ECLI:NL:RBROT:2026:8645

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2613922:R-RK – NL:TZ:2613927:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft op 2 juni 2026 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond op 3 juni 2026. Verzoeker ontvangt een PW-uitkering en toeslagen die voldoende zijn om de lopende huurtermijnen te voldoen, en schuldhulpverlening heeft bevestigd dat het schuldhulpverleningstraject en budgetbeheer op korte termijn zullen starten.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.

De voorziening verlengt de huurovereenkomst en verplicht schuldhulpverlening om uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uit te brengen. De uitspraak is gedaan door rechter J.T.P. Pot op 25 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden en verklaart het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 25 juni 2026
[naam 1] ,
wonende te [straatnaam]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 2 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 2 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 juni 2026.
Ter zitting van 2 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker ontvangt inkomsten uit een PW-uitkering. Daarnaast ontvangt hij huur- en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 767,44 te voldoen. De huur over de maand juni 2026 is voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat alle stukken om het schuldhulpverleningstraject op te kunnen starten, zijn verzameld. De verwachting is dat het schuldhulpverleningstraject op korte termijn kan worden aangevangen en binnen zes maanden kan worden afgerond. Daarnaast zal ook budgetbeheer worden opgestart.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 15 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 16 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt een PW-uitkering en huur-en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maand juni 2026 is voldaan. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat budgetbeheer zal worden opgestart. Budgetbeheer waarborgt de betaling van de lopende huurtermijnen. Daarnaast zal het schuldhulpverleningstraject naar verwachting op korte termijn worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 16 oktober 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [straatnaam] te [postcode] [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 2 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.