ECLI:NL:RBROT:2026:8628

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2614819:R-RK – NL:TZ:2614820:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning wegens schuldsanering

Verzoeker heeft op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De financiële problemen zijn ontstaan door een depressie na het overlijden van zijn moeder, waardoor hij tijdelijk minder inkomsten had. Verzoeker heeft een regeling getroffen met verweerster, waarbij hij de huur en extra aflossingen moet betalen.

Verweerster stelt dat er sprake is van een terugkerend patroon van betalingsachterstanden en dat de gemaakte afspraken niet zijn nagekomen. Zij verzoekt afwijzing van het verzoek of beperking van de duur van de voorziening met strikte voorwaarden.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster. De lopende huurtermijnen zijn inmiddels voldaan en verzoeker zal zijn inkomen laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening. De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen voor zes maanden.

Daarnaast wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schort de ontruiming op onder voorwaarde van tijdige betaling van de huur.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 2 juli 2026
In de zaak van
[naam 1],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 8 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 9 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 24 juni 2026.
De heer mr. P.A.J. Stevens, werkzaam bij Stevens & Partners Legal Real Estate Management, heeft namens Manhave City House B.V., verweerster, voorafgaand aan de zitting op 17 juni 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 24 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat van verzoeker);
  • de heer [naam 2] en de heer mr. F.C.P. Teeuw, beiden optredend als gemachtigden voor Manhave City House B.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De advocaat van verzoeker heeft op 25 juni 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de kantonrechter van 18 februari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft een inkomen uit onderneming van ongeveer € 5.000,- tot € 6.000,- per maand en stelt zich op het standpunt dat deze inkomsten voldoende zijn voor betaling van de maandelijkse huurtermijnen. De financiële problemen zijn veroorzaakt doordat verzoeker door het overlijden van zijn moeder in een depressie raakte en daardoor minder inkomsten had. Naar aanleiding van de door verweerster gestarte procedure heeft verzoeker hulp gezocht bij de gemeente en daar is hij doorverwezen naar Zuidweg & Partners.
De procedure bij de kantonrechter is geëindigd in een regeling tussen partijen. In het proces-verbaal van de kantonrechter van 18 februari 2026 is afgesproken dat verzoeker vanaf
1 april 2026 de maandelijkse huurtermijnen van € 1.848,79 uiterlijk op de eerste dag van elke maand betaalt en dat verzoeker vijf maal elke maand vóór de vijftiende van de maand een bedrag van € 2.570,70 extra (bovenop de huur) betaalt ter aflossing van zijn openstaande schuld bij verweerster.
Op 19 juni 2026 heeft verzoeker een bedrag van € 1.970,70 betaald, dat betrekking heeft op de (extra) aflossing van mei 2026. Op 23 juni 2026 heeft verzoeker een bedrag van € 1.848,79 betaald, waarmee de huurtermijn van juni 2026 – weliswaar te laat – is voldaan. Tevens heeft verzoeker op die dag een bedrag van € 250,- betaald als (gedeeltelijke) extra aflossing voor juni 2026.
Uit de op 25 juni 2026 door de advocaat van verzoeker aan de rechtbank toegezonden aanvullende stukken blijkt dat de huurtermijn van juli 2026 op 25 juni 2026 volledig en tijdig door verzoeker is voldaan. Daarnaast stelt verzoeker zich op het standpunt dat de vordering van verweerster binnen enkele maanden volledig zal kunnen zijn voldaan. Verzoeker zoekt met Zuidweg & Partners een oplossing voor zijn schulden.

3.Het verweer

In haar verweerschrift en ter zitting heeft verweerster zich – kort samengevat – op het volgende standpunt gesteld.
Tot en met juni 2026 is sprake van een totale huurachterstand van € 7.407,20. Verweerster kan zich niet verenigen met een verdere opschorting van de tenuitvoerlegging van de ontruiming; bij verweerster is de maat vol. Bij verzoeker is sinds 2022 sprake van een terugkerend patroon van betalingsachterstanden. Met verzoeker zijn meerdere betalingsregelingen getroffen, maar deze hebben niet tot een structurele verbetering geleid.
Ook de gemaakte afspraken in het proces-verbaal van de kantonrechter van 18 februari 2026 zijn niet door verzoeker nagekomen. Er is niet op tijd en niet volledig betaald. Op 19 juni en op 22 juni 2026 zijn de huur en de extra aflossingen tot en met de maand mei 2026 betaald. De huur over de maand juni 2026 is voldaan op 23 juni 2026, derhalve ook te laat. De extra aflossing over juni 2026 is niet betaald.
Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij over voldoende inkomen beschikt om de lopende huurtermijnen tijdig te kunnen voldoen. Dit kan niet worden afgeleid uit de bij het verzoekschrift overgelegde facturen van de eenmanszaak van verzoeker. Daarnaast is voor verweerster onduidelijk of verzoeker kampt met een problematische schuldensituatie. Tijdens de mondelinge behandeling in de procedure bij de kantonrechter heeft verzoeker verklaard dat er geen andere schulden waren, behoudens de vordering van verweerster.
Verweerster verzoekt de rechtbank primair het verzoek af te wijzen en subsidiair (i) de duur van de voorlopige voorziening te beperken tot de kortst mogelijke termijn, (ii) aan de voorlopige voorziening de uitdrukkelijke voorwaarde te verbinden dat verzoeker de ten tijde van de uitspraak reeds opeisbare lopende huur binnen twee werkdagen na de uitspraak volledig voldoet en vervolgens iedere lopende huurtermijn van € 1.848,79 volledig en uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand betaalt en (iii) om de voorlopige voorziening te laten eindigen, indien verzoeker één huurtermijn niet volledig of niet tijdig betaalt.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van 18 februari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 22 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 25 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van de kantonrechter van 18 februari 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Op 23 juni 2026 is de huurtermijn van juni 2026 – weliswaar te laat – betaald. De huurtermijn van juli 2026 is op 25 juni 2026 tijdig en volledig betaald. Daarnaast zal schuldhulpverlening bij Zuidweg & Partners worden opgestart, waarbij – volgens de verklaring van de advocaat van verzoeker – de eerste stap zal zijn dat verzoeker zijn inkomen zal laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening. Daarmee is ook voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Bovendien acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat
de volledige schuld aan verweerster binnen enkele maanden zal zijn voldaan, nu verzoeker wel, zij het te laat, naast de verschuldigde huur van € 1.848,79 over de maanden april en mei 2026 de extra aflossingen van € 2.570,70 heeft kunnen betalen aan verweerster. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. Verweerster heeft subsidiair in haar verweerschrift ook om deze voorwaarde verzocht. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van de kantonrechter van
18 februari 2026 tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] op, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 9 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode volledig en tijdig, d.w.z. maandelijks uiterlijk op de eerste dag van iedere maand, worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.