ECLI:NL:RBROT:2026:8578

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/10/717574 / JE RK 26-640
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een vijfjarige minderjarige die sinds drie jaar bij pleegouders verblijft. De moeder heeft het ouderlijk gezag en heeft de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt, onder meer door het positief afronden van een NIKA-traject, maar de omgang met de minderjarige is nog beperkt.

De kinderrechter constateert dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door haar instabiele verleden en dat zij meer zorg nodig heeft dan leeftijdsgenoten. De pleegouders bieden een stabiele omgeving waarin de minderjarige zich goed ontwikkelt. De GI wil de omgang tussen moeder en kind uitbreiden en het perspectief voor de minderjarige nader bepalen.

De moeder maakt zich zorgen over de uitbreiding van de omgang en wijst op praktische bezwaren zoals reistijd en kosten. De oma van moederszijde steunt de verlenging en benadrukt het belang van het welzijn van de minderjarige, die na omgang vermoeid raakt.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan, verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Er wordt benadrukt dat het belang van de minderjarige leidend is en dat de GI voortvarend moet werken aan duidelijkheid over het opgroeiperspectief.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 14 mei 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 14 november 2026, met onmiddellijke ingang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717574 / JE RK 26-640
Datum uitspraak: 11 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. D.G.A. Rossi, kantoorhoudende te Kerkrade,
[naam pleegvader ] en [naam pleegmoeder],
de stiefopa en oma van moederszijde (mz), hierna te noemen: de pleegouders, wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 2 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • de tussenevaluatie van Enver, ontvangen op 7 april 2026;
  • de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • de producties van mr. Rossi, binnengekomen bij de rechtbank op 5 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat (
  • de oma mz;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] .
1.3.
De stiefopa mz is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefopa mz wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan de begeleider van de moeder, [naam 2] (
via een videoverbinding).
1.5.
Partijen hebben ter zitting ingestemd met de behandeling van het verzoekschrift door de rechtbank te Rotterdam.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de pleegouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 mei 2026. Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verlengd tot 14 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting handhaaft de GI het verzoek en licht dit als volgt toe. De moeder heeft de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt. Zij heeft het NIKA-traject positief afgerond en kan nu beter aansluiten bij [minderjarige] . [minderjarige] is aangemeld bij Yulius en binnenkort zal NIKA starten bij de pleegouders. [minderjarige] vraagt veel van haar opvoeders. De GI twijfelt of de moeder haar dit kan bieden. De GI wil de komende periode de omgang tussen de moeder en [minderjarige] uitbreiden om te kijken hoe de moeder haar rol vormgeeft. Ook hoopt de GI de komende zes maanden een opvoedvisie te vormen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder maakt zich zorgen over de uitbreiding van de omgang. Zij heeft positieve stappen gezet, maar tot nu toe is de omgang onvoldoende uitgebreid. De moeder is het eens met de GI dat het perspectief moet worden bepaald, maar dan moet er eerst worden gekeken of thuisplaatsing mogelijk is. Daarnaast had de moeder gehoopt dat de GI meer rekening zou houden met praktische aspecten in het kader van de omgang zoals de reistijd en de reiskosten. De moeder ziet in dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nodig is, maar hoopt dat de komende periode optimaal wordt benut om de omgang uit te breiden.
4.2.
De oma mz staat achter een verlenging van ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De oma mz vindt het belangrijk dat er wordt gekeken naar wat er in het belang van [minderjarige] is. Het gaat goed met [minderjarige] bij de pleegouders en [minderjarige] gaat inmiddels naar school. De oma mz begrijpt dat twee uur omgang voor de moeder kort is. Tegelijkertijd ziet de oma mz dat [minderjarige] na de omgang erg vermoeid is.
5.
De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De vijfjarige [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Zij heeft in haar jonge leven al enorm veel meegemaakt en heeft veel instabiliteit gekend. Door alle gebeurtenissen heeft [minderjarige] meer nodig van een opvoeder dan andere kinderen van haar leeftijd. Zij verblijft al drie jaar bij de pleegouders en daar ontwikkelt zij zich goed. De afgelopen periode heeft de moeder hard aan zichzelf gewerkt. De kinderrechter heeft de moeder daarvoor ter zitting gecomplimenteerd. Inmiddels is er weer sprake van structureel contact tussen de moeder en [minderjarige] . De komende tijd moet worden gekeken hoe de omgang verder kan worden uitgebreid. Daarnaast bestaat er nog onduidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] . De kinderrechter is het met alle betrokkenen eens dat er op korte termijn duidelijkheid moet komen voor [minderjarige] . Daarbij is het belangrijk dat de moeder voldoende de mogelijkheid krijgt om te laten zien wat zij kan betekenen voor [minderjarige] . Er moet worden gekeken of de moeder over voldoende opvoedvaardigheden beschikt en in welke mate zij de stabiliteit en structuur kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. Daarnaast hoopt de kinderrechter dat de GI de moeder - waar mogelijk - tegemoetkomt als het gaat om de forse reisafstand. Tegelijkertijd moet er rekening worden gehouden met het welzijn van [minderjarige] . Het traject bij Yulius zal het nodige van haar vragen en zij moet de reisbewegingen en de omgang met de moeder aankunnen. De GI zal de komende tijd moeten monitoren hoe dit verloopt en erop moeten toezien dat de uitbreiding van de omgang binnen de mogelijkheden van [minderjarige] past. De kinderrechter benadrukt dat het belang van [minderjarige] leidend is. Ter zitting is ook de mogelijkheid van een gezinsopname ter sprake gekomen, waarvoor over het algemeen wachtlijsten bestaan. De kinderrechter dringt er dan ook op aan dat de GI voortvarend te werk gaat, omdat [minderjarige] duidelijkheid verdient over haar opgroeiperspectief.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] als onweersproken verlengen voor de duur van een jaar. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Ook tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is ter zitting geen verweer gevoerd. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 14 november 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 14 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.