ECLI:NL:RBROT:2026:8533

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/10/702904 / HA ZA 25-572
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 6b statutenArt. 3 lid 7 statutenArt. 6:119 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Lidmaatschap opgezegd door coöperatie, geen ontzetting; terugbetaling verschuldigd

In deze zaak stond centraal of het lidmaatschap van twee leden van een coöperatie was opgezegd of dat zij uit het lidmaatschap waren ontzet. De coöperatie had brieven gestuurd waarin het vertrouwen in de samenwerking werd opgezegd en een afrekening werd aangekondigd. De leden stelden dat zij onterecht waren ontzet en vorderden onder meer betaling van winstuitkeringen en kosten.

De rechtbank stelde vast dat de brieven van de coöperatie juridisch gezien opzeggingen van het lidmaatschap waren en geen ontzettingen. Dit was onder meer gebaseerd op de inhoud en strekking van de brieven, de statutaire bepalingen en het feit dat bij ontzetting geen restitutie zou plaatsvinden. De rechtbank hoefde niet te beoordelen of de opzegging rechtmatig was, omdat de leden niet terug wilden keren maar een correcte afrekening wensten.

De vorderingen van een van de eisers die geen lid was, werden afgewezen. De rechtbank wees de vorderingen toe voor de terugbetaling van bedragen aan de leden, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Vergoedingen voor misgelopen opdrachten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een melding aan de coöperatie.

De coöperatie werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsommen, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het lidmaatschap is opgezegd en veroordeelt de coöperatie tot terugbetaling van bedragen aan de leden, vermeerderd met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/702904 / HA ZA 25-572
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

wonend in [woonplaats],
2. [eiser 2],
gevestigd in Maassluis,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. M.W. Renzen,
tegen
[gedaagde],
gevestigd in Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A. van den Bogert.

1.De zaak in het kort

1.1.
[naam] (een van de vennoten van [eiser 2]) en [eiser 1] waren lid van [gedaagde]. [gedaagde] heeft hun lidmaatschap beëindigd.
1.2.
In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] het lidmaatschap van [naam] en [eiser 1] heeft opgezegd; van een ontzetting uit het lidmaatschap is geen sprake. Dit betekent dat [gedaagde] geld aan hen moet (terug)betalen. In dit vonnis stelt de rechtbank vast om welke bedragen het gaat en beslist zij ook op de andere vorderingen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdende provisionele vordering ex artikel 223 Rv Pro van
25 juni 2025, met 10 producties;
- de conclusie van antwoord, met 10 producties;
- de brief van 8 september 2025 met een oproep voor de mondelinge behandeling;
- de e-mail van 15 december 2025 met een agenda voor de mondelinge behandeling;
- de akte overlegging producties en eiswijziging, met producties 11 tot en met 14;
- de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling op 12 januari 2026;
- de akte uitlaten en overlegging nadere producties van eisers, met producties 15 tot en met
24, waarbij eisers hun eis opnieuw hebben gewijzigd en hun provisionele vordering
hebben ingetrokken;
- de akte uitlaten van [gedaagde], met producties 11 tot en met 14.
2.2.
Nadat eisers hebben laten weten dat zij zich niet hoeven uit te laten over de bij hen al bekende producties 11 tot en met 14 van [gedaagde], heeft de rechtbank op de rol van 3 juni 2026 bepaald dat er een vonnis komt.

3.De feiten

3.1.
In de statuten van [gedaagde] is onder meer het volgende bepaald.

Doel
Artikel 2
1. De coöperatie heeft als doel om diensten te verkopen, op het gebied van nautische dienstverlening, die zij op basis van een ledenovereenkomst bij de leden inkoopt.
(…)
Lidmaatschap
Artikel 3
1. De coöperatie kent leden. (…)
(…)
4. Het lidmaatschap eindigt:
(…)
- door opzegging door de coöperatie;
- door ontzetting;
(…)
6. Opzegging van het lidmaatschap namens de coöperatie kan op elk moment door het bestuur worden gedaan:
(…)
b. wanneer redelijkerwijs van de coöperatie niet kan worden gevergd het
lidmaatschap te laten voortduren;
(…)
7. Het bestuur van de coöperatie kan een lid alleen uit het lidmaatschap ontzetten wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de coöperatie handelt of wanneer het lid de coöperatie op onredelijke wijze benadeelt. Het bestuur zal het lid dan zo snel mogelijk informeren over het besluit, onder opgave van de redenen. Het lid kan vervolgens binnen één maand in beroep gaan bij de algemene ledenvergadering.(…)
Jaarrekening en winst(…)
Artikel 111. De coöperatie mag winst onder haar leden verdelen.
2. De algemene ledenvergadering bepaalt voor welk deel de winst wordt uitgekeerd aan de leden, of toegevoegd aan het vermogen van de coöperatie.
3. De mate waarin een (oud-)lid in de winst deelt, is evenredig met het bedrag dat de coöperatie gedurende het lidmaatschap in het boekjaar aan diensten bij het lid heeft ingekocht.”
3.2.
Op grond van het huishoudelijk reglement van [gedaagde] vervalt bij ontzetting uit het lidmaatschap ieder recht op restitutie.
3.3.
Op 1 juli 2023 hebben [gedaagde] en [naam], handelend onder de naam [bedrijf 1], een ledenovereenkomst gesloten.
3.4.
[naam] en zijn echtgenote zijn de vennoten van [eiser 2].
3.5.
Op 1 september 2023 hebben [gedaagde] en [eiser 1], handelend onder de naam [bedrijf 2], een ledenovereenkomst gesloten.
3.6.
Bij twee afzonderlijke brieven van 23 mei 2024 heeft [gedaagde] het volgende meegedeeld aan [naam] en [eiser 1].
De brief aan [naam] is verzonden naar het e-mailadres [e-mailadres].

Betreft; opzegging lidmaatschap [gedaagde] per 22-05-2024
Geachte [naam],
In navolging van de stemming op de door u bijgewoonde algemene ledenvergadering dd. 22 mei '24 deel ik u hierbij mede dat, met inachtneming van artikel 3.6b van de statuten, door de leden het vertrouwen in de samenwerking met u is opgezegd, en de samenwerking niet voortgezet kan worden.
Het betreft in deze geen bestuursbesluit, maar na een stemming van de aanwezige leden, een besluit, unaniem genomen, met 1 onthouding van stem. Het bestuur bekrachtigt in deze het besluit van de leden.
De gronden voor deze ontzetting uit het lidmaatschap komen voort uit de items zoals u deze zijn voorgelegd in de email welke door u ontvangen is op 22-05-2024, 12:13 verstuurd, met als titel "Ontwikkelingen en intenties". Voorts heeft u middels een whatsapp bericht zelf te kennen gegeven dit tijdens de vergadering te bespreken. Uit uw verklaringen (…) hebben de leden conclusies getrokken welke leiden tot het inzicht dat een basis voor verdere samenwerking en vertrouwen teniet is gedaan.
Zodra de administratie 2023 is afgerond, en deze is goedgekeurd door de ALV, gaan we over tot de financiële afwikkeling in deze. De lopende facturatie voor eventueel tot heden uitgevoerde diensten wordt als gebruikelijk verwerkt.”
3.7.
Bij brief van 21 februari 2025 heeft de advocaat van eisers zich namens [naam] en [eiser 1] tot [gedaagde] gewend. In deze brief wordt onder meer gesteld dat het lidmaatschap van [naam] en [eiser 1] niet rechtsgeldig is beëindigd en dat zij recht hebben op hun aandeel in de winst van [gedaagde] over 2023 en 2024.
3.8.
Bij brief van 13 maart 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] hierop gereageerd. In deze brief wordt onder meer gesteld dat [naam] en [eiser 1] rechtsgeldig uit het lidmaatschap van [gedaagde] zijn ontzet en dat [gedaagde] geen geldbedrag aan hen verschuldigd is.

4.Het geschil

4.1.
Eisers vorderen na eiswijzigingen, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1) voor recht te verklaren dat het besluit van [gedaagde] om eisers te ontzetten uit het lidmaatschap of hun lidmaatschap op te zeggen nietig is;
2) voor recht te verklaren dat het besluit van het bestuur van [gedaagde] om de contributie van eisers in te houden nietig is;
subsidiair
3) het besluit van het bestuur van [gedaagde] om de contributie van eisers in te houden te vernietigen;
in alle gevallen4) [gedaagde] te veroordelen om € 3.992,08 aan [eiser 1] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;
5) [gedaagde] te veroordelen om € 524,21 aan buitengerechtelijke kosten aan [eiser 1] te betalen;
6) [gedaagde] te veroordelen om € 9.025,35 aan [eiser 2] te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 9 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
7) [gedaagde] te veroordelen om € 479,70 aan [eiser 2] te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 23 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
8) [gedaagde] te veroordelen om € 16.060,17 aan [eiser 1] te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 9 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
9) [gedaagde] te veroordelen om € 5.194,70 aan [eiser 1] te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 23 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
10) [gedaagde] te veroordelen om € 862,73 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser 2] te betalen;
11) [gedaagde] te veroordelen om € 987,55 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser 1] te betalen;
12) [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na het vonnis.
4.2.
[gedaagde] vindt dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen of dat deze vorderingen afgewezen moeten worden, met veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van eisers in de proceskosten, vanaf veertien dagen na het vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.De beoordeling

De vorderingen van [eiser 2] zijn niet toewijsbaar
5.1.
[eiser 2] is een van de eisende partijen. [eiser 2] was echter geen lid van [gedaagde] en heeft uit hoofde van lidmaatschap dus niets te vorderen van [gedaagde]. [naam] en [eiser 2] kunnen niet met elkaar worden vereenzelvigd, al helemaal niet omdat [naam] niet de enige vennoot van [eiser 2] is. De vorderingen van [eiser 2] zijn dan ook niet toewijsbaar.
De rechtbank zal ook beoordelen of [naam] een vordering heeft op [gedaagde]
5.2.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling met partijen besproken hoe om te gaan met het feit dat [naam] geen vorderingen heeft ingesteld. Hij heeft verklaard dat hij hier niet bij heeft stilgestaan en dat hij geen onderscheid maakt tussen zichzelf en [eiser 2]. [gedaagde] doet dat volgens hem ook niet; haar brief van 23 mei 2024 is bijvoorbeeld naar [eiser 2] gemaild. [gedaagde] heeft laten weten dat zij er geen punt van wil maken dat [naam] formeel geen partij is in deze procedure.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat partijen zich in hun stukken en tijdens de mondelinge behandeling mede hebben uitgelaten over de vraag of [naam] iets te vorderen heeft van [gedaagde]. De sommatiebrief van 21 februari 2025 is mede namens hem geschreven. Gelet hierop en omdat [gedaagde] voor een praktische opstelling heeft gekozen, zal de rechtbank dat ook doen. Zij zal daarom, ook al is [eiser 2] in deze procedure een van de eisende partijen en [naam] niet, mede beoordelen en beslissen of [naam] iets te vorderen heeft van [gedaagde]. Hiermee wordt voorkomen dat [naam] alleen om formele redenen een nieuwe procedure moet starten tegen [gedaagde]; daarbij is niemand gebaat.
[gedaagde] heeft het lidmaatschap van [naam] en [eiser 1] opgezegd; zij zijn niet ontzet uit hun lidmaatschap
5.4.
[gedaagde] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat zij [naam] en [eiser 1] heeft ontzet uit het lidmaatschap. Ook [naam] en [eiser 1] gaan daar primair van uit.
5.5.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een ontzetting uit het lidmaatschap van [gedaagde] of van een opzegging daarvan is niet doorslaggevend of partijen het daarover eens zijn. Het gaat hier immers niet om een feitelijke vraag, maar om de vraag hoe de feiten in deze zaak juridisch gekwalificeerd moeten worden.
5.6.
De brieven van 23 mei 2024 van (het bestuur van) [gedaagde] moeten naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als opzeggingsbrieven. Dat blijkt allereerst uit het onderwerp dat in de briefhoofden is vermeld, namelijk “
opzegging lidmaatschap [gedaagde] per 22-05-2024”. Vervolgens staat in de brieven dat “
met inachtneming van artikel 3.6b van de statuten” het vertrouwen in de samenwerking is opgezegd en de samenwerking niet voortgezet kan worden. Artikel 3.6, aanhef en onder b, van de statuten van [gedaagde] gaat over opzegging van het lidmaatschap en niet (ook) over ontzetting uit het lidmaatschap; die ontzetting is geregeld in artikel 3 lid 7 van Pro de statuten. Verder is aan het einde van de brieven aangekondigd dat nog een afrekening zal plaatsvinden en dat eventuele facturen voor verrichte diensten op de gebruikelijke manier verwerkt zullen worden. Ook deze aankondiging wijst in de richting van een opzegging, omdat bij ontzetting uit het lidmaatschap in de visie van [gedaagde] geen (terug)betaling behoort plaats te vinden. Dat in de brieven van 23 mei 2024 ook één keer het woord ontzetting is vermeld, zonder nadere duiding of context, weegt tegen het voorgaande niet op.
5.7.
Wat het [gedaagde] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van ontzetting uit het lidmaatschap leidt niet tot een ander oordeel. De tekst en strekking van de brieven van 23 mei 2024 wijzen gelet op het voorgaande heel duidelijk in de richting van een opzegging. Voorts is van belang dat de brieven afkomstig zijn van [gedaagde] en dat het in de eerste plaats haar eigen verantwoordelijkheid is om daarin duidelijk tot uitdrukking te brengen wat zij beoogt. Als ontzetting uit het lidmaatschap was beoogd, had dat in de brief moeten staan. De rechtbank begrijpt dat (het bestuur van) [gedaagde] niet over specifieke juridische deskundigheid beschikt, maar dat geldt ook voor [naam] en [eiser 1]. Zij hoefden uit de brieven van 23 mei 2024 niet op te maken dat zij – ondanks de duidelijke tekst en strekking ervan – waren ontzet uit het lidmaatschap van [gedaagde]. De stelling van [gedaagde] dat het heel duidelijk is dat ontzetting uit het lidmaatschap is beoogd, is niet nader onderbouwd en strookt ook niet met de genoemde afrekening die nog zal plaatsvinden. Haar stellingen dat het verstrekkende gevolgen zou hebben als de rechtbank de brieven ziet als opzeggingsbrieven en dat dan gevreesd moet worden dat niemand meer in het bestuur van het [gedaagde] wil, zijn evenmin concreet onderbouwd, daargelaten of deze stellingen relevant kunnen zijn voor de uitleg van de brieven.
5.8.
De conclusie is dat [naam] en [eiser 1] niet zijn ontzet uit het lidmaatschap van [gedaagde], maar dat het [gedaagde] hun lidmaatschap heeft opgezegd.
De rechtbank hoeft niet te beoordelen of de opzegging van het lidmaatschap rechtmatig is en wijst vordering 1, 2 en 3 af wegens gebrek aan belang
5.9.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [naam] en [eiser 1] desgevraagd verklaard dat zij niet willen terugkeren als lid van [gedaagde]; daarvoor is er teveel gebeurd. Het gaat er wat hen betreft om dat er op een correcte manier wordt afgerekend. Gelet hierop en omdat partijen het erover eens zijn dat als het lidmaatschap is opgezegd alsnog een afrekening moet plaatsvinden, waar de rechtbank niet anders over denkt, hoeft de rechtbank niet te beoordelen of de opzegging van het lidmaatschap van [naam] en [eiser 1] rechtmatig is. Partijen hebben na de mondelinge behandeling van gedachten gewisseld over de manier waarop tussen hen moet worden afgerekend, uitgaande van het tijdens de mondelinge behandeling door de rechtbank gegeven (toen nog voorlopig) oordeel dat sprake is van opzegging van het lidmaatschap. De rechtbank zal deze discussie betrekken bij de beoordeling van vordering 6 en verder. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een zelfstandig belang bij vordering 1, 2 en 3, zodat die vorderingen worden afgewezen.
[eiser 1] heeft geen recht op een vergoeding in verband met de misgelopen opdracht op 1 en 2 juni 2024 en de rechtbank wijst vordering 4 en 5 daarom af
5.10.
[eiser 1] voert aan dat hij door de volgens hem onrechtmatige opzegging van het lidmaatschap een opdracht is misgelopen op 1 en 2 juni 2024. Hij vordert in dit verband € 3.992,08, het bedrag dat hij heeft verdiend met een vergelijkbare opdracht (vordering 4), en de buitengerechtelijke kosten over dat bedrag (vordering 5).
5.11.
Deze vorderingen zijn niet toewijsbaar. Als [eiser 1] het niet eens was met de opzegging van het lidmaatschap of als hij de opdracht van 1 en 2 juni 2024 ondanks de opzegging had willen uitvoeren, had van hem verwacht mogen worden dat hij dit had gemeld aan [gedaagde], zodat zij over die opdracht nadere afspraken hadden kunnen maken. Gesteld noch gebleken is dat hij dit heeft gedaan. Onder deze omstandigheden heeft [gedaagde] niet onrechtmatig gehandeld door de betreffende opdracht niet (mede) door [eiser 1] te laten uitvoeren en is zij hem geen vergoeding verschuldigd vanwege het mislopen van deze opdracht, ook niet als de opzegging van het lidmaatschap onrechtmatig zou zijn. Ook in dit kader hoeft de rechtbank de rechtmatigheid van de opzegging dus niet te beoordelen.
5.12.
Overigens is vordering 4 ook onvoldoende onderbouwd. [eiser 1] heeft niet toegelicht waarom de misgelopen opdracht zodanig vergelijkbaar is met een opdracht waarvoor hij € 3.992,08 heeft ontvangen dat de misgelopen inkomsten op dit bedrag begroot kunnen worden. Evenmin heeft hij geconcretiseerd welke kosten er tegenover de gestelde inkomsten staan.
De rechtbank stelt de afrekening tussen partijen vast op basis van de door [gedaagde] verstrekte cijfers
5.13.
In haar akte uitlaten van 20 mei 2026 stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat, als moet worden uitgegaan van een opzegging van het lidmaatschap en als [naam] en [eiser 1] op dezelfde manier behandeld moeten worden als de (andere) leden, [gedaagde] aan hen de volgende bedragen verschuldigd zou zijn.
2023
2024
totaal
[naam]
€ 8.891,87
€ 257,37
€ 9.149,24
[eiser 1]
€ 16.060,71
€ 2.941,84
€ 19.002,55
5.14.
In deze bedragen is een restitutie van contributie begrepen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat [naam] en [eiser 1] op dit punt anders behandeld kunnen worden dan de leden van [gedaagde]. Het betoog van [gedaagde] dat zij een discretionaire bevoegdheid heeft om een besluit over de restitutie van contributie aan [naam] en [eiser 1] te nemen, kan haar dan ook niet baten.
5.15.
[naam] stelt dat [gedaagde] drie van zijn facturen ten onrechte niet bij de berekening heeft betrokken. [gedaagde] betwist dit; twee facturen zien op het jaar 2022 en één factuur ziet op zijn aanwezigheid bij een algemene ledenvergadering en dus niet op voor [gedaagde] gewerkte uren. Gelet op deze gemotiveerde betwisting heeft [naam] onvoldoende onderbouwd dat de door [gedaagde] opgestelde afrekening op dit punt onjuist is.
5.16.
[naam] en [eiser 1] voeren verder aan dat [gedaagde] over 2024 met een te laag bedrag heeft gerekend; de jaarrekening 2024 laat een hoger bedrag zien. [gedaagde] betwist dit. Zij heeft gerekend met het bedrag dat na het boekjaar 2024 daadwerkelijk over de leden is verdeeld; het meerdere is toegevoegd aan de reserves. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] hebben [naam] en [eiser 1] onvoldoende onderbouwd dat de door [gedaagde] opgestelde afrekening op dit punt onjuist is.
5.17.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de beëindiging van het lidmaatschap van [naam] en [eiser 1] in mindering moeten worden gebracht op het aan hen te betalen bedrag. [naam] en [eiser 1] zijn het daar niet mee eens.
De rechtbank ziet geen juridische grondslag om deze kosten in mindering te brengen op de aan [naam] en [eiser 1] te betalen bedragen. Het komt vaker voor dat een rechtspersoon met leden (zoals een coöperatie of een vereniging) kosten maakt die specifiek verband houden met enkele leden, maar dat levert op zichzelf nog geen rechtsgrond op om die kosten op de betreffende leden te verhalen. Voor zover in het betoog van [gedaagde] de stelling ligt besloten dat [naam] en [eiser 1] haar onrechtmatige concurrentie hebben aangedaan, heeft zij deze stelling onvoldoende onderbouwd.
Omdat [gedaagde] hierover geen standpunt heeft ingenomen en het om een gering bedrag zou gaan, heeft de rechtbank ervan afgezien om partijen zich te laten uitlaten over de vraag of deze kosten wellicht over alle leden omgeslagen moeten worden en vervolgens voor een deel alsnog voor rekening van [naam] en [eiser 1] kunnen worden gebracht.
5.18.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de in 5.13 vermelde bedragen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de door [naam] en [eiser 1] gevorderde data. Zij hebben de grondslag voor de gevorderde wettelijke handelsrente niet toegelicht en [gedaagde] heeft geen specifiek verweer gevoerd tegen de gevorderde ingangsdata van de rente, die naar [naam] en [eiser 1] hebben toegelicht aansluiten bij de data waarop [gedaagde] de betreffende betalingsverbintenissen ten aanzien van haar leden is nagekomen. De vorderingen worden in zoverre toegewezen en voor het overige afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
5.19.
Voor zover [gedaagde] betwist dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, volgt de rechtbank deze betwisting reeds gelet op de brief van 21 februari 2025 van de advocaat van [naam] en [eiser 1] niet. Omdat [naam] formeel geen eisende partij is, maar de advocaat van eisers feitelijk ook voor hem werkzaamheden heeft verricht, acht de rechtbank het redelijk om de buitengerechtelijke kosten te begroten op basis van het totaalbedrag dat aan [naam] en [eiser 1] samen in hoofdsom wordt toegewezen, namelijk (€ 9.149,24 plus € 19.002,55 is) € 28.151,79. Gelet hierop moet [gedaagde] aan [naam] en [eiser 1] samen in totaal € 1.782,59 aan buitenwettelijke kosten betalen.
Proceskosten
5.20.
Omdat de ingestelde geldvorderingen voor een belangrijk deel worden toegewezen, is [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te beschouwen. Zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten.
De rechtbank acht het redelijk om de proceskosten voor [naam] en [eiser 1] gezamenlijk te begroten op basis van tarief III, dat hoort bij het totaalbedrag dat aan hen in hoofdsom wordt toegewezen, namelijk (€ 9.149,24 plus € 19.002,55 plus € 1.782,59 is) € 29.934,38.
- dagvaarding € 147,42
- griffierecht € 1.374,00
- salaris advocaat € 2.090,00*
- nakosten
€ 189,00(plus eventuele vergoeding, zie de beslissing)
TOTAAL € 3.800,42
* 1 punt voor de dagvaarding, 1 punt voor de mondelinge behandeling en 0,5 punt voor de akte van 8 april 2026, tarief € 836,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser 2] af;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om € 9.149,24 aan [naam] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 8.891,87 vanaf 9 december 2024 en met de wettelijke rente over € 257,37 vanaf 23 mei 2025, in beide gevallen tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om € 19.001,55 aan [eiser 1] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 16.060,71 vanaf 9 december 2024 en met de wettelijke rente over € 2.941,84 vanaf 23 mei 2025, in beide gevallen tot de dag van volledige betaling;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [naam] en [eiser 1] samen in totaal € 1.782,59 aan buitengerechtelijke kosten te betalen;
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [naam] en [eiser 1] samen vastgesteld op € 3.800,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.7.
verklaart 6.2 tot en met 6.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Welter-Dekkers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
3194/3268