ECLI:NL:RBROT:2026:853

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712443 / KG ZA 25-1280
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot staken exploitatie en ontruimen bedrijfsruimte franchisevestiging

Cafecito Franchise c.s. vorderden in kort geding dat [gedaagde] de exploitatie van de franchisevestiging in Rotterdam staakt en de bedrijfsruimte ontruimt, wegens vermeende tekortkomingen in de nakoming van de franchise- en huurovereenkomst. De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat deze tekortkomingen in een bodemprocedure tot ontbinding van de franchiseovereenkomst zouden leiden.

De kern van het geschil betreft onder meer de vraag of [gedaagde] contante betalingen niet heeft geregistreerd, wat Cafecito Franchise c.s. als fraude en belastingontduiking kwalificeert. [gedaagde] betwist dit en wijst op het pin only-beleid en het ontbreken van een kassaknop voor contante betalingen. De rechter acht het bewijs onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van substantiële niet-geregistreerde contante betalingen.

Verder zijn andere tekortkomingen door Cafecito Franchise c.s. erkend als onvoldoende ernstig voor onmiddellijke ontbinding. De belangenafweging weegt zwaar in het voordeel van [gedaagde], mede vanwege de investeringen en financiële gevolgen van beëindiging. Cafecito Franchise c.s. worden veroordeeld in de proceskosten en de vorderingen worden afgewezen.

Uitkomst: De vorderingen tot staking van exploitatie en ontruiming worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van tekortkomingen die ontbinding rechtvaardigen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712443 / KG ZA 25-1280
Vonnis in kort geding van 30 januari 2026
in de zaak van

1..CAFECITO FRANCHISE B.V.,2. CAFECITO REAL ESTATE B.V.,

statutaire vestigingsplaats: Amsterdam,
eisende partijen,
advocaten: mrs. D.J.A. van den Berg en B.F.I. Bruisten,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. J.S. ’t Hart en A.C. van Engel.
Partijen worden hierna Cafecito Franchise, Cafecito Real Estate en [gedaagde] genoemd. Cafecito Franchise en Cafecito Real Estate worden samen Cafecito Franchise c.s. genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Cafecito Franchise exploiteert een franchiseformule op het gebied van koffie en daaraan gerelateerde producten. [gedaagde] heeft een franchiseovereenkomst gesloten met Cafecito Franchise, op grond waarvan [gedaagde] franchisenemer is geworden van een Cafecito-vestiging in Rotterdam. Daarnaast heeft [gedaagde] een (onder)huurovereenkomst gesloten met Cafecito Real Estate voor de bedrijfsruimte waarin de Cafecito-vestiging in Rotterdam door [gedaagde] wordt geëxploiteerd. Cafecito Franchise vindt dat [gedaagde] op meerdere punten tekort is geschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst en daarmee ook in de nakoming van de huurovereenkomst. Cafecito Franchise heeft de franchiseovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. In deze zaak vorderen Cafecito Franchise c.s. – kort gezegd – dat [gedaagde] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om de exploitatie van de Cafecito-vestiging in Rotterdam te staken en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de bedrijfsruimte te ontruimen (met achterlating van de inventaris). [gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van Cafecito Franchise c.s.. [gedaagde] vindt – samengevat weergegeven – dat Cafecito Franchise c.s. geen spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben, dat de zaak te gecompliceerd is voor een kort geding en dat [gedaagde] niet tekortgeschoten is in de nakoming van de franchiseovereenkomst (en dus ook niet in de huurovereenkomst). De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 8 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 28;
  • de aanvullende bijlagen 29 tot en met 34 van Cafecito Franchise c.s.;
  • de bijlagen 1 tot en met 22 van [gedaagde] ;
  • de mondelinge behandeling op 16 januari 2026;
  • de spreekaantekeningen van mr. Van den Berg;
  • de pleitnota van mr. ’t Hart, met bijlage I.

3.De beoordeling

3.1.
Het verweer van [gedaagde] strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring van Cafecito Franchise c.s.. Daaraan legt [gedaagde] – kort gezegd – ten grondslag dat Cafecito Franchise c.s. onvoldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben en dat de zaak te complex is voor een kort geding. Dit kan echter niet tot niet-ontvankelijkverklaring van Cafecito Franchise c.s. leiden. Als Cafecito Franchise c.s. onvoldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben, is dat een inhoudelijk oordeel en leidt dat tot afwijzing van de vorderingen van Cafecito Franchise c.s. Verder merkt de voorzieningenrechter het geschil tussen partijen vanuit feitelijk en juridisch oogpunt niet aan als zo ingewikkeld en omvangrijk dat daarop in kort geding niet kan worden beslist. Was hiervan wel sprake geweest dan had dit bovendien ook niet geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van Cafecito Franchise c.s., maar tot afwijzing van de vorderingen van Cafecito Franchise c.s..
3.2.
Het verweer van [gedaagde] strekt subsidiair tot (i) afwijzing van de vorderingen van Cafecito Franchise c.s. en (ii) bepaling dat Cafecito Franchise haar dienstverlening aan [gedaagde] ongestoord en overeenkomstig haar verplichtingen als franchisegever moet nakomen en voortzetten totdat in een bodemprocedure is beslist. [gedaagde] heeft de zinsnede na (ii) niet benoemd als een vordering in reconventie (tegenvordering). Voor zover dit wel zo moet worden begrepen, heeft [gedaagde] haar tegenvordering in strijd met de goede procesorde en artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken niet uiterlijk 24 uur vóór de mondelinge behandeling toegestuurd aan Cafecito Franchise c.s. en aan de voorzieningenrechter. Daarom wordt de tegenvordering, als de hiervoor bedoelde zinsnede al zo moet worden begrepen, buiten beschouwing gelaten.
Het toetsingskader in een kort geding
3.3.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of Cafecito Franchise c.s. ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.
De gestelde tekortkomingen rechtvaardigen geen buitengerechtelijke ontbinding
3.4.
Cafecito Franchise c.s. stellen dat [gedaagde] op de volgende punten tekort is geschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst:
[gedaagde] heeft geen deugdelijke, aan algemeen aanvaarde maatschappelijke normen beantwoordende, (financiële bedrijfs-)administratie gevoerd door gedurende bijna vier jaar tijd ontvangen contante betalingen niet in de administratie te verwerken;
[gedaagde] heeft de afgelopen twee jaar zelf matcha ingekocht bij de leverancier van Cafecito Franchise, terwijl dit ingekocht moet worden bij Cafecito Groothandel B.V., en [gedaagde] heeft geprobeerd haverdranken in te kopen tegen de voorwaarden die Cafecito Franchise voor al haar franchisenemers met haar leverancier heeft uitonderhandeld;
[gedaagde] weigert mee te werken aan het aanleveren van cijfers waar Cafecito Franchise ten behoeve van een door haar uit te voeren benchmark meermaals om heeft verzocht; en
[gedaagde] is in 2024 aanzienlijk te laat geweest met het betalen van onder andere de franchisefee en [gedaagde] is in het voorjaar van 2025 een samenwerking met Osoe Home aangegaan, zonder de daarvoor vereiste toestemming van Cafecito Franchise.
3.5.
Cafecito Franchise c.s. stellen over de gestelde tekortkoming onder a) – samengevat weergegeven – het volgende. Cafecito Franchise heeft geconstateerd dat in de afgelopen jaren geen enkele contante betaling door [gedaagde] is geregistreerd. De overige Cafecito-vestigingen (op één na) hebben een gemiddelde omzet aan contante betalingen van gemiddeld ruim 2,5% van de totale omzet per maand. In de tweede helft van 2025 is de Cafecito-vestiging van [gedaagde] tien keer bezocht door een zogenaamde mystery shopper. Zes van die mystery shoppers hebben hun bestelling (in opdracht van Cafecito Franchise) contant betaald. Cafecito Franchise heeft deze contante betalingen echter nooit teruggezien in het kassasysteem. Op basis van de rapporten van de mystery shoppers concludeert Cafecito Franchise dat [gedaagde] de afgelopen jaren contante betalingen heeft ontvangen, welke betalingen nooit in het kassasysteem zijn verwerkt. Dit is in strijd met de franchiseovereenkomst en het Handboek van Cafecito Franchise. Het gaat om een substantieel bedrag. Uitgaande van een contante omzet van ongeveer 3%, bedraagt de niet geregistreerde omzet uit contante betalingen over 2025 ten minste € 25.000,00. Dit is fraude en belastingontduiking. Het vertrouwen van Cafecito Franchise in [gedaagde] is daardoor permanent geschaad. Omdat vertrouwen in een franchiserelatie erg belangrijk is, heeft Cafecito Franchise gebruik gemaakt van de – inderdaad – ingrijpende contractuele mogelijkheid om de franchiseovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, aldus Cafecito Franchise c.s..
3.6.
[gedaagde] stelt daar – samengevat weergegeven – het volgende tegenover. [gedaagde] betwist dat zij de afgelopen jaren een substantieel bedrag aan contante betalingen heeft ontvangen. Bij de aanvang van de franchiseovereenkomst is door Cafecito Franchise gezegd dat Cafecito een pin only-concept is. Sinds de opening van de Cafecito-vestiging van [gedaagde] is dan ook duidelijk zichtbare signalering aangebracht bij de entree (deur en raam) met de tekst: “Pinbetalingen worden geaccepteerd. Contante betalingen niet.”. Uit de rapporten van de mystery shoppers met betrekking tot de contante betalingen blijkt ook juist dat het niet mogelijk is om contant af te rekenen. Uit die rapporten kan de algehele conclusie worden getrokken dat de klanten niet blij waren dat zij niet contant konden betalen, dat de medewerkers het voor de bestelling te betalen bedrag meteen intoetsten op het pinapparaat en dat de medewerkers niet eens over wisselgeld beschikten (het wisselgeld voor de mystery shoppers werd uit de fooienpot van de medewerkers gehaald). Dat kon ook niet, want de kassa van de Cafecito-vestiging van [gedaagde] had geen knop voor contante betalingen (en ook geen kassalade). Dit – kennelijk – in tegenstelling tot andere Cafecito-vestigingen die wel een kassa met een knop voor contante betalingen hebben. Een verwijzing naar de omzet uit contante betalingen van andere Cafecito-vestigingen is gelet daarop dan ook niet steekhoudend. Een incidentele kleine cashbetaling is onvoldoende om een tekortkoming aan te nemen. Bovendien had Cafecito Franchise haar vermoeden dat contante betalingen werden gedaan én niet werden geregistreerd eerst met [gedaagde] moeten bespreken en niet meteen een dergelijke zware stap als buitengerechtelijke ontbinding van de franchiseovereenkomst moeten nemen. Omdat inmiddels is gebleken dat Cafecito Franchise wel toestaat dat contant wordt afgerekend, heeft [gedaagde] de kassa van haar Cafecito-vestiging begin 2026 zelf zodanig ingesteld dat zij wel contante betalingen kan ontvangen. De pin only-stickers zijn inmiddels ook verwijderd, aldus [gedaagde] .
3.7.
Tussen partijen is dus in geschil of [gedaagde] in de afgelopen jaren een substantieel bedrag aan contante betalingen heeft ontvangen en, in het verlengde daarvan, of [gedaagde] heeft verzaakt dat substantiële bedrag in haar financiële administratie op te nemen. Bij de huidige stand van zaken kan de voorzieningenrechter niet vaststellen wie van partijen op dit punt het gelijk aan haar zijde heeft. Daarvoor is relevant dat [gedaagde] heeft gewezen op een belangrijk verschil tussen haar Cafecito-vestiging en andere Cafecito-vestigingen: de Cafecito-vestiging van [gedaagde] had – in tegenstelling tot andere Cafecito-vestigingen – sinds het begin van de franchiseovereenkomst en tot voor kort voor klanten duidelijk zichtbare mededelingen dat alleen pinbetalingen werden geaccepteerd, had tot 2026 geen knop op de kassa om contante betalingen te ontvangen én had geen kassalade. Cafecito Franchise c.s. hebben dit niet, althans onvoldoende, weersproken. Er daarom van uitgaande dat wat [gedaagde] op dit punt heeft gesteld juist is, kan niet worden uitgesloten dat [gedaagde] in de afgelopen jaren inderdaad slechts sporadisch contante betalingen in ontvangst heeft genomen. In ieder geval kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat [gedaagde] alleen al over 2025 contante betalingen in de orde van grootte van maar liefst € 25.000,00 heeft ontvangen (en vervolgens niet in haar financiële administratie heeft verwerkt). Het enkele feit dat de contante betalingen van zes mystery shoppers niet in de financiële administratie zijn verwerkt, is daarvoor – in het licht van het verweer van [gedaagde] – onvoldoende. De bestuurder van Cafecito Franchise c.s. heeft tijdens de mondelinge behandeling nog gezegd dat één van zijn chauffeurs in de kelder van de Cafecito-vestiging van [gedaagde] heeft gezien dat contant geld werd gewisseld (“een systeem van cash betalingen”) en dat het om veel contant geld gaat, maar dit is door [gedaagde] betwist en door Cafecito Franchise c.s. op geen enkele manier onderbouwd. De voorzieningenrechter gaat hier dan ook aan voorbij.
3.8.
Het voorgaande laat onverlet dat wel vaststaat dat [gedaagde] in ieder geval sporadisch contante betalingen in ontvangst heeft genomen en die vervolgens niet in haar financiële administratie heeft verwerkt. Dit is een tekortkoming in de nakoming van de franchiseovereenkomst. Vast staat echter ook dat [gedaagde] hier niet eerder op is aangesproken en dat ook de rapporten van de mystery shoppers – in strijd met de eigen regels van Cafecito Franchise c.s. – niet met [gedaagde] zijn besproken vóórdat Cafecito Franchise tot buitengerechtelijke ontbinding van de franchiseovereenkomst is overgegaan. Bovendien blijkt nergens uit wat (bij benadering) de daadwerkelijke omvang is van de in de afgelopen jaren door [gedaagde] in ontvangst genomen contante betalingen. Op dit moment staat slechts vast dat [gedaagde] sporadisch contante betalingen in ontvangst heeft genomen, en die vervolgens niet in haar financiële administratie heeft verwerkt. Alles bij elkaar is in deze omstandigheden onvoldoende aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat dit buitengerechtelijke ontbinding van de franchiseovereenkomst (of het alsnog ontbinden daarvan) rechtvaardigt.
3.9.
Voor wat betreft de gestelde tekortkomingen onder b) tot en met d) geldt het volgende. Cafecito Franchise c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling zelf gezegd dat die gestelde tekortkomingen op zich geen onmiddellijke beëindiging van de franchiseovereenkomst rechtvaardigen. Volgens Cafecito Franchise c.s. rechtvaardigen de gestelde tekortkomingen onder b) tot en met d) in combinatie met de gestelde tekortkoming onder a) wel de onmiddellijke beëindiging van de franchiseovereenkomst. Over de gestelde tekortkoming onder a) is hiervoor echter al geoordeeld dat (de door Cafecito Franchise c.s. gestelde ernst van) die tekortkoming onvoldoende is komen vast te staan. Verder is de voorzieningenrechter ook van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat de gestelde tekortkomingen onder b) tot en met d), als die al zouden komen vast te staan en al dan niet in combinatie met de gestelde tekortkoming onder a), in een bodemprocedure tot de conclusie zouden leiden dat de franchiseovereenkomst buitengerechtelijk mocht worden ontbonden (of alsnog moet worden ontbonden).
3.10.
Een belangenafweging maakt al het voorgaande niet anders. Het belang van [gedaagde] om de gedane investeringen in de haar Cafecito-vestiging terug te kunnen verdienen (en ook een zekere mate van winst te kunnen maken) en de ingrijpende (financiële) gevolgen van een (onmiddellijke) beëindiging van de franchiseovereenkomst wegen – mede in het licht van wat hiervoor over de door Cafecito Franchise c.s. gestelde tekortkomingen, en dan met name de gestelde tekortkoming onder a), is overwogen – op dit moment zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij toewijzing van hun vorderingen. De belangenafweging valt dan ook uit in het voordeel van [gedaagde] . Dat Cafecito Franchise c.s. geen vertrouwen meer hebben in [gedaagde] maakt dit niet anders. Van Cafecito Franchise c.s. mag, ondanks het beschadigde vertrouwen, worden verwacht de samenwerking voort te zetten totdat het geschil zo nodig in een bodemprocedure door de rechter is beoordeeld.
De conclusie
3.11.
De conclusie is dat de vorderingen van Cafecito Franchise c.s. worden afgewezen.
Cafecito Franchise c.s. moeten de proceskosten van [gedaagde] betalen
3.12.
Cafecito Franchise c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.626,00
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.13.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt Cafecito Franchise c.s. in de proceskosten van € 1.626,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als Cafecito Franchise c.s. de proceskosten niet op tijd betalen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Cafecito Franchise c.s. € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
3349 / 1980