ECLI:NL:RBROT:2026:854

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712986 / KG ZA 26-20
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:29 lid 1 BWArt. 3:29 lid 4 BWArt. 3:274 lid 1 BWArt. 3:274 lid 3 BWArt. 334 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waardeloosverklaring hypotheekrecht na ontbinding schuldeiser

Eisers hebben in 1991 een woning gekocht en gefinancierd met een lening van Geevers, waarvoor een hypotheekrecht is gevestigd. De lening is in 1994 volledig afgelost. In 2025 verkochten eisers de woning, maar de notaris constateerde dat het hypotheekrecht niet was doorgehaald. Omdat Geevers in 2006 is ontbonden na faillissement, kan het hypotheekrecht niet meer worden doorgehaald.

Eisers vorderen waardeloosverklaring van het hypotheekrecht op grond van artikel 3:29 lid 1 BW Pro. De rechtbank oordeelt dat eisers onmiddellijk belanghebbenden zijn en dat het hypotheekrecht teniet is gegaan. De inschrijving wordt daarom waardeloos verklaard.

De rechtbank verklaart eisers niet-ontvankelijk voor zover de vordering tegen Geevers is gericht, omdat deze rechtspersoon niet meer bestaat. De uitspraak gaat direct in kracht van gewijsde omdat eisers afzien van hoger beroep. Proceskosten worden gecompenseerd omdat de gedaagde partij niet meer bestaat.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de hypothecaire inschrijving waardeloos en wijst de vordering toe.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712986 / KG ZA 26-20
Vonnis in kort geding van 29 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],2. [eiser 2],

woonplaats: Capelle aan den IJssel,
eisende partijen,
advocaat: mr. M.H.Z. Brouwers,
tegen
AUTO-ONDERDELEN GEEVERS B.V. in liquidatie,
laatste statutaire vestigingsplaats: Veldhoven,
gedaagde partij,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna [eiser 1], [eiser 2] en Geevers genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 20 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 13;
  • de mondelinge behandeling op 29 januari 2026.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen het volgende. [eiser 1] en [eiser 2] hebben in 1991 de woning aan het adres [adres] en het daarbij behorende appartementsrecht met het recht op gebruik van een parkeerplaats gekocht. [eiser 1] en [eiser 2] hebben die aankoop onder andere gefinancierd door 50.000,00 gulden van Geevers te lenen. Als zekerheid voor de terugbetaling van die geldlening en de kosten hebben [eiser 1] en [eiser 2] ten gunste van Geevers een hypotheekrecht op de woning en de bijbehorende parkeerplaats gevestigd. De geldlening is in 1994 volledig afgelost. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de woning en de bijbehorende parkeerplaats in 2025 verkocht. Voorafgaand aan de levering constateerde de notaris dat het hypotheekrecht ten gunste van Geevers nooit is doorgehaald. De overdracht van de woning en de bijbehorende parkeerplaats heeft inmiddels plaatsgevonden. Daarbij is een bedrag van € 35.000,00 in depot gehouden op de derdengeldrekening van de notaris, omdat [eiser 1] en [eiser 2] de woning en de bijbehorende parkeerplaats niet onbezwaard konden leveren. Aangezien Geevers op 1 februari 2006 is ontbonden door opheffing van het faillissement en inmiddels niet meer bestaat, is er geen mogelijkheid om het hypotheekrecht alsnog door Geevers te laten doorhalen. Daarom vorderen [eiser 1] en [eiser 2] in deze zaak dat het hypotheekrecht waardeloos wordt verklaard.
De wetsartikelen die van toepassing zijn
2.2.
Artikel 3:274 lid 1 BW Pro bepaalt dat wanneer een hypotheek is tenietgegaan, de schuldeiser verplicht is om aan de rechthebbende op het bezwaarde goed bij authentieke akte een verklaring af te geven dat de hypotheek is vervallen. In lid 3 van dit artikel is bepaald dat wanneer de vereiste verklaring niet wordt afgegeven, artikel 3:29 BW Pro van overeenkomstige toepassing is. Artikel 3:29 lid 1 BW Pro bepaalt dat wanneer de vereiste verklaring niet wordt afgegeven de rechtbank de inschrijving waardeloos verklaart op vordering van de onmiddellijk belanghebbende.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn niet-ontvankelijk
2.3.
Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is Geevers in 2004 in staat van faillissement verklaard en is het faillissement op 1 februari 2006 opgeheven vanwege een gebrek aan baten. Dit blijkt ook uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 7 november 2025 (bijlage 1). Hierdoor hield Geevers op te bestaan. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dus een vennootschap gedagvaard die niet meer bestaat. Een rechtspersoon die niet meer bestaat, kan geen partij zijn in een procedure. [eiser 1] en [eiser 2] worden daarom niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering voor zover die is gericht tegen Geevers.
De inschrijving van het hypotheekrecht wordt waardeloos verklaard
2.4.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn aan te merken als onmiddellijk belanghebbenden in de zin van artikel 3:29 lid 1 BW Pro en op grond daarvan hebben zij een zelfstandig belang om de inschrijving van het hypotheekrecht waardeloos te (laten) verklaren als degene die de verklaring had behoren af te geven dat niet doet (en inmiddels ook niet meer kan doen).
2.5.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat zij de geldlening, waarvoor het hypotheekrecht aan Geevers is verstrekt, in 1994 hebben afgelost en dat er dus geen vordering van Geevers op hen meer bestaat. Dit onderbouwen [eiser 1] en [eiser 2] onder meer met de notariële akte van geldlening van 1 maart 1991 (bijlage 5), waaruit blijkt dat de geldlening uiterlijk op 28 februari 1994 in zijn geheel moest zijn terugbetaald. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] een door de voormalige indirect bestuurder van Geevers ondertekende verklaring in het geding gebracht (bijlage 12), waarin wordt bevestigd dat de geldlening volledig is afgelost.
2.6.
Gelet op het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat het hypotheekrecht van Geevers teniet is gegaan en dat de inschrijving daarvan waardeloos is. De voorzieningenrechter verklaart de hierna onder de beslissing opgenomen hypothecaire inschrijving dan ook waardeloos. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daar voldoende spoedeisend belang bij, omdat zij de koopovereenkomst voor de woning en de bijbehorende parkeerplaats zo snel mogelijk volledig willen nakomen, ter voorkoming van wanprestatie. Bovendien hebben [eiser 1] en [eiser 2] gesteld dat [eiser 1] ernstig ziek is en dat de kwestie rondom het hypotheekrecht hem een hoop stress en onzekerheid oplevert, wat zijn gezondheid niet ten goede komt.
Kracht van gewijsde
2.7.
Op grond van artikel 3:29 lid 4 BW Pro kan de verklaring van waardeloosheid die dit vonnis bevat, niet eerder worden ingeschreven dan nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Dit vonnis gaat pas in kracht van gewijsde als er geen rechtsmiddel meer open staat. De hoger beroepstermijn voor dit vonnis bedraagt vier weken. Een manier om dit vonnis onmiddellijk in kracht van gewijsde te laten gaan, is dat [eiser 1] en [eiser 2] afzien van hun recht op hoger beroep en berusten in dit vonnis (artikel 334 Rv Pro). [eiser 1] en [eiser 2] hebben in de dagvaarding uitdrukkelijk verklaard van hun recht op hoger beroep af te zien als hun vordering wordt toegewezen en dat laatste doet de voorzieningenrechter. Dit betekent dat het vonnis meteen in kracht van gewijsde gaat en kan worden ingeschreven.
De proceskosten
2.8.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben verklaard dat zij hun eigen kosten zullen dragen en de gedaagde partij bestaat niet meer. De voorzieningenrechter compenseert daarom de proceskosten.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
verklaart [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk in hun vordering tegen Geevers;
3.2.
verklaart voor recht dat de hypothecaire inschrijving ten behoeve van Geevers en ten laste van [eiser 1] en [eiser 2] op de woning en het bijbehorende appartementsrecht met het recht op gebruik van een parkeerplaats aan de [adres], kadastraal bekend bij de [perceel], waardeloos is in de zin van artikel 3:29 BW Pro;
3.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
verklaart 3.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
3349/3194