ECLI:NL:RBROT:2026:8638

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2614189:R-RK – NL:TZ:2614190:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratoriumverzoek en schorsing ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt tot ontruiming van haar huurwoning over te gaan. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 8 juni 2026.

Verzoekster ontvangt een netto inkomen uit arbeid van €1.615 per maand, huurtoeslag van €385 en kindgebonden budget van €559, waarmee zij de lopende huurtermijnen van €1.217,85 kan voldoen. Zij heeft de huur over juni 2026 voldaan, zij het te laat, en is bezig haar inkomen te verhogen en vaste lasten te verlagen, onder meer door het leasecontract van haar auto over te dragen. Beschermingsbewind is ingesteld en de beschermingsbewindvoerder beheert haar financiën.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in haar woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster om het proces-verbaal ten uitvoer te leggen. Daarom wordt het moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Daarnaast wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog in de opstartfase is. De rechtbank bepaalt dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt.

De ontruiming wordt geschorst en de huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening, die zes maanden vanaf 4 juni 2026 geldt.

Uitkomst: Moratoriumverzoek toegewezen en ontruiming geschorst voor zes maanden onder voorwaarde tijdige betaling lopende huurtermijnen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 25 juni 2026
[naam 1],
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 2 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 4 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 juni 2026.
Ter zitting van 18 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mr. N. Claassen, advocaat van verzoekster;
  • mevrouw J. Cok, werkzaam bij Ornithos.EU B.V., beschermingsbewindvoerder.
De heer [naam 2] , werkzaam bij Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens de stichting Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam, voorafgaand aan de zitting op 16 juni 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In dit verweerschrift is tevens aangegeven dat namens verweerster niemand ter zitting aanwezig zal zijn.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam van 19 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster over te gaan.
Verzoekster ontvangt inkomsten uit een parttime dienstverband van € 1.615,-- netto. Daarnaast ontvangt verzoekster huurtoeslag en kindgebonden budget. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoekster heeft de huur over juni 2026 voldaan op 16 juni 2026. Daarnaast betwist zij het hierna te bespreken verweer van verweerster dat de laatste huurbetaling heeft plaatsgevonden op 28 februari 2026. Verzoekster stelt dat zij in maart 2026 € 2.000,-- heeft overgemaakt aan het incassobureau. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij op dit moment 24 uur per week werkt. Het is niet mogelijk om haar uren bij haar huidige werkgever uit te breiden. Verzoekster is bezig met het vinden van een aanvullende dienstbetrekking om haar inkomen te verhogen. Daarnaast leaset verzoekster een auto. De maandelijkse kosten die hiermee gemoeid zijn, bedragen circa € 840,--. Om de maandelijkse vaste lasten te verlagen, is verzoekster in overleg met de leasemaatschappij om het leasecontract te laten overnemen door een familielid. De verwachting is dat de contractovername binnen een maand is geregeld. Beschermingsbewind is recent uitgesproken. De beschermingsbewindvoerder is bezig met het opstarten van het beschermingsbewind en heeft inmiddels de volledige regie over de bankrekeningen van verzoekster. De eerste inkomsten, te weten de toeslagen, worden rond 20 juni 2026 op de beheerrekening verwacht. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat de huur over de maand juli 2026 tijdig kan worden voldaan. De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard dat verzoekster zich in januari 2026 heeft gemeld bij schuldhulpverlening. Het traject bevindt zich in de opstartfase.

3.Het verweer

Tussen partijen is een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij is afgesproken dat verzoekster naast de lopende huurtermijnen een bedrag van € 100,-- zou voldoen om de huurachterstand in te lopen. Verzoekster is de gemaakte afspraak niet nagekomen en heeft ook de lopende huurtermijnen niet voldaan, om welke reden de ontruiming is aangezegd. De laatste huurbetaling heeft plaatsgevonden op 28 februari 2026. Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 7 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 8 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 19 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft inkomsten uit arbeid van € 1.615,-- netto per maand. Daarnaast ontvangt zij huurtoeslag van € 385,-- per maand en kindgebonden budget van € 559,-- per maand. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 1.217,85 per maand te voldoen. De huur over de maand juni 2026 is - weliswaar te laat - voldaan. Verzoekster probeert een aanvullende dienstbetrekking te vinden om haar inkomen te verhogen. Daarnaast is zij bezig om haar vaste lasten te verlagen door afscheid te nemen van haar (dure) leaseauto. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat de huur over de maand juli 2026 tijdig kan worden voldaan. Beschermingsbewind waarborgt de betaling van de lopende huurtermijnen. Verzoekster heeft zich reeds gemeld bij schuldhulpverlening. Het traject bevindt zich in de opstartfase. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam van 19 maart 2026 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster aan het [straatnaam] te ( [postcode] ) [woonplaats] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 4 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.