ECLI:NL:RBROT:2026:8580

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/10/719529 / JE RK 26-911
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds juni 2025 onder toezicht staat en in een jeugdhulpaccommodatie verblijft. De zitting vond plaats op 11 juni 2026, waarbij de moeder, een vertegenwoordiger van de GI en een beëdigde tolk aanwezig waren. De moeder voert verweer en stelt dat zij goed voor de minderjarige zorgt en bezig is met het vinden van een woning.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door onder meer veel schoolverzuim en betrokkenheid bij een vechtpartij. De minderjarige draagt een groot verantwoordelijkheidsgevoel richting de moeder en wordt belast met volwassenenproblematiek. De woonsituatie van de moeder is onzeker omdat zij haar huidige woning moet verlaten en een urgentieaanvraag loopt. De kinderrechter acht de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om de noodzakelijke structuur en veiligheid te waarborgen.

Er is overeenstemming dat de minderjarige weer bij de moeder kan wonen zodra zij een eigen woning heeft. Tot die tijd blijft het verblijf in de jeugdhulpaccommodatie met begeleiding van een JIM-trainer gehandhaafd. De GI zal een tweesporenbeleid voeren, waarbij ook wordt gekeken naar zelfstandig wonen voor het geval de urgentieaanvraag wordt afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/719529 / JE RK 26-911
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 8 mei 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Arabisch (Irakees), heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van L. Murad, tolk in de taal Arabisch (Irakees). De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [verblijfplaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 18 juni 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 18 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De GI maakt zich zorgen over het schoolverzuim van [minderjarige] . Ook is hij betrokken geraakt bij een vechtpartij. Daarnaast heeft [minderjarige] een groot verantwoordelijkheidsgevoel richting de moeder. Zo meldt hij zich ziek op school om met de moeder naar afspraken toe te gaan. Hierdoor wordt hij belast met volwassenenproblematiek. Ook is er nog veel onduidelijk over de toekomstige woonplek van [minderjarige] . De moeder beschikt nog niet over een eigen woning, waardoor het onduidelijk is of [minderjarige] bij de moeder kan wonen. Er is een urgentieaanvraag ingediend. De GI wil een tweesporenbeleid hanteren voor het geval dat de moeder geen urgentie krijgt. De JIM-trainer van [minderjarige] gaat daarom ook kijken naar een vorm van zelfstandig wonen.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder voert ter zitting verweer tegen het verzoek van de GI. Sinds de moeder in Nederland is, zorgt zij goed voor [minderjarige] . [minderjarige] slaapt vier dagen in de week bij de moeder en de moeder is bezig met het vinden van een woning. Een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn niet nodig.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn zorgen over het vele schoolverzuim van [minderjarige] . De school heeft hem aangemeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin en de jeugdreclassering is betrokken vanwege het vechtincident. [minderjarige] heeft een groot verantwoordelijkheidsgevoel richting de moeder en hij helpt de moeder met veel dingen. Hierdoor wordt [minderjarige] belast met volwassenenproblematiek. Daarnaast is er sprake van veel onduidelijkheid over de woonsituatie van de moeder. De moeder moet de woning waar zij nu verblijft verlaten en er is een aanvraag voor urgentie ingediend. Het is nog onduidelijk of deze aanvraag wordt toegewezen. De kinderrechter ziet een moeder die het beste wil voor [minderjarige] . Gezien het feit dat de moeder niet over een eigen woonruimte beschikt, is de moeder alleen op dit moment niet in staat om [minderjarige] de noodzakelijke structuur en veiligheid te bieden. Het is belangrijk dat er de komende periode duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] .
5.3.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Ter zitting is gebleken dat iedereen het er over eens is dat [minderjarige] weer bij de moeder kan wonen, wanneer zij een eigen woning heeft. Tot die tijd is het in het belang van [minderjarige] dat zijn verblijf bij het Uitwijkhuis wordt gecontinueerd. [minderjarige] krijgt hier begeleiding van een JIM-trainer. De kinderrechter acht het met de GI van belang dat er een tweesporenbeleid wordt ingezet. De moeder heeft ter zitting aangegeven naar een vrouwenopvang te gaan als de urgentieaanvraag wordt afgewezen. Dit is alleen geen plek waar zij met [minderjarige] naar toe kan. De GI zal er daarom op toe moeten zien dat er, samen met [minderjarige] , ook stappen worden gezet richting een vorm van zelfstandig wonen, voor het geval de moeder geen urgentie krijgt.
5.5.
De kinderrechter verlengd te machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 18 juni 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 juni 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.