Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De zaak in het kort
primairdat wordt bepaald dat de vrouw haar medewerking moet verlenen aan overname van de woning door de man, en
subsidiairdat wordt bepaald dat de woning aan een derde moet worden verkocht en dat de vrouw daar haar medewerking aan moet verlenen. De vrouw is het niet eens met de vorderingen van de man, omdat zij vindt dat zij nog een aanvullende termijn moet krijgen om de woning over te nemen. Daarom vordert de vrouw als tegenvordering – kort gezegd – dat de man wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan overname van de woning door de vrouw uiterlijk op 1 mei 2026. De voorzieningenrechter beveelt de vrouw om haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde en bepaalt dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van die medewerking. De overige (tegen)vorderingen worden afgewezen. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
2.De procedure
- de dagvaarding van 9 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 12;
- de aanvullende bijlagen 13 tot en met 17 van de man;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie (tegenvordering), met bijlagen 1 tot en met 4;
- de mondelinge behandeling op 23 januari 2026.
3.Het geschil in conventie en in reconventie
4.De beoordeling in conventie en in reconventie
3.3.11. Partijen zijn het erover eens dat de woning eerst getaxeerd moet worden en hebben verzocht het zogenaamde ‘spoorboekje’ op te nemen in de beschikking. De rechtbank zal gehoor geven aan dit verzoek en het volgende bepalen.
5.De beslissing
3349 / 1980