ECLI:NL:RBROT:2026:8485

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
10.200004.20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38z SrArt. 6:6:23c SvArt. 6:6:23b lid 3 SvArt. 6:3:14 SvArt. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging maatregel gedragsbeïnvloeding wegens onvoldoende medewerking en hoog recidiverisico

De veroordeelde is onherroepelijk veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag en kreeg daarnaast een maatregel gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (GVM) opgelegd. De rechtbank Rotterdam heeft in 2024 de tenuitvoerlegging van deze maatregel gelast voor twee jaar.

Op verzoek van het Openbaar Ministerie is de tenuitvoerlegging van de GVM verlengd met twee jaar. Dit verzoek is gebaseerd op een rapport van de reclassering waarin wordt gesteld dat de veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan de maatregel, meerdere klinische behandelingen niet succesvol zijn afgerond en het recidiverisico nog steeds gemiddeld-hoog is. De veroordeelde vertoont weinig ziekte-inzicht en weigert medicatie.

De rechtbank heeft de vordering behandeld op een openbare zitting waarbij ook een reclasseringswerker als deskundige is gehoord. Gezien de hoge risico's en het gebrek aan effectieve klinische behandelopties, acht de rechtbank verlenging noodzakelijk. De voorwaarden van de maatregel worden gehandhaafd, met uitzondering van de klinische opname. Bij overtreding van de maatregel kan vervangende hechtenis worden opgelegd tot maximaal zes maanden.

De veroordeelde moet zich melden bij de reclassering, meewerken aan ambulante zorg, verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich onthouden van verdovende middelen. De rechtbank benadrukt dat de maatregel noodzakelijk is ter voorkoming van recidive en bescherming van de samenleving.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de maatregel gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking met twee jaar onder voorwaarden en met mogelijkheid tot vervangende hechtenis.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10.200004.20
Rolnummer Hof: 22.002472.21
Datum zitting en uitspraak: 22 juni 2026
Tegenspraak
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam op
de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 6:6:23c van het Wetboek
van Strafvordering (Sv) in de zaak van:
Veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [plaatsnaam] .
Advocaat van de verdachte: mr. F. Laros
Officier van justitie: mr. J.B. Wooldrik

1.Feiten

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het
gerechtshof Den Haag van 30 juni 2022 is de veroordeelde wegens poging tot doodslag
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.
Tevens is aan de veroordeelde de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of
vrijheidsbeperking (hierna: de GVM) op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd.
Deze rechtbank heeft bij beslissing van 4 juli 2024 de tenuitvoerlegging gelast van de GVM voor een periode van twee jaren.

2.Procesverloop

De rechtbank heeft op 1 juni 2026 van het openbaar ministerie een vordering tot verlenging van de tenuitvoerlegging van de GVM ontvangen. De vordering is tijdig ingediend. Het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk in de vordering.
Aan de vordering ligt ten grondslag een rapport van Verslavingsreclassering GGZ Fivoor (de reclassering) van 1 juni 2026 over de veroordeelde.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 22 juni 2026. Op de zitting zijn de officier van justitie en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. Tevens is [naam] , reclasseringswerker belast met het reclasseringstoezicht van de veroordeelde, als deskundige gehoord.

3.Beoordeling

Toetsingskader
De GVM op grond van artikel 38z lid 1 Sr is primair bedoeld voor de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen.
Op grond van artikel 6:6:23c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechtbank na eerdere oplegging van de GVM, de termijn van de maatregel telkens op vordering van het OM met twee, drie, vier of vijf jaren verlengen indien:
a. er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen; of
b. dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.
Advies reclassering
Het reclasseringsadvies van 1 juni 2026 houdt onder meer het volgende in.
Veroordeelde heeft de afgelopen periode onvoldoende meegewerkt aan de GVM-maatregel en om die reden adviseert de reclassering om deze met twee jaar te verlengen. Hij is na aanvang van de maatregel behandeld geweest in respectievelijk de Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) en de Forensische Verslaving Kliniek (FVK) van Fivoor. In de FPK is de diagnose zwakbegaafdheid, schizofrenie en een stoornis in gebruik van cannabis gesteld. Veroordeelde herkent zich niet de diagnose van schizofrenie. Hij is in de FPK tenminste vier keer teruggevallen in cannabisgebruik en werkt onvoldoende mee aan behandeling. Er is weinig probleembesef en vrijwel geen ziekte-inzicht. De opname wordt vervolgens negatief afgesloten en veroordeelde krijgt een tweede kans in de FVK. Het lukt hier in eerste instantie wel om enige stappen te zetten in de behandeling en de delict-analyse wordt alsnog afgerond. In juli 2025 wordt de maximaal toegestane opnametermijn met een jaar verlengd op verzoek van de FVK omdat ze verwacht langer de tijd nodig te hebben om te werken aan het verminderen van de risico's. De situatie verslechtert als veroordeelde weigert om mee te werken aan depotmedicatie vanwege de schizofrenie. De FVK vindt dit noodzakelijk met het oog op het gebrek aan intrinsieke motivatie bij veroordeelde om mee te werken aan de inname van de medicatie en met het oog op een eventuele uitstroom. Nadat veroordeelde zijn medewerking hieraan blijft weigeren vraagt de FVK een zorgmachtiging aan. Deze wordt toegekend en vervolgens verlengd door de rechtbank. Als veroordeelde hierna weigert om naar de verplichte dagbesteding te gaan adviseert de reclassering de inzet van twee weken vervangende hechtenis. Dit wordt in eerste instantie afgewezen en daarna alsnog toegewezen door de rechtbank. Veroordeelde werkt na terugkeer in de kliniek korte tijd beter samen met de staf maar een paar weken later wordt vijf gram cannabis op de kamer van veroordeelde gevonden. De behandeling wordt hierna beëindigd door de kliniek en de reclassering adviseert opnieuw twee weken vervangende hechtenis omdat veroordeelde met de invoer van de drugs zijn medepatiënten ernstig in gevaar heeft gebracht. Veroordeelde mag in de kliniek blijven in afwachting van een derde behandelpoging. In de periode hierna gaat veroordeelde opnieuw in de fout als een fles met anabolen op zijn kamer wordt gevonden. Hij ontkent eigenaar te zijn van de fles en geeft aan ook niet te weten wat erin zit. De kliniek en reclassering besluiten om geen sanctie in te zetten vanwege het gebrek aan toegevoegde waarde. In de periode hierna probeert de Divisie Individuele Zaken (DIZ) een nieuwe kliniek te vinden voor een derde behandelpoging maar vier klinieken wijzen veroordeelde af vanwege de complexiteit van de casus. Als reden wordt kort samengevat aangegeven: het gebrek aan motivatie bij veroordeelde om nog langer klinisch behandeld te worden, de beperkingen van de huidige maatregel en de hoge risico's. Het DIZ geeft aan dat de kans heel klein is dat op korte termijn een andere kliniek wordt gevonden. In overleg met de reclassering en de FVK wordt daarom besloten om de aanvraag voor een derde behandelpoging te annuleren omdat het niet uitvoerbaar is gebleken om veroordeelde opnieuw klinisch te plaatsen. Op dit moment wordt geprobeerd om een passende begeleid- of beschermd wonen instelling (BW) voor hem te vinden. De begeleidwoneninstellingen in de regio Rotterdam zijn om diverse redenen niet passend gebleken voor veroordeelde of hij is er niet welkom dus we kijken momenteel naar een plek buiten de regio. De reclassering is van mening dat het laten aflopen van de onderhavige maatregel op 31 juli 2026 in de huidige situatie onverantwoord is gezien de hoge risico's, die gedurende de afgelopen periode vrijwel niet gedaald zijn. Zij adviseert daarom om de maatregel te verlengen.
Standpunt officier van justitieDe officier van justitie heeft de verlenging van de tenuitvoerlegging van de GVM gevorderd voor een periode van twee jaar onder dezelfde voorwaarden, met uitzondering van het meewerken aan klinische opname. Die voorwaarde kan komen te vervallen.
Standpunt verdedigingIndien een verlenging van de GVM noodzakelijk is, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Cliënt wil graag begeleid wonen. Dat is ook een betere optie dan de daklozenopvang.
Beoordeling vordering
Op grond van het advies van de reclassering, de mondelinge toelichting daarop door de deskundige en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een misdrijf zal begaan waarvoor een GVM kan worden opgelegd.
Ten tijde van de strafzaak beoordeelde het hof het recidiverisico als gemiddeld-hoog. Uit het reclasseringsadvies van 1 juni 2026 blijkt dat de veroordeelde de afgelopen twee jaar onvoldoende heeft meegewerkt aan de GVM. Verschillende klinische trajecten zijn niet succesvol afgerond vanwege het gebrek aan motivatie en de weigering om mee te werken aan de zijde van de veroordeelde. Veroordeelde heeft geen ziekte-inzicht en wil het liefst zijn medicatie niet meer nemen. Deze omstandigheden bij elkaar maken dat het recidiverisico nog altijd gemiddeld-hoog is. De rechtbank vindt de toewijzing van de vordering daarom noodzakelijk ter voorkoming van recidive. De veroordeelde heeft (nog steeds) ondersteuning nodig op verschillende leefgebieden, onder andere op het gebied van huisvesting, abstinentie en zorg (medicatie). De veroordeelde heeft zelf aangegeven dat hij graag een plek wil krijgen binnen begeleid wonen. De reclassering is de aangewezen instantie om dit te bewerkstelligen en tegelijkertijd kan zij ook toezicht en ondersteuning bieden bij het organiseren van passende zorg- en hulpverlening op andere leefgebieden. Ook gelet op de voortgang van de veroordeelde van de afgelopen twee jaar is dit aangewezen.
De rechtbank vindt een klinische opname en behandeling op zichzelf genomen wenselijk. Uit het reclasseringsadvies en de daarop ter zitting gegeven toelichting blijkt echter dat een dergelijke behandeling niet doeltreffend van de grond komt. Klinieken willen de veroordeelde ook niet (langer) opnemen. Klinieken zijn er ook niet om als loutere verblijfsplaats te dienen. De rechtbank laat de voorwaarde van klinische opname daarom vervallen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verlenging van de tenuitvoerlegging van de GVM gelasten voor een periode van twee jaren, zoals door de officier van justitie is gevorderd.
De veroordeelde zal zich daarnaast aan de voorwaarden moeten houden die van rechtswege aan de bijzondere voorwaarden zijn verbonden, zoals vermeld in artikel 6:6:23b lid 3 Sv.
Wanneer de veroordeelde (de gestelde voorwaarden gekoppeld aan) de GVM niet naleeft, zal vervangende hechtenis worden toegepast bij iedere keer dat de veroordeelde een voorwaarde overtreedt. De rechtbank zal de duur van die vervangende hechtenis per keer bepalen op ten hoogste twee weken. De totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de GVM niet op.

4.Beslissing

De rechtbank:
verlengtde bij vonnis van 4 juli 2024 van de meervoudige kamer van deze rechtbank gelaste
tenuitvoerleggingvan de aan de veroordeelde opgelegde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, voor een periode van
twee jaren;
stelt daarbij de volgende bijzondere voorwaarden:
1. de veroordeelde zal zich melden bij de reclassering, zo vaak en zolang als
de reclassering dat noodzakelijk vindt;
2. de veroordeelde zal, als de reclassering ambulante zorg gewenst vindt, meewerken aan de indicatiestelling en plaatsing. De veroordeelde moet de aanwijzingen van de ambulante behandelaar volgen, ook indien dit inhoudt dat veroordeelde medicijnen inneemt;
3. de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma, die de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
4. de veroordeelde zal geen verdovende middelen gebruiken en meewerken aan controle op dit verbod door middel van urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
verstaat dat
van rechtswegede volgende
voorwaardenzijn verbonden aan de hierboven genoemde voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 6:3:14 Sv Pro, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht;
beveeltdat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
ten hoogste twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Daarbij geldt dat de
totale duurvan de vervangende hechtenis
ten hoogste zes maandenbedraagt en de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de maatregel niet opheft.
Deze beslissing is genomen door mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
en mrs. L. den Teuling en F. van Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juni 2026.
Mr. F. van Laanen is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.