ECLI:NL:RBROT:2026:8487

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
C/10/721181 / KG ZA 26-568
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaald gelaten facturen en wettelijke handelsrente

Eiser vordert in kort geding betaling van onbetaald gelaten facturen ter hoogte van €6.840, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 1 juni 2026, en proceskosten. Gedaagde verschijnt niet, waarna verstek wordt verleend.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is en wijst de primaire vordering toe. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf 1 juni 2026 tot volledige voldoening. De subsidiaire vordering wordt niet behandeld.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €2.480,65, inclusief dagvaarding, griffierecht, advocaatkosten en nakosten. Tevens wordt wettelijke rente over de proceskosten toegewezen bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €6.840 plus wettelijke handelsrente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/721181 / KG ZA 26-568
Vonnis in kort geding van 10 juli 2026
in de zaak van
[eiser],MEDE H.O.D.N. [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. J.J. van Kuijk te Den Haag,
tegen
INSTALTECH TECHNIEK B.V.,
gevestigd in Maassluis,
gedaagde,
niet verschenen.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 juni 2026, met 7 producties;
  • de mondelinge behandeling op 26 juni 2026.

2.De vordering

Eiser vordert – samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
- gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.840,00;
subsidiair
- gedaagde te veroordelen tot betaling van een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten bedrag van € 6.840,00;
in alle gevallen
- het door gedaagde te betalen bedrag in deze procedure te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 1 juni 2026, althans de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
- gedaagde te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de (na)kosten ad € 178,00 zonder betekening en € 270,00 in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.De beoordeling

3.1.
In de dagvaarding zijn de wettelijk voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen de niet verschenen gedaagde verstek wordt verleend.
3.2.
De vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dat betekent dat de primaire vordering wordt toegewezen, waarbij de hoofdsom wordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf 1 juni 2026 tot de dag van algehele voldoening. Aan de subsidiaire vordering wordt niet toegekomen.
3.3.
Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van eiser veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:
- dagvaarding € 128,65
- griffierecht € 1.414,00
- salaris advocaat € 760,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.480,65
3.4.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals
vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde;
4.2.
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van een bedrag van € 6.840,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf 1 juni 2026 tot de dag van algehele voldoening;
4.3.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 2.480,65, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe; als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, moet gedaagde € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.4.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
2091 / 638