ECLI:NL:RBROT:2026:851

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/10/709887 / HA ZA 25-992
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voeging van zaken wegens verknochtheid in schadevergoeding ladingverlies

In deze civiele procedure vordert Rhenus Freight Logistics GmbH & Co KG de voeging van de hoofdzaak met een vrijwaringszaak bij de rechtbank Rotterdam. De hoofdzaak betreft een schadevergoeding voor verloren gegane lading 'acetate tow' die Rhenus in opdracht van Celanese B.V. moest vervoeren. Starr Indemnity & Liability Company, als verzekeraar en gemachtigde van Celanese B.V., is de eiser in de hoofdzaak.

Rhenus heeft in de vrijwaringszaak Intercombicargo LDA gedagvaard, omdat zij de vervoersopdracht aan deze partij heeft uitbesteed en stelt dat Intercombicargo aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank constateert dat beide zaken feitelijk en juridisch verknocht zijn, omdat zij dezelfde opdracht en schadeclaim betreffen en dat consistentie van uitspraken gewenst is.

Starr heeft geen bezwaar tegen de voeging. De rechtbank wijst de vordering tot voeging toe, compenseert de proceskosten in het incident en bepaalt dat de zaken worden samengevoegd. De zaak wordt op 11 maart 2026 weer op de rol gezet voor conclusie van antwoord. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot voeging van de zaken toe en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709887 / HA ZA 25-992
Vonnis in incident van 28 januari 2026
in de zaak van
STARR INDEMNITY & LIABILITY COMPANY,
vestigingsplaats: New York (Verenigde Staten van Amerika),
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. M.R. Koppenol,
tegen
RHENUS FREIGHT LOGISTICS GMBH & CO KG,
vestigingsplaats: Dietzenbach (Duitsland),
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaat: mr. W.E. Boonk.
Partijen worden hierna Starr en Rhenus genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 9 september 2025, met bijlagen S1 tot en met S8;
  • de incidentele conclusie tot voeging van zaken, met bijlage G1;
  • de akte inzake voegingsincident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
Rhenus vordert in het incident om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdzaak vanwege verknochtheid te voegen met de vrijwaringszaak met zaaknummer C/10/713226 / HA ZA 26-55, met veroordeling van Starr in de proceskosten in het incident indien en voor zover verweer mocht worden gevoerd. Starr heeft geen bezwaar tegen deze vordering.
2.2.
Op grond van artikel 222 Rv Pro kan onder meer voeging worden gevorderd als voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn. Van verknochtheid is sprake wanneer feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere zaak, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is.
2.3.
De rechtbank constateert dat Starr Rhenus in de hoofdzaak heeft gedagvaard ter zake van de vergoeding van schade die het gevolg is van een verloren gegane lading ‘acetate tow’ die Rhenus in opdracht van Celanese B.V. van Rotterdam naar Rio de Mouro (Portugal) moest vervoeren. Starr is de verzekeraar van Celanese B.V. en zij heeft een last en volmacht van Celanese B.V. gekregen om - onder meer - de hoofdzaak te voeren. In de vrijwaringszaak met zaaknummer C/10/713226 / HA ZA 26-55 heeft Rhenus Intercombicargo LDA in vrijwaring gedagvaard om aan Rhenus te betalen waartoe Rhenus in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld om aan Starr te betalen. Daaraan legt Rhenus – kort gezegd – ten grondslag dat zij de vervoersopdracht aan Intercombicargo LDA heeft uitbesteed en dat Intercombicargo aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het verloren gaan van de lading. In beide zaken gaat het dus over dezelfde opdracht tot het vervoeren van een lading ‘acetate tow’ en, in het verlengde daarvan, wie (uiteindelijk) de schade als gevolg van de verloren gegane lading moet dragen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat beide zaken feitelijk en juridisch verknocht zijn, althans dat beide zaken een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. Aangezien Starr bovendien geen bezwaar heeft tegen voeging van de zaken, wijst de rechtbank de incidentele vordering toe.
2.4.
Geen van partijen heeft in het incident te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Daarom worden de proceskosten in het incident gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten in het incident moet betalen.

3.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
3.1.
wijst de vordering toe;
3.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
in de hoofdzaak
3.3.
voegt de zaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer C/10/713226 / HA ZA 26-55;
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van
11 maart 2026voor conclusie van antwoord;
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
3349 / 2459