ECLI:NL:RBROT:2026:8623

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
13/031968-25 en 10/201648-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor twee pogingen tot gewapende winkelovervallen met deels voorwaardelijke jeugddetentie

De rechtbank Rotterdam heeft op 24 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 15-jarige verdachte die werd verdacht van twee pogingen tot gewapende winkelovervallen, gepleegd in januari en mei 2025. De feiten betroffen een poging diefstal met geweld bij een supermarkt en een juwelier, waarbij een alarmpistool en gezichtsbedekkende kleding werden gebruikt. De verdachte bekende de feiten.

De rechtbank achtte de feiten bewezen en strafbaar, waarbij medeplegen en verboden wapenbezit werden vastgesteld. De verdachte was ten tijde van de feiten minderjarig, waardoor het jeugdstrafrecht van toepassing was. De rechtbank legde een deels voorwaardelijke jeugddetentie van 360 dagen op, waarvan 256 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op gedragsbeïnvloeding en begeleiding.

Daarnaast werd een werkstraf van 120 uur opgelegd, met een vervangende jeugddetentie van 60 dagen bij niet-naleving. De benadeelde partij kreeg een immateriële schadevergoeding van €3.000,- toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het eerste delict. De rechtbank motiveerde de strafmaat aan de hand van de ernst van de feiten, de impact op slachtoffers en de positieve ontwikkeling van de verdachte sinds zijn aanhouding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot deels voorwaardelijke jeugddetentie van 360 dagen, werkstraf van 120 uur en schadevergoeding van €3.000,- aan benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummers: 13/031968-25 en 10/201648-25 (gevoegd op zitting)
Datum uitspraak: 24 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres], [postcode] in [plaatsnaam],
raadsman mr. D.A.W. Dekker, advocaat te Amsterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 10 april 2026.

2.Tenlastelegging

De verdachte staat terecht op de beschuldiging van meerdere strafbare feiten. Onder parketnummer 13/031968-25 wordt hem een poging tot diefstal met geweld bij een supermarkt (feit 1) en verboden wapenbezit (feit 2) verweten. Onder parketnummer 10/201648-25 wordt hem een poging tot diefstal met geweld bij een juwelier verweten. In de kern genomen gaat het om twee (pogingen tot) gewapende winkelovervallen. De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 13/031968-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/201648-25 onder primair ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 240 dagen met aftrek
  • met opdracht aan de jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • veroordeling van de verdachte tot werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie.

4.Waardering van het bewijs

De verdachte heeft het ten laste gelegde bekend. Gelet daarop en de andere bewijsmiddelen genoemd in bijlage II is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
Parketnummer 13/031968-25
1
hij op
of omstreeks28 januari 2025 te Diemen,
in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader
(s)voorgenomen
misdrijf om geld en
/ofsigaretten,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele
aan winkelbedrijf CIGO Diemen Zuid,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan
,ente doen vergezellen
en/of te doen
volgenvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen winkelmedewerker [slachtoffer 1]
, te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden
ofen
gemakkelijk te maken
, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of
andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het
bezit van het gestolene te verzekeren,
op dreigende toon om geld en
/ofsigaretten heeft gevraagd en
/ofeen
vuurwapen
, te weten een alarmpistool,op die [slachtoffer 1] en
/ofwinkelklanten heeft gericht en
/ofeen
vuurwapen
, te weten een alarmpistool,tegen het hoofd
, althans tegen het lichaamvan die [slachtoffer 1] heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op
of omstreeks28 januari 2025 te Diemen,
in elk geval in Nederland,tezamen
en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen, een wapen in de zin van
artikel 1 onder Pro 4e, gelet op artikel 2 lid 1 van Procategorie III, onder 4 van de Wet
wapens en munitie, te weten een alarmpistool van het merk BBM, model GAP,
kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad;
Parketnummer 10/201648-25
hij op 21 mei 2025 te Schiedam tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader
(s)voorgenomen
misdrijf om
sieraden, althansgoederen, die aan [naam juwelier], gevestigd aan
de Hoogstraat 90, toebehoorde
(n
)weg te nemen met het oogmerk om
hetzich
deze goederenwederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan
,en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,
en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of
deandere deelnemer
(s)aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- met gezichtsbedekkende kleding
opnaar die juwelier is gegaan en
- naar de voordeur van
vande juwelier is gerend, en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en
/ofeen
hamer heeft getoond aan die [slachtoffer 2] en
/ofzichtbaar heeft gedragen, en
- op de deur van die juwelier heeft geklopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
Parketnummer 13/031968-25
1.
poging diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
2.
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Parketnummer 10/201648-25
poging diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van (bedreiging met) geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straffen

7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan twee (pogingen tot) gewapende overvallen.
Allereerst heeft de verdachte op 28 januari 2025 samen met een andere minderjarige verdachte zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op de winkel CIGO Diemen Zuid. Hierbij hebben de verdachte en de medeverdachte geprobeerd om onder bedreiging van een alarmpistool geld en sigaretten weg te nemen. De medeverdachte heeft tijdens de overval het alarmpistool gepakt en getoond aan de klanten in de winkel en de medewerkster. De verdachte heeft daarna het alarmpistool tegen het hoofd van de medewerkster aangehouden. De verdachten zijn uiteindelijk zonder buit weggevlucht. Bij zijn aanhouding werd bij de verdachte een alarmpistool aangetroffen.
Op 21 mei 2025 heeft de verdachte wederom samen met een ander geprobeerd een overval te plegen, ditmaal op een juwelier. Daarbij stonden de verdachte en de medeverdachte gekleed in donkere kleding en met gelaatsbedekking voor de deur van de juwelierszaak met zichtbaar een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een hamer in hun handen. Daarmee hebben zij ook op de voordeur gebonkt. Omdat de juwelier hen al had gezien en tijdig op de noodknop wist te drukken waardoor het alarm afging, was de voordeur gesloten. Toen zij niet binnen wisten te komen, sloegen de verdachte en de medeverdachte op de vlucht.
Deze feiten moeten voor de slachtoffers zeer beangstigend zijn geweest. De medewerkster van de CIGO heeft bij de politie verklaard dat zij dacht dat zij dood zou gaan. Ook voor de klanten in de winkel is daar een bedreigende situatie ontstaan. Hoewel het de verdachten bij de juwelier in Schiedam niet gelukt is om binnen te komen, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de juwelier dat dit feit een grote impact op hem heeft gemaakt. Dit soort feiten veroorzaken ook breder binnen de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid en vormen een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Verdachte heeft hier geen rekening mee gehouden en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De verdachte is niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaring van de deskundig op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 maart 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Er zijn meerdere beschermende factoren in het leven van de verdachte. Hij heeft
betrokken ouders, houdt zich aan de regels thuis, is goed bezig op school en heeft een positieve vrijetijdsbesteding. Naast de beschermende factoren zijn er ook risicofactoren aanwezig. Het gezin heeft beperkte financiële mogelijkheden, wat deels van invloed kon zijn op het delictgedrag van de verdachte. Daarnaast blowt de verdachte regelmatig en gaat hij om met jongeren die bekend zijn bij justitie. De verdachte kan aansturing gebruiken om trouw zijn medicatie (psychostimulans), die bevorderlijk werkt voor zijn concentratie en impulscontrole, te blijven gebruiken. De verdachte krijgt behandeling bij De Waag en kan aansluitend profiteren van de begeleiding door een jongerencoach om ervoor te zorgen dat er verder gewerkt wordt aan het vergroten van zijn vaardigheden en dat hij goede keuzes blijft maken.
De Raad adviseert een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
- naar school zal gaan volgens rooster en zich zal houden aan de regels en afspraken van school;
- zich zal inzetten voor het hebben en behouden van een zinvolle vrijetijdsbesteding in de vorm van een sport en/of een bijbaan;
- zijn medewerking zal verlenen aan behandeling van de Waag, en de begeleiding door een jongerencoach, indien de jeugdreclassering het nodig acht;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten.
De jeugdreclasseringheeft een briefrapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 1 april 2026. De jeugdreclassering adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan de begeleiding van de jeugdreclassering,
- meewerkt aan behandeling bij De Waag,
- meewerkt aan de begeleiding van jongerencoach van Boba of een vergelijkbare instantie,
- naar school gaat volgens rooster,
- zich inspant voor het hebben van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van sport en/of bijbaan,
- meewerkt aan een contactverbod met de slachtoffers,
- meewerkt aan een locatieverbod voor Diemen en Schiedam Centrum.
Daarnaast adviseert de jeugdreclassering oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf.
Ter zitting is door de jeugdreclassering, vertegenwoordigd door [naam], onder meer het volgende naar voren gebracht:
Na de eerste gewapende overval is de verdachte aangemeld voor behandeling bij De Waag. De verdachte had hier een goede start mee gemaakt, echter werd hij kort hierna aangehouden voor het tweede delict. De verdachte is vervolgens de gehele zomervakantie gedetineerd geweest in de Hartelborgt. We hebben kunnen regelen dat de behandeling van De Waag doorliep in de Hartelborgt. De voorlopige hechtenis van de verdachte is eind augustus 2025 wederom geschorst onder (strengere) voorwaarden, waaronder een enkelband met een avondklok. Sinds zijn schorsing heeft de verdachte een positieve ontwikkeling laten zien. Hij houdt zich goed aan de afspraken, werkt mee aan zijn behandeling bij De Waag, en het gaat goed met hem op school. Bij een veroordeling ziet de jeugdreclassering het liefst dat er een (deels)voorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd gelijk aan het voorarrest, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. Daarnaast kan er een taakstraf in de vorm van een werkstraf worden opgelegd. De behandeling bij De Waag zal over drie maanden worden afgesloten, waarna de verdachte zal worden overgedragen aan een Boba coach.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de strafbare feiten (15 jaar) is het jeugdstrafrecht van toepassing. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk minder op het straffen zelf, en meer op gedragsverandering, begeleiding en heropvoeding van minderjarigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van hun ontwikkeling.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten die in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen, die van langere duur is dan het voorarrest van de verdachte. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank echter mee dat de verdachte een first offender is en dat hij sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in de laatste zaak een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De verdachte heeft laten zien dat hij inzicht heeft in wat hij heeft gedaan, en dat hij vastbesloten is om voortaan andere keuzes te maken. Hij werkt goed mee aan de behandeling bij De Waag. De rechtbank acht het daarom onwenselijk deze ontwikkeling te doorkruisen door hem terug te sturen naar de jeugdgevangenis. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een deel van de voorgenomen jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet aanleiding om een hoger voorwaardelijk strafdeel op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, gelet op de ernst van de feiten en de rol van de verdachte hierbij.
Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur, opleggen. Ook hier ziet de rechtbank aanleiding om een hoger aantal uren taakstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, gelet op de ernst van de feiten en de rol van de verdachte hierbij.
De verdediging heeft verzocht de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder verhoogde beïnvloedbaarheid in combinatie met beperkte impulsregulatie en een belaste voorgeschiedenis.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Uit de overgelegde rapportages blijkt niet dat ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten sprake was van een psychische stoornis bij de verdachte. De omstandigheden die de verdediging aanhaalt acht de rechtbank onvoldoende om tot verminderde toerekeningsvatbaarheid te komen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8.Vordering benadeelde partij schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13/031968-25 onder 1 tenlastegelegde feit.
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel hoofdelijk toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij te matigen tot een bedrag van € 3.000,- en daarmee aansluiting te zoeken bij categorie 19.1 van de Rotterdamse Schaal. Ook heeft de verdediging verzocht om bij (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering de verdachte en de medeverdachte ieder de helft van de schade te laten betalen door geen hoofdelijkheid op te leggen.
8.3.
Beoordeling
Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals geregeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Nu bij de benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in haar eer en goede naam, is de vraag of de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van genoemd artikel. Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending, te weten het met een alarmpistool overvallen van de winkel waarin de benadeelde partij als medewerker aan het werk was, waarbij het alarmpistool tegen haar hoofd is gezet en het slachtoffer niet wist dat het geen echt vuurwapen betrof, en de gevolgen daarvan zoals door de benadeelde partij omschreven in de vordering, hoewel summier, mee dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is.
Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank acht geslagen op paragraaf 19.1 van de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De bewezenverklaarde winkeloverval, gepleegd door meerdere daders met gebruikmaking van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, past qua aard en ernst binnen de genoemde categorie. Gelet daarop zal de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 3.000,-. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 januari 2025.
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 13/031968-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en het in de zaak met parketnummer 10/201648-25 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot
256 (tweehonderdzesenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt vastgesteld op
2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- naar school zal gaan volgens rooster en zich zal houden aan de regels en afspraken van school;
- zijn medewerking zal verlenen aan behandeling van De Waag of een soortgelijke instelling;
- zijn medewerking zal verlenen aan de begeleiding van een jongerencoach van Boba of een vergelijkbare instantie;
- zich zal inspannen voor het verkrijgen en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van sport en/of een bijbaan;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum 2] 2008 te [geboorteplaats 2] en [medeverdachte 2], geboren op [geboortedatum 3] 2004 te [geboorteplaats 2];
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 4] 1985 te [geboorteplaats 1] (met uitzondering van contact in het kader van eventuele herstelbemiddeling via de officier van justitie), en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 5] 1972 te [geboorteplaats 2];
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig)
uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van
€ 3.000,- (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen
€ 3.000,-(hoofdsom,
zegge:
drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. A.L. Pöll en R. van den Wildenberg, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 13/031968-25
1
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Diemen, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om geld en/of sigaretten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan winkelbedrijf CIGO Diemen Zuid, in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen winkelmedewerker [slachtoffer 1]
,
te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of
gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of
andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het
bezit van het gestolene te verzekeren,
op dreigende toon om geld en/of sigaretten heeft gevraagd en/of een vuurwapen op
die [slachtoffer 1] en/of winkelklanten heeft gericht en/of een vuurwapen tegen het
hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen
en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen in de zin van
artikel 1 onder Pro 4e, gelet op artikel 2 lid 1 van Pro categorie III, onder 4 van de Wet
wapens en munitie, te weten een alarmpistool van het merk BBM, model GAP,
kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad;
Parketnummer 10/201648-25
hij op 21 mei 2025 te Schiedam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om sieraden, althans goederen, die aan [naam juwelier], gevestigd aan
de Hoogstraat 90, toebehoorde(n)
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], te plegen met het
oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of
om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het
misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- met gezichtsbedekkende kleding op naar die juwelier is gegaan en
- naar de voordeur van van de juwelier is gerend, en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een
hamer heeft getoond aan die [slachtoffer 2] en/of zichtbaar heeft gedragen, en
- op de deur van die juwelier heeft geklopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op 21 mei 2025 te Schiedam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in
vereniging en/of afpersing in vereniging (artikel 312 en Pro/of 317 Wetboek van
Strafrecht), opzettelijk
voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een hamer,
donkere kleding en/of gezichtsbedekkende kleding,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of
voorhanden heeft gehad.