ECLI:NL:RBROT:2026:8483

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
ROT 24/10950
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:37 AwbArt. 8:38 AwbArt. 2.7 WhtArt. 2.14h WhtArt. 3.13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overname private schulden in kader hersteloperatie toeslagen

Eiser, aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht de minister van Financiën om private schulden over te nemen in het kader van de hersteloperatie toeslagen. Sociale Banken Nederland weigerde aanvankelijk de overname van deze schulden, wat door de minister in bezwaar werd gehandhaafd. Eiser stelde dat de weigering onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was en dat bepaalde schulden wel voor overname in aanmerking zouden moeten komen.

De rechtbank constateerde dat eiser niet meer woonachtig was op het opgegeven adres en dat hij geen nieuw adres had doorgegeven, waardoor de zitting buiten zijn aanwezigheid kon worden voortgezet. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had geoordeeld dat de schulden niet voldeden aan de voorwaarden van de Wet hersteloperatie toeslagen, zoals het ontstaan en opeisbaar worden van de schuld binnen de gestelde termijnen en het ontbreken van betalingsachterstanden.

Daarnaast was de minister niet in gebreke gebleven in de motivering van het besluit en lag de bewijslast bij eiser om de benodigde stukken aan te leveren, wat niet was gebeurd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het griffierecht af en kende geen proceskostenvergoeding toe.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van de minister om private schulden over te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10950

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om de private schulden van eiser over te nemen. Eiser is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de schulden van eiser niet voor vergoeding in aanmerking komen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 3 mei 2024 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) geweigerd de schulden van eiser over te nemen.
2.1.
Met het besluit van 22 oktober 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De behandeling van het beroep van eiser was aanvankelijk gepland op een zitting van 3 februari 2026. De oproeping aan eiser, die werd verzonden naar het door eiser opgegeven adres, [straatnaam] in [woonplaats] , werd door de rechtbank terugontvangen. Uit de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) is gebleken dat eiser niet meer woonachtig was op het adres. De rechtbank heeft de uitnodiging voor de zitting daarom op
5 januari 2026 per e-mail naar eiser gestuurd.
2.4.
Op 27 januari 2026 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met de rechtbank. In dit telefoongesprek heeft eiser verklaard dat hij geen dossier en geen advocaat heeft en heeft hij aangegeven naar België te zijn verhuisd. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht om de zitting van 3 februari 2026 uit te stellen om hem in de gelegenheid te stellen een advocaat te zoeken en het dossier te verkrijgen. De rechtbank is akkoord gegaan met het verzoek tot aanhouding van de zaak en heeft eiser in de gelegenheid gesteld om binnen een maand een nieuwe advocaat te vinden. Daarnaast heeft de rechtbank eiser verzocht om binnen een maand een adres door te geven waarop hij voor de rechtbank te bereiken is. Omdat slechts een e-mailadres van eiser bekend was bij de rechtbank is tevens medegedeeld dat de correspondentie met eiser via dit e-mailadres zou verlopen.
2.5.
De behandeling van het beroep is vervolgens op een zitting op 2 juni 2026 gepland. De oproeping voor deze zitting is per e-mail naar eiser verzonden, omdat eiser geen nieuw adres of advocaat heeft doorgegeven aan de rechtbank. Eiser heeft niet, zoals door de rechtbank verzocht, bevestigd dat hij de oproep heeft ontvangen. Hij was ook niet meer te bereiken via zijn telefoonnummer. De e-mail is niet retour gekomen.
2.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is het eiser te verwijten, dan wel moet het voor zijn rekening komen, dat hij zijn adreswijziging niet aan de rechtbank bekend heeft gemaakt. De rechtbank heeft daarom besloten de behandeling van de beroepszaak voort te zetten. De rechtbank verwijst daarvoor naar het bepaalde in artikel 8:38 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verificatie van het door eiser, bij het instellen van beroep in november 2024, aan de rechtbank opgegeven adres, leverde op dat eiser op dat adres niet langer woonachtig is. Eisers huidige adres is onbekend. Het is daardoor niet mogelijk toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:38, tweede lid van de Awb en alsnog een uitnodiging of oproeping te versturen aan het juiste adres van eiser.
2.7.
De Awb biedt wel de mogelijkheid van bekendmaking van de dag van de zitting op andere wijze [1] , maar schrijft niet voor wat er moet gebeuren, als het door de betrokkene opgegeven adres bij verificatie onjuist blijkt te zijn en het werkelijke – of juiste – adres niet kan worden achterhaald. De rechtbank acht hieraan te hebben voldaan door de oproeping voor de zitting van 2 juni 2026 per e-mail naar eiser te verzenden. Daarom zet zij de behandeling van de zaak voort buiten de aanwezigheid van eiser.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders onterecht stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen ten onrechte teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van de Belastingdienst/Toeslagen in die tijd langdurig in een onmogelijke positie, in grote financiële problemen en in grote onzekerheid gebracht. Zij hebben financiële schade en zijn aangetast in hun rechtsgevoel, omdat zij zijn bestempeld als fraudeur. Het kabinet heeft hiervoor excuses aangeboden en is een hersteloperatie gestart.
3.1.
Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen. De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden (het Besluit), dat gold vanaf
29 oktober 2021. Op 2 november 2022 is deze regeling opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
3.2.
Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) schuldenlijsten verstrekt. Bij het primaire besluit is geweigerd om de door eiser ingediende schulden over te nemen.
3.3.
De schulden aan [bedrijf 1] van € 21.798,53 en [bedrijf 2] van € 2.152,35 zijn niet overgenomen op grond van code 11. Deze code houdt in:
‘Deze schuld betalen we (nog) niet af. De schuldeiser heeft nog niet (volledig) gereageerd. Reageert de schuldeiser binnen drie maanden? Dan bekijken we de schuld opnieuw. U krijgt dan opnieuw een brief (beschikking).’
3.4.
De schuld aan [bedrijf 3] van € 20.794,70 is niet overgenomen op grond van code 4. Deze code houdt in:
‘Deze schuld is een financieel product van bijvoorbeeld een bank. Wij betalen alleen het deel van uw betalingsachterstand af mits deze achterstand is ontstaan tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.’
3.5.
De schulden aan [bedrijf 4] van € 907,50 zijn niet overgenomen op grond van code 16. Deze code houdt in:
‘Deze schuld betalen we niet af. Deze schuld is ontstaan of opeisbaar geworden voor 1 januari 2006 of na 31 mei 2021. U moet schulden van voor
1 januari 2006 en na 31 mei 2021 zelf betalen.’
3.6.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering om de schulden over te nemen. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd. Daarbij heeft de minister overwogen dat de schulden aan [bedrijf 1] van € 27.867,33 met het besluit van
5 juni 2024 is afgewezen op grond van code 1. Deze code houdt in: ‘
Deze schuld voldoet aan de regels van de Wet hersteloperatie toeslagen. We betalen deze schuld helemaal af.’ Ten aanzien van de schuld aan [bedrijf 3] heeft de minister overwogen dat uit een reactie van de schuldeiser is gebleken dat geen sprake is van achterstand en/of opeising van de schuld. Voor wat betreft de schuld aan [bedrijf 2] heeft de minister overwogen dat hij niet over voldoende informatie beschikt om de schuld te kunnen beoordelen. Voor de schulden aan [bedrijf 4] heeft de minister overwogen dat uit de verklaring van de schuldeiser volgt dat de schulden na 31 mei 2021 zijn ontstaan. De schulden komen daarom op grond van de Wht niet voor vergoeding in aanmerking.
Standpunt eiser
4. In beroep voert eiser aan dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd is. De afwijzing van de schuld aan [bedrijf 2] is onevenredig voor eiser, omdat het enkele feit dat de schuldeiser niet heeft gereageerd, niet kan maken dat de schuld niet voor overname in aanmerking zou kunnen komen. Ten aanzien van de schuld aan [bedrijf 3] stelt eiser dat deze schuld ook voor overname in aanmerking dient te komen.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van de bestreden besluiten
6. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de weigering van het betalen van de schulden van eiser terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser heeft niet weersproken dat de schuld aan [bedrijf 1] (alsnog) door de minister is overgenomen.
Schuld aan [bedrijf 2]
7. Uit de stukken volgt dat de schuld aan [bedrijf 2] betrekking heeft op drie facturen die op naam staan van [naam 1] en [naam 2] . In de e-mail van [bedrijf 5] van 21 september 2021, de eenmanszaak waarvan eiser sinds 9 juni 2011 de eigenaar is, is naar voren gebracht dat [naam 1] en [naam 2] afnemers zijn geweest van opvang en dat zij een restant van de door hen verschuldigde vergoeding onbetaald hebben gelaten. De incasso van de vorderingen op deze afnemers is in handen gesteld van incassobureau [bedrijf 2] . Voor de door haar verrichte incasso-inspanningen heeft het [bedrijf 2] facturen gestuurd aan [bedrijf 5] .
8. De schuldeiser heeft niet gereageerd op de verzoeken van de minister om een verklaring of er nog openstaande facturen of vorderingen bestaan op naam van [bedrijf 5] of op naam van eiser zelf. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook terecht geoordeeld dat voor de beoordeling van de schuld aan [bedrijf 2] niet voldoende stukken aanwezig zijn. Door eiser zijn ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hijzelf of [bedrijf 5] een schuld hebben bij [bedrijf 2] .
Schuld aan [bedrijf 3]
9. De minister neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht voor zover de afgeloste geldschuld voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was. [2] De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [3] De resterende hoofdsommen van leningen worden niet overgenomen, tenzij deze vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. [4]
10. Uit de reactie van de schuldeiser van 24 mei 2023 volgt dat de schuld ziet op een actieve kredietovereenkomst. De schuldeiser heeft verklaard dat de schuld op dat moment €13.587,65 bedroeg en het maandtermijn € 998,95 bedraagt. Daaruit is tevens gebleken dat de laatste betaling op 15 augustus 2024 zou plaatsvinden. Naar oordeel van rechtbank is uit de reactie van de schuldeiser niet gebleken dat sprake is geweest van een betalingsachterstand. De schuld is niet voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden, waardoor de schuld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht niet voor overname in aanmerking komt.
Schending van het [bedrijf 6]
11. Van een schending van het [bedrijf 6] is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake. De minister heeft in het primaire besluit een verwijzing naar de betreffende codes opgenomen, met daarbij een korte toelichting. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd, onder verwijzing naar de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarnaast is het in beginsel de verantwoordelijkheid van eiser, als aanvrager, om de benodigde gegevens omtrent zijn schulden aan te leveren. De minister moet wel inzichtelijk maken welke gegevens aangeleverd moeten worden, maar de bewijslast ligt bij de aanvrager – in dit geval de gedupeerde ouder – zelf. Eiser heeft niet gesteld dat hij niet in staat zou zijn (geweest) om de stukken aan te leveren. De minister heeft zich dus terecht gebaseerd op de stukken die eiser bij zijn aanvragen heeft ingediend.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) neemt verweerder een schuld over als deze:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden; en
c. niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.
Op grond van artikel 4.1, vierde lid van de Wht worden geldschulden en kosten overgenomen, die zijn:
a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;
d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming;
e. en geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend; of
f. een geldschuld die al is overgenomen van een aanvrager of diens partner of van een ex-partner.
In artikel 4.3, eerste lid, van de Wht is bepaald:
Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
onderdeel a of b, heeft afgelost aan opeisbare geldschulden en kosten, met een maximum van het bedrag dat hij ontvangen heeft op grond van een herstelmaatregel. Artikel 3.13, derde lid, is van toepassing.

Voetnoten

1.Artikel 8:37, tweede lid, van de Awb.
2.Artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.
3.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
4.Artikel 4.1, vierde lid, onder b van de Wht.