwege zijn drukke werkzaamheden niet in staat is om de zorg voor de minderjarige (doordeweeks) te dragen. Voor een groot deel valt hij terug op zijn ouders of de kinderopvang. De vrouw stelt zelf wel in staat te zijn om de minderjarige op structurele basis te verzorgen en geeft aan dat zij in [locatie 1] een stabiele thuissituatie heeft gecreëerd met haar nieuwe partner en zijn dochter.
3.1.8.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige af. Weliswaar acht de rechtbank de wens van de vrouw om met de minderjarige in [locatie 1] te wonen invoelbaar, maar de rechtbank is van oordeel dat de uitkomst van een afweging van de wederzijdse belangen geen verhuizing van de minderjarige naar [locatie 1] rechtvaardigt. De rechtbank komt tot die conclusie op basis van de volgende overwegingen.
3.1.9.
Van een objectieve noodzaak voor de vrouw om naar [locatie 1] te verhuizen is niet gebleken. De vrouw stelt dat zij na het uiteengaan van partijen tijdelijk bij haar vader in [locatie 2] heeft verbleven, maar dat zij hier vanwege de gezondheid van haar vader niet kon blijven wonen. Desgevraagd vertelt de vrouw dat zij naar woningen in [locatie 2] en omgeving heeft gezocht, maar ook is duidelijk geworden dat de vrouw al enkele maanden na het uiteengaan van partijen bij haar nieuwe partner in [locatie 1] is ingetrokken. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom het voor haar niet mogelijk was of is om dichter in de omgeving van [locatie 2] te wonen. De reden voor de vrouw lijkt er vooral in gelegen dat zij in [locatie 1] wil (blijven) samenwonen met haar nieuwe partner en zijn dochter en daar haar gezinsleven verder wil vormgeven. De vrouw mag dergelijke keuzes maken en zij heeft dan ook een gerechtvaardigd belang om dat te doen, maar dat maakt niet dat er daarom een noodzaak bestond om te verhuizen.
3.1.10.
De rechtbank acht het daarnaast vooral niet in het belang van de minderjarige om haar hoofdverblijfplaats te wijzigen, omdat die verhuizing een te grote impact zal hebben op de betrokkenheid van de man in het leven van de minderjarige en het contact tussen hen. Partijen voeren op dit moment een co-ouderschapsregeling uit en de man wil deze regeling het liefst in stand houden. Dit acht de rechtbank ook het meest in het belang van de minderjarige. Partijen hebben in het verleden laten zien dat zij hiertoe in staat zijn en dat zij, ondanks enkele strubbelingen, op constructieve wijze met elkaar kunnen communiceren. Doordat de vrouw in [locatie 1] is gaan wonen, is dit echter niet meer haalbaar. Door de vrouw zijn daarbij geen alternatieven aangeboden om de vermindering in het contact tussen de man en de minderjarige te compenseren. De frequentie van het contact tussen de man en de minderjarige zou – in het geval het verzoek van de vrouw zou worden gevolgd – zelfs een forse vermindering van het contact betekenen. De vrouw verzoekt immers om in dat geval een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarige nog maar eens per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man verblijft.
Het is de keuze van de vrouw geweest om naar [locatie 1] te verhuizen en haar leven daar verder voort te zetten. Dat het feit dat de minderjarige in september naar de basisschool zal gaan ervoor zorgt dat er geen gelijkwaardige verdeling van de zorg meer kan zijn, hoort naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voor rekening van de man te komen. De man heeft bovendien gemotiveerd betwist dat hij onvoldoende in staat is zorg te dragen voor de minderjarige. Hij heeft met zijn werkgever afspraken kunnen maken over flexibele uren en thuiswerken, indien de zorg voor de minderjarige op doordeweekse dagen volledig bij de man komt te liggen. De man is op maandag vrij en heeft ook op woensdag en vrijdag de mogelijkheid om de minderjarige zelf uit school te halen. Op dinsdag en donderdag kan de vader van de man dit voor zijn rekening nemen. De vader van de man is ook al geruime tijd betrokken in het leven van de minderjarige; in de door partijen overeengekomen zorgregeling in het ouderschapsplan was ook al een rol voor de vader van de man weggelegd. Van een situatie waarin de man de zorg doordeweeks niet kan dragen, is dus geen sprake. De rechtbank acht het dan ook het meest in het belang van de minderjarige om in haar vertrouwde omgeving te blijven wonen.
3.1.11.
Alle belangen tegen elkaar afwegend, wordt het verzoek van de vrouw tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige afgewezen.
3.2.
Vervangende toestemming basisschool
3.2.1.
De man verzoekt aan hem vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op basisschool [school] te [locatie 2] .
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt om aan haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op een basisschool in [locatie 1] .
3.2.3.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
3.2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over de voorliggende verzoeken. De vrouw heeft aangegeven dat zij, indien haar verzoek tot het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige zou worden afgewezen, kan instemmen met het verzoek van de man om de minderjarige in te schrijven op basisschool [school] te [locatie 2] . De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De vrouw verzoekt de in het ouderschapsplan van 25 april 2024 overeengekomen zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de minderjarige eens per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man verblijft, alsmede tijdens de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg tussen de ouders te verdelen.
3.3.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de in het ouderschapsplan van 25 april 2024 overeengekomen zorgregeling te wijzigen, in die zin dat:
  • primair de minderjarige gedurende een weekend per veertien dagen bij de vrouw zal verblijven van vrijdag 14:00 tot zondag 17:00 uur, alsmede tijdens de helft van de vakanties en feestdagen (in onderling overleg tussen ouders te verdelen), waarbij de vrouw zorgt draagt voor het halen en brengen van de minderjarige;
  • of subsidiair, voor het geval de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw wordt bepaald, dat de minderjarige eens per twee weken een weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man zal verblijven en in de tussenliggende weekenden van zaterdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur, alsmede gedurende de hele voorjaars- en herfstvakantie, de helft van de mei-, zomer- en kerstvakantie, alsmede op alle feestdagen behoudens kerst en oud en nieuw (die wel bij helfte zullen worden verdeeld), waarbij de vrouw zorgt draagt voor het halen en brengen van de minderjarige.
3.3.3.
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw overweegt de rechtbank dat dit zal worden afgewezen, omdat dit verzoek ziet op de situatie dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zou hebben. Ook aan het subsidiaire verzoek van de man komt de rechtbank om dezelfde reden niet toe. Dit verzoek zal eveneens worden afgewezen. Nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man blijft, zal de rechtbank hieronder het primaire verzoek van de man beoordelen.
3.3.4.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.3.5.
Omdat partijen op dit moment een co-ouderschapsregeling uitvoeren en dit niet meer haalbaar is zodra de minderjarige naar school gaat, is tussen partijen niet in geschil dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat de wijziging van de zorgregeling per 14 augustus 2026 in zal gaan, zodat de minderjarige alvast kan wennen aan de gewijzigde zorgregeling voordat zij begint op de basisschool. De rechtbank zal dat dan ook zo beslissen.
3.3.6.
De rechtbank overweegt allereerst dat het verdrietig is dat de minderjarige in een situatie is beland waarbij zij één van haar primaire opvoeders veel minder zal gaan zien. De minderjarige is gewend aan het co-ouderschap en zal door de verhuizing van de vrouw en haar naderende schoolgang minder contact hebben met haar moeder. Beide ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij een weekendregeling (om de week) voor ogen hebben, met eventuele uitbreiding in onderling overleg. De rechtbank acht een dergelijke regeling, net als de raad, te minimaal. Gelet op de jonge leeftijd van de minderjarige is het belangrijk dat er regelmatig contact is tussen de vrouw en de minderjarige. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de minderjarige iedere week bij de vrouw verblijft, met dien verstande dat dit de ene week van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur zal zijn en de andere week van vrijdag uit school tot zaterdag 17:00 uur. Deze regeling zal het contact met de man daarnaast weinig inperken, omdat de man op zaterdag werkt. Daarnaast acht de rechtbank het, net als de raad, in het belang van de minderjarige dat de vrouw ook doordeweeks betrokken blijft in het leven van de minderjarige. Daarom zal de rechtbank ook bepalen dat de minderjarige één doordeweekse middag met de vrouw zal doorbrengen (vanuit school tot 18:00 uur). De rechtbank gaat ervan uit dat het partijen lukt om in onderling overleg een middag hiervoor af te spreken. Daarbij staat het hen ook vrij om de tijden van de middag anders te bepalen. De vakanties en feestdagen zullen daarnaast bij helfte worden verdeeld, door partijen in onderling overleg te bepalen.
3.3.7.
Ten aanzien van het halen en brengen van de minderjarige overweegt de rechtbank dat het voor de minderjarige van belang is dat haar beide ouders bij school betrokken zijn. De rechtbank neemt bovendien in de beoordeling mee dat het een bewuste keuze is geweest van de vrouw om zo ver weg te gaan wonen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de vrouw de minderjarige iedere vrijdag uit school zal halen, alsmede op de doordeweekse middag. Omdat de man op zaterdag werkt, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw in het korte weekend de minderjarige op zaterdag ook weer terugbrengt bij de man. Ervan uitgaande dat de vrouw op de doordeweekse middag in de omgeving van [locatie 2] blijft, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw ook dan zorgdraagt voor het terugbrengen van de minderjarige. Om te zorgen dat de man ook een beeld heeft bij het leven van de minderjarige bij de vrouw in [locatie 1] en zodat bij de minderjarige ook het gevoel ontstaat dat haar ouders elkaar vertrouwen en haar emotionele toestemming geven om bij de andere ouder te zijn, zal de rechtbank bepalen dat de man de minderjarige na afloop van het lange weekend op zondag om 17:00 uur ophaalt bij de vrouw.
3.4.
Kinderbijdrage
3.4.1.
De vrouw verzoekt (voorwaardelijk) te bepalen dat de in het ouderschapsplan van 25 april 2024 overeengekomen afspraak over de kinderalimentatie wordt gewijzigd, in die zin dat de man, met ingang van een door de rechtbank te betalen datum, zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:
  • indien de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal worden bepaald met een bedrag van
  • indien de hoofdverblijfplaats bij de man zal blijven met een bedrag van € 91,- per maand.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt te bepalen dat art. 7.3 uit het ouderschapsplan (de kinderrekening) met ingang van de datum van de wijziging van de zorgregeling komt te vervallen. De vrouw stemt in met dit verzoek. De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen.
3.4.3.
Met betrekking tot het verzoek van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt. Uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken is de rechtbank gebleken dat de vrouw enkel heeft bedoeld een verzoek tot het vaststellen van een kinderbijdrage in te dienen, voor het geval de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zou worden bepaald. Aangezien het verzoek van de vrouw tot het wijzigen van de hoofdverblijfplaats wordt afgewezen, zal haar verzoek tot het vaststellen van een kinderbijdrage dan ook worden afgewezen.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent aan de man vervangende toestemming tot inschrijving van de minderjarige op basisschool [school] te [locatie 2] ;
4.2.
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;
4.3.
wijzigt het ouderschapsplan van 25 april 2024, in die zin dat de tussen partijen overeengekomen regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vanaf 14 augustus 2026 wordt vastgesteld als volgt:
  • de minderjarige verblijft in de ene week van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur bij de vrouw, waarbij de vrouw de minderjarige ophaalt uit school en de man de minderjarige ophaalt bij de vrouw;
  • de minderjarige verblijft in de andere week van vrijdag uit school tot zaterdag 17:00 uur bij de vrouw, waarbij de vrouw de minderjarige ophaalt uit school en terugbrengt bij de man;
  • de minderjarige verblijft wekelijks één doordeweekse middag (vanuit school tot 18.00 uur) bij de vrouw, de precieze dag in onderling overleg door partijen te bepalen, waarbij de vrouw de minderjarige ophaalt uit school en terugbrengt bij de man;
  • de minderjarige verblijft tijdens de helft van de vakanties en feestdagen bij de vrouw, in onderling overleg door partijen te verdelen;
4.4.
bepaalt dat art. 7.3 uit het ouderschapsplan (de kinderrekening) met ingang van de datum van de wijziging van de zorgregeling komt te vervallen;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, voorzitter en (kinder)rechter, mr. S.A. van Egmond en mr. K.C.J.M. Hageraats-Bouwens, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Dijk, griffier, op 25 juni 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.