Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- de heer [naam 3] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op 4 juni 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank heeft op 18 juni 2026 de zaak behandeld en de uitspraak bepaald op 25 juni 2026.
Verzoeker ontvangt een PW-uitkering en toeslagen die voldoende zijn om de lopende huurtermijnen te voldoen. Hij heeft beschermingsbewind aangevraagd en wil het schuldhulpverleningstraject voortzetten. Verweerster, de verhuurder, is bereid verzoeker een kans te geven maar wil dat het beschermingsbewind verplicht wordt gesteld vanwege eerdere problemen en een aanzienlijke huurachterstand.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege een vonnis tot ontruiming en een exploot dat ontruiming aankondigt. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling omdat het minnelijk traject nog loopt.
De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 5 juni 2026 en verlengt de huurovereenkomst voor die periode. Schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen. De rechtbank benadrukt dat dit de laatste kans is voor verzoeker om zijn schuldenproblematiek op te lossen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.