Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op 2 juni 2026 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond op 3 juni 2026. Verzoeker ontvangt een PW-uitkering en toeslagen die voldoende zijn om de lopende huurtermijnen te voldoen, en schuldhulpverlening heeft bevestigd dat het schuldhulpverleningstraject en budgetbeheer op korte termijn zullen starten.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
De voorziening verlengt de huurovereenkomst en verplicht schuldhulpverlening om uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uit te brengen. De uitspraak is gedaan door rechter J.T.P. Pot op 25 juni 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden en verklaart het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.