ECLI:NL:RBROT:2026:8631

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2615258:R-RK – NL:TZ:2615288:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning wegens schuldsanering en beschermingsbewind

Verzoekster, een 74-jarige vrouw met ernstige gezondheidsklachten en taalbarrière, verzoekt de rechtbank om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege een vonnis tot ontruiming en een exploot dat uitvoering daarvan aankondigt.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en een schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Door de inzet van een Turks sprekende behandelaar en beschermingsbewindvoerder is de taalbarrière grotendeels weggenomen en is aannemelijk dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.

Verzoekster heeft de huur van juni 2026 tijdig betaald en schuldhulpverlening bevestigt dat met het huidige inkomen de huur kan worden voldaan. De rechtbank acht het belang van verzoekster zwaarder en wijst het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De rechtbank benadrukt dat dit de laatste kans is voor verzoekster om in de woning te blijven en dat medewerking aan schuldhulpverlening en beschermingsbewind noodzakelijk is.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schort de ontruiming van de huurwoning op voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 2 juli 2026
In de zaak van
[naam 1],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 12 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 24 juni 2026.
Ter zitting van 24 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer [naam 2] , zoon van verzoekster;
  • mevrouw [naam 3] en mevrouw [naam 4] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw M. Ates, tolk voor verzoekster;
  • de heer [naam 5] , namens Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster is een 74-jarige vrouw en woont samen met haar 36-jarige zoon, die voor haar zorgt. Verzoekster kampt met ernstige gezondheidsklachten door Alzheimer en Parkinson en beheerst de Nederlandse taal onvoldoende. De schulden van verzoekster zijn ontstaan, doordat zij over onvoldoende inkomen beschikt om in haar levensonderhoud te voorzien. Verzoekster ontvangt op dit moment een AOW-uitkering en huurtoeslag. Voor verzoekster is een aanvullende AOW-uitkering aangevraagd. Voor de inwonende zoon van verzoekster is een Participatiewet-uitkering aangevraagd. Verzoekster heeft thans een Turks sprekende behandelaar bij Geldplein (mevrouw [naam 4] ). Daarnaast staan verzoekster en haar zoon op het punt om op intake te gaan bij een Turks sprekende beschermingsbewindvoerder. Hierdoor zal de taalbarrière komen te vervallen. Daarnaast is daarmee ook voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Bovendien heeft verzoekster de huurtermijn van juni 2026 tijdig op 22 mei 2026 betaald.
Verzoekster heeft reeds eerder de rechtbank om een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw verzocht. Bij vonnis van deze rechtbank van 1 juli 2025 is dat verzoek afgewezen. Ten tijde van dat vonnis was voor de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen konden en zouden worden voldaan. Gelet op het voorgaande is de situatie van verzoekster nu dermate anders.

3.Het verweer

Verweerster heeft ter zitting het volgende aangevoerd. Op dit moment is er sprake van een totale huurachterstand van € 9.325,-. Sinds het vonnis van deze rechtbank van 1 juli 2025 waarbij het eerdere verzoek om een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw is afgewezen, zijn de lopende huurtermijnen voldaan. Naar de mening van verweerster kan echter met verzoekster en haar zoon niet tot een constructieve oplossing worden gekomen. Verzoekster en haar zoon weigeren namelijk uiteindelijk steeds de geboden hulpverlening. Daarnaast is geen sprake van een stabiel inkomen bij verzoekster en haar zoon. Verweerster wil liever niet overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, maar stelt zich wel op het standpunt dat nu echt tot een oplossing moet worden gekomen, die er wat haar betreft alleen uit kan bestaan dat verweerster en haar zoon zich onder beschermingsbewind laten stellen en meewerken aan de uitkeringsaanvragen om een stabiel inkomen te verkrijgen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 21 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 februari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het schuldhulpverleningstraject in het verleden niet is gelukt vanwege de taalbarrière. Thans heeft verzoekster een Turks sprekende behandelaar bij Geldplein en inmiddels is een beschermingsbewindvoerder gevonden die dezelfde taal spreekt als verzoekster en haar zoon. Verzoekster en haar zoon verlenen alle medewerking aan het schuldhulpverleningstraject. Verzoekster en haar zoon hebben ter zitting verklaard dat zij bereid zijn zich onder beschermingsbewind te laten stellen. Zij hebben een afspraak voor een intake bij een Turks sprekende beschermingsbewindvoerder, waardoor de taalbarrière daaraan niet meer in de weg staat.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij sinds zes maanden de lopende huurtermijnen heeft voldaan. Verweerster heeft dit ter zitting bevestigd. Ook heeft verzoekster een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat de huurtermijn van juni 2026 tijdig, op 22 mei 2026, is betaald. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat met het huidige inkomen de huurtermijnen kunnen worden betaald en dat inmiddels een aanvullende AOW-uitkering voor verzoekster en een Participatiewet-uitkering voor de zoon van verzoekster zijn aangevraagd. Daarnaast zullen verzoekster en haar zoon zich onder beschermingsbewind laten stellen en zal schuldhulpverlening, als dit verzoek om een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw wordt toegewezen, budgetbeheer opstarten. Hierdoor is voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen ook tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. Bovendien dienen naar het oordeel van de rechtbank ook de leeftijd, de medische gesteldheid en de taalbarrière van verzoekster een rol te spelen bij de beoordeling van het verzoek. Ook gelet op die omstandigheden is op dit moment een ontruiming van de woning van verzoekster niet gerechtvaardigd.
De rechtbank merkt wel op dat dit – zoals ter zitting expliciet is besproken – de laatste kans voor verzoekster zal zijn om in de woning te kunnen blijven wonen en dat verzoekster en haar zoon nu echt de hulp vanuit schuldhulpverlening en de toekomstig beschermingsbewindvoerder moeten aanvaarden.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 februari 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 12 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.