ECLI:NL:RBROT:2026:8652

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/10/687237 / FA RK 24-7471 en C/10/691709 / FA RK 24-9588
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 RvArt. 3:185 BWArt. 1:94 lid 2 BWArt. 1:94 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling beperkte gemeenschap van goederen

Partijen zijn gehuwd en verzoeken de echtscheiding uit te spreken wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank wijst het verzoek tot opname van een ouderschapsplan af omdat partijen dit niet hebben kunnen overleggen, maar verklaart het verzoek tot echtscheiding ontvankelijk en gegrond.

De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt vastgesteld bij de man, met afspraken over kinderbijslag en kind-toeslagen. Partijen hebben een zorgregeling getroffen waarbij de minderjarige om de week bij elk van hen verblijft, met een zorgkorting van 35% toegepast op de kinderbijdrage. De kinderbijdrage wordt vastgesteld op €455 per maand met ingang van 1 januari 2025, met jaarlijkse wettelijke indexering.

De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen is complex en betreft onder meer bankrekeningen, een Mercedes, een studieschuld en een hypothecaire lening. Partijen zijn het niet eens over de verdeling en vergoedingsrechten, met name over aflossingen op de hypotheek. De rechtbank houdt de beslissing hierover aan in afwachting van taxatierapporten en een nadere mondelinge behandeling.

Een verzoek van de man om betaling van de vergoeding in termijnen wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. De behandeling van het verzoek tot partnerbijdrage wordt eveneens aangehouden. De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, kinderbijdrage vastgesteld, verdeling beperkte gemeenschap aangehouden voor taxaties en partnerbijdrage aangehouden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaak- /rekestnummers: C/10/687237 / FA RK 24-7471 en C/10/691709 / FA RK 24-9588
Beschikking van 10 juni 2026 over de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. K.M. van Wijngaarden te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 09 oktober 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 december 2024;
  • het verweerschrift met bijlagen van de man op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 19 februari 2025;
  • het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 28 juli 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen van de vrouw op het aanvullende verzoek van de man, ingekomen op 3 oktober 2025;
  • de berichten met bijlagen van de man van 19 en 28 april 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 20 april 2026;
  • het aanvullende verzoek- en verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 23 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is op verzoek van de rechtbank door de vrouw nog haar jaaropgave 2024 toegestuurd bij brief van 1 mei 2026. Verder is met toestemming van de rechtbank door de man nog een bericht toegestuurd gedateerd 7 mei 2026. Van de vrouw is daarop met toestemming van de rechtbank een bericht ontvangen gedateerd 11 mei 2026.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] .
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
2.3.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De beoordeling

3.1.
Scheiding
3.1.1.
Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
De man verzoekt tevens het door partijen ondertekend ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant op te nemen in de beschikking. Omdat het partijen niet is gelukt een door hen ondertekend ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant op te stellen, trekt de man dit verzoek in. De rechtbank zal het verzoek over opname van het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant dan ook afwijzen.
3.1.3.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv Pro moet (voor zover hier van belang) een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
3.1.4.
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv Pro overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
3.1.5.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
3.2.
Verblijfplaats
3.2.1.
De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn.
3.2.2.
De vrouw verweert zich niet tegen dit verzoek, op voorwaarde dat de man ermee instemt dat de kinderbijslag en andere kind-toeslagen aan haar toekomen.
3.2.3.
De man stemt in met de voorwaarde van de vrouw over de kinderbijslag en andere kind-toeslagen, op voorwaarde dat partijen een kinderrekening zullen hanteren voor de verblijfsoverstijgende kosten.
3.2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat partijen met de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bedoelen de plek waar dat de minderjarige na de echtscheiding zal staan ingeschreven bij de gemeente. Op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat de minderjarige op het adres van de man zal worden ingeschreven. De rechtbank zal dit als een onderlinge regeling die partijen hebben getroffen, opnemen in deze beschikking. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.
3.2.5.
De voorwaarden die partijen stellen over de kinderbijslag, andere kind-toeslagen, verblijfsoverstijgende kosten en een kinderrekening zal de rechtbank hierna bespreken bij het onderdeel over de kinderalimentatie.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
Partijen hebben gedurende de procedure overeenstemming bereikt over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling).
3.3.2.
De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen, opnemen in deze beschikking. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.
Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
3.4.
Onderhoudsbijdrage
Kinderbijdrage
3.4.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 749,- per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde
24 december 2024.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer tegen de verzochte kinderbijdrage. Hij verzoekt in goede justitie een kinderbijdrage vast te stellen.
3.4.3.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
Kinderrekening, verblijfsoverstijgende kosten, kind-toeslagen en kinderbijslag
3.4.4.
Het rapport gaat uit van een systematiek waarbij de ene ouder de verblijfs-overstijgende kosten voor zijn of haar rekening neemt en de andere ouder daarin financieel bijdraagt door betaling van een maandelijkse kinderbijdrage.
De verdeling van de kosten voor minderjarigen komt neer op 70% verblijfskosten en 30% verblijfsoverstijgende kosten. Deze verdeling is af te leiden uit de vastgestelde zorgkorting van 35% bij een co-ouderschap. Voor een extra korting van 30% daar bovenop waarvan de man uitgaat, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.
3.4.5.
Bij een co-ouderschap zoals partijen die hanteren, zijn de verblijfskosten voor de ouder waar die minderjarige verblijft. Verblijfskosten zijn dagelijkse kosten tijdens het verblijf van de minderjarige bij die ouder, zoals eten, drinken, gas, water, elektriciteit, kleine uitgaven, uitjes, speelgoed. De overige kosten zoals voor kleding, school, medisch zaken en sport zijn verblijfsoverstijgende kosten die voor rekening van de ene ouder komen en waaraan de andere ouder bijdraagt via een maandelijkse kinderbijdrage.
3.4.6.
Het rapport gaat niet uit van een kinderrekening waarvan de kosten voor minderjarigen worden betaald. Indien ouders gebruik willen maken van een kinderrekening, staat het hen vrij om dit in onderling overleg af te spreken, en alsdan wijken zij hiermee af van de gebruikelijke systematiek. In de onderhavige zaak bestaat over het gebruik van een kinderrekening geen overeenstemming. Wel zijn partijen het erover eens dat zij beide de helft van de kinderbijslag uitgekeerd zullen krijgen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de systematiek van het rapport volgen.
De ingangsdatum
3.4.7.
Partijen zijn het erover eens dat als ingangsdatum van een kinderbijdrage 1 januari 2025 kan worden gehanteerd. De rechtbank zal dan ook deze datum als ingangsdatum vaststellen.
De behoefte
3.4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat in 2024 (het moment waarop zij niet meer als gezin samenleefde) het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) is begrensd tot € 880,- per maand op grond van het maximale netto gezinsinkomen van € 6.000,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 (het jaar waarin de kinderbijdrage in gaat) bedraagt de behoefte € 937,- per maand.
Draagkrachtberekening
3.4.9.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de eventuele vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-1.
NBI en draagkracht vrouw
3.4.10.
Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw kan worden uitgegaan van haar jaaropgave 2025. Aan de hand van deze jaaropgave waarop een jaarloon staat genoemd van € 24.528,- bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw op
€ 2.536,- per maand.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Verder is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 5.900,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.4.11.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,- wordt haar draagkracht
vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt
€ 326,- per maand.
NBI en draagkracht man
3.4.12.
Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van de draagkracht van de man kan worden uitgegaan van zijn jaaropgave 2025. Aan de hand van deze jaaropgave waarop een jaarloon staat genoemd van € 95.195,- bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man op € 5.262,- per maand.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de arbeidskorting en de inkomens-afhankelijke combinatiekorting. Met het kindgebonden budget is geen rekening gehouden omdat hiermee aan de zijde van de vrouw rekening is gehouden en zij een hoger kindgebonden budget kan ontvangen dan de man, en dat is gunstiger voor de minderjarige.
3.4.13.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- wordt zijn draagkracht
vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt
€ 1.661,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.4.14.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 1.661,- + € 326,- = € 1.987,-) hoger is dan de behoefte van de minderjarige (€ 937,-) moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.661,- / € 1.987,- x € 937,- = € 783,27
het deel van de vrouw bedraagt: € 326,- / € 1.987,- x € 937,- =
€ 153,73 +
samen € 937,-.
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van afgerond € 783,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van afgerond € 154,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.4.15.
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling waarbij de man gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor de minderjarige, hoort hierbij een zorgkorting van 35%.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 937,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 328,- per maand.
3.4.16.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag van € 328,-, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen (€ 783,- – € 328,- =) € 455,- per maand.
Conclusie
3.4.17.
Gezien het voorgaande is met ingang van 1 januari 2025 een door de man te betalen kinderbijdrage van € 455,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.18.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.4.19.
Omdat de onderhoudsbijdrage in 2026 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder jaar daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
Partnerbijdrage
3.4.20.
De vrouw verzoekt aanvullend een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 831,- per maand vast te stellen.
3.4.21.
Het aanvullend verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partnerbijdrage is niet inhoudelijk behandeld tijdens de mondelinge behandeling, omdat ten tijde van die mondelinge behandeling de aan de man gegeven termijn voor het indienen van een verweerschrift tegen dat verzoek nog niet was geëindigd. De man was dus nog in de gelegenheid om op dit verzoek te reageren.
3.4.22.
Omdat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft meegedeeld van die gelegenheid gebruik te zullen gaan maken, wordt de behandeling van dit verzoek aangehouden en zal na de ontvangst van het verweerschrift van de man een afzonderlijke mondelinge behandeling worden bepaald voor het behandelen van dit verzoek.
3.5.
Verdeling
3.5.1.
Partijen zijn na 1 januari 2018 in het huwelijk getreden en hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opmaken, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
3.5.2.
De man verzoekt (aanvullend) de afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze.
3.5.3.
De vrouw verzoekt de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen op de door haar voorgestelde wijze.
3.5.4.
Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW Pro.
3.5.5.
De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW Pro alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd:
goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift;
pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef Pro en onder c BW.
Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW Pro omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.
3.5.6.
Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op een bijzondere wijze verknocht zijn, vallen op grond van artikel 1:94 lid 5 BW Pro slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
3.5.7.
Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW Pro alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder Pro a tot en met c BW.
3.5.8.
Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed op grond van artikel 1:94 lid 8 BW Pro als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.
3.5.9.
Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW Pro). Bij een onroerende zaak vindt levering plaats door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (artikel 3:89 BW Pro).
Wettelijke peildatum en waardering
3.5.10.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef Pro en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 9 oktober 2024.
3.5.11.
Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
3.5.12.
Voor een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de huwelijksgemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
3.5.13.
Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
3.5.14.
Voor een vordering vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de vordering op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de vordering na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
Omvang
3.5.15.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende bestanddelen buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen:
- de echtelijke woning aan de [adres] en de daaraan gekoppelde
hypothecaire lening, want deze zijn privé van de man;
- inboedel (gedeeltelijk);
- de auto van het merk Mazda, want deze is privé van de vrouw;
- de studieschuld van de man, want deze is privé van de man.
3.5.16.
Volgens partijen of één van hen bestaat de beperkte huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:
- de inboedel (gedeeltelijk);
- de auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 1];
- de saldi op de bankrekeningen van partijen;
- de saldi/aandelen op beleggingsrekening bij Equateplus [nummer] ten name van de man.
3.5.17.
De rechtbank bespreekt de bestandsdelen hierna afzonderlijk.
Inboedel
3.5.18.
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel inmiddels tussen hen is verdeeld en dat zij over en weer niets meer met elkaar te verrekenen hebben.
Mercedes met kenteken [kenteken 1]
3.5.19.
In tegenstelling tot wat de vrouw stelt, behoort de Mercedes niet tot de beperkte gemeenschap. Artikel 1:95 BW Pro bepaalt dat een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, buiten de gemeenschap blijft indien de tegenprestatie bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen. Voor zover de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap komt, is de echtgenoot gehouden tot een vergoeding aan de gemeenschap. Het beloop van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig artikel 1:87, tweede en derde lid BW.
3.5.20.
Onbetwist is gesteld dat partijen gedurende hun huwelijk de Mercedes hebben aangekocht voor € 34.925,- en dat de vrouw daaraan privé heeft bijgedragen met een bedrag van € 27.500,-. Dit is meer dan de helft van het aankoopbedrag. Omdat de vrouw met meer dan de helft met privévermogen heeft bijgedragen aan de aankoop van de Mercedes, behoort deze op grond van artikel 1:95 BW Pro toe aan de vrouw
.Omdat de auto aan de vrouw privé toebehoort en daarmee buiten de beperkte gemeenschap van partijen valt, volgt de rechtbank de vrouw niet in haar stelling dat zij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap aangaande de Mercedes.
Saldi bankrekeningen
3.5.21.
Partijen zijn het erover eens dat ieder de eigen bankrekening behoudt en voortzet. Verder zijn partijen in het kader van de verdeling van de saldi het erover eens dat gekeken moet worden naar wat op de huwelijksdatum ( [datum] ) de saldi waren op de betreffende rekeningen en wat op de peildatum (9 oktober 2024) de saldi op de betreffende rekeningen waren, en dat per rekening de toe- of afname tussen partijen bij helfte wordt gedeeld of gedragen. De man is daarbij uitgegaan van de beginsaldi op die betreffende dagen en de vrouw heeft dat niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van die beginsaldi.
[rekeningnummer 1] ten name van de vrouw
saldo huwelijksdatum € 794,38
saldo peildatum
€ 795,72
toename € 1,34.
ING Spaarrekening nummer [rekeningnummer 2] ten name van de vrouw
saldo huwelijksdatum € 85.600,--
saldo peildatum
€ 37.551,87
afname € 48.048,13.
Deze afname dient gecorrigeerd te worden met € 27.500,-. Dit is immers het bedrag dat de vrouw van haar spaargeld heeft geïnvesteerd in de hiervoor genoemde Mercedes en dit bedrag is niet besteed aan de kosten van de huishouding of partijen gezamenlijk.
De afname die door partijen ieder voor de helft dient te worden gedragen, betreft derhalve
€ 20.548,13 (€ 48.048,13 - € 27.500,-).
[rekeningnummer 3] betaalrekening ten name van de man
saldo huwelijksdatum € 1.990,27
saldo peildatum
€ 1.175,03
afname € 815,24.
[rekeningnummer 4] ING spaarrekening ten name van man
saldo huwelijksdatum € 1.500,47
saldo peildatum
€ 503,62
afname € 996,85.
[rekeningnummer 5] ING spaarrekening ten name van de man
saldo huwelijksdatum € 39,24
saldo peildatum
€ 35.455,75
toename € 35.416,51.
ABN Amro [rekeningnummer 6] rekening ten name van de man
De man stelt onbetwist dat op die rekening er geen wijziging in de hoogte van het saldo is geweest, zodat er geen verdeling van de saldi hoeft plaats te vinden.
3.5.22.
Uit het voorgaande volgt dat aan de zijde van de vrouw een totale
afnameis van
(€ 20.548,13 – € 1,34 =) € 20.546,79, en dat aan de zijde van de man een totale
toenameis van (€ 35.416,51 – € 996,85 – € 815,24 =) € 33.604.42.
Hieruit volgt dat de man de helft van zijn toename aan de vrouw dient te voldoen, zijnde (afgerond) € 16.802,- en dat de man de helft van de afname van de vrouw aan de vrouw verschuldigd is, zijnde (afgerond) € 10.273,40,-.
De man dient totaal aan de vrouw te voldoen € 27.075,40 ter zake de saldi op de bankrekeningen.
Saldi/aandelen beleggingsrekening Equateplus [nummer] ten name van de man
3.5.23.
Partijen zijn het erover eens dat de man de beleggingsrekening behoudt en voortzet.
Ook zijn partijen het erover eens om in plaats van het saldo op de huwelijks- en peildatum, uit te gaan van het saldo op 31 december 2021 en 31 december 2024, en dat daaruit volgens het gemiddelde van de twee rekenmethodes zoals de man heeft berekend in productie 14, een afname volgt van € 5.144,-. De vrouw dient de helft hiervan, zijnde € 2.572,- aan de man te voldoen.
3.6.
Vergoedingsrechten
Aflossing hypotheek echtelijke woning
3.6.1.
De vrouw stelt dat er tijdens het huwelijk door de gemeenschap is afgelost op de hypothecaire lening die op naam staat van de man en door hem is aangegaan voor het huwelijk voor de aankoop van zijn woning. Volgens de vrouw heeft zij recht op de helft van de aflossing die tijdens het huwelijk is gedaan. In haar zelfstandig verzoek stelt zij het aflossingsbedrag tijdens het huwelijk op € 19.147,-. De man heeft niet weersproken dat er vanuit de gemeenschap is afgelost op die hypothecaire schuld en dat de gemeenschap zodoende een vergoedingsrecht op hem heeft. De man stelt in zijn verweerschrift op het zelfstandig verzoek het bedrag dat tijdens het huwelijk is afgelost op € 13.584,17. Op de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over de methode die gehanteerd moet worden voor het bepalen van het vergoedingsrecht dat de gemeenschap heeft op de man. De advocaat van de man heeft op de mondelinge behandeling een snelle berekening gemaakt volgens de zogenaamde beleggingsleer en bood aan deze na de mondelinge behandeling nog op papier te zetten, zodat de advocaat van de vrouw daarop nog zou kunnen reageren. De rechtbank heeft dit toegestaan en heeft vervolgens van de man een berekening ontvangen volgens de beleggingsleer en van de vrouw een reactie daarop. De rechtbank houdt hiermee rekening en daaruit blijkt het volgende.
3.6.2.
Partijen zijn het erover eens dat in de periode die gelegen is tussen de huwelijks- en peildatum een totaalbedrag aan aflossingen is betaald van € 13.584,17. Over het beloop van de vergoeding zijn partijen het er verder over eens dat aangesloten moet worden bij de uitspraak van het hof De Haag van 4 februari 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:180). Het hof heeft daarin bepaald dat artikel 1:87 BW Pro lid 2 sub b gevolgd moet worden, wat erop neerkomt dat de vrouw meedeelt in de waardestijging van de woning vanaf de datum van de aflossing. Omdat de aflossing op de hypothecaire lening echter op meerdere momenten heeft plaatsgevonden, volgt de rechtbank als onweersproken de man in zijn rekenwijze, te weten:
  • in de teller komt het totaalbedrag van de aflossingen (€ 13.584,17);
  • in de noemer komt de waarde van de woning op het moment dat de laatste aflossing heeft plaats gevonden, zijnde 1 oktober 2024;
  • vermenigvuldigd met de waarde van de woning op de datum van deze beschikking.
De rechtbank leest dit laatste als de datum feitelijke taxatie, nu dat het meest recht doet aan het feit dat de vrouw recht heeft op het meedelen in de waardestijging van de woning.
De uitkomst van de hiervoor weergegeven som, geldt voor het vergoedingsrecht van de gemeenschap op de man. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot dit vergoedingsrecht. Dit komt er op neer dat de man gehouden is de vrouw de helft van die uitkomst te voldoen.
3.6.3.
Om de waarde van de woning te bepalen op het moment dat de laatste aflossing heeft plaatsgevonden, zijnde 1 oktober 2024, en op het moment van feitelijke taxatie, zal hiertoe een taxatie moeten worden verricht. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid een taxatie te laten verrichten tegen de datum van 1 oktober 2024 en tegen de datum van feitelijke taxatie (welke datum uiterlijk een maand na deze beschikking moet zijn gelegen). Voor het geval dat partijen het niet eens kunnen worden over de taxateur, stelt de man de vrouw drie makelaars voor, waarvan de vrouw er vervolgens een kiest. Tegen de nadere mondelinge behandeling waarop ook het verzoek over de partneralimentatie zal worden besproken, dienen partijen de taxatie over te leggen met daarbij hun toelichting over wat de hoogte is van het vergoedingsrecht in het licht van de hiervoor benoemde berekeningswijze en de taxatie. De beslissing op dit punt zal dus worden aangehouden.
Studieschuld
3.6.4.
De man stelt onweersproken dat de gemeenschap een vordering op hem heeft in verband met de rente en aflossing die vanuit de gemeenschap zijn betaald ten bedrage van
€ 4.653,- op de studieschuld die van hem privé is. De vrouw stelt dat zij recht heeft op de helft van wat er tijdens het huwelijk op de schuld is afgelost.
3.6.5.
Artikel 1:96 vijfde Pro lid BW bepaalt dat de echtgenoot wiens niet in de gemeenschap gevallen schuld uit goederen van de gemeenschap is voldaan, deswege is gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap.
3.6.6.
Gelet op het voorgaande dient de man aan de gemeenschap een vergoeding te voldoen van € 4.653,-. Partijen zijn vervolgens ieder gerechtigd tot de helft van dit bedrag nu zij beide deelgenoot zijn. De man is daarom gehouden € 2.326,50 aan de vrouw te voldoen.
Beleggings-/aandelenrekening Equateplus [nummer] ten name van de man
3.6.7.
De man stelt in zijn verweerschrift op het zelfstandig verzoek dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap omdat hij op 25 september 2023 vanaf de beleggingsrekening Equateplus een bedrag van € 13.588,45 heeft laten uitbetalen op de bankrekening [rekeningnummer 7] en dit vermogen grotendeels gevormd is voorafgaande aan het huwelijk. De man heeft hierbij vermeld dat hij zich later nog zal uitlaten over het precieze bedrag van dit vergoedingsrecht. In zijn aanvullende verzoek heeft de man later gesteld dat dit bedrag van € 13.588,45 in de verdeling wordt gecompenseerd als rekening wordt gehouden met de afname op de eerdergenoemde beleggingsrekening, door ieder van partijen die afname voor de helft te laten dragen. De rechtbank volgt de man in deze redenering en komt, met verwijzing naar wat is overwogen onder 3.5.23., tot de conclusie dat de man geen vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap.
Volkswagen Scirocco met kenteken [kenteken 2].
3.6.8.
De man heeft in zijn aanvullend verzoek gesteld dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap omdat hij bij aankoop van de Mercedes zijn Volkswagen Scirocco heeft ingeruild. Deze Volkswagen behoorde tot zijn privévermogen en was bij de inruil goed voor € 7.425,-. Op de mondelinge behandeling kwam de man tot de conclusie dat de Mercedes ingevolge artikel 1:95 BW Pro aan de vrouw in privé toebehoort, zodat zijn vergoedingsrecht niet geldt ten opzichte van de gemeenschap maar ten opzichte van de vrouw. De man stelt zodoende dat hij een vordering heeft op de vrouw ten bedrage van € 7.425,-. Niet is betwist dat de Volkswagen een privégoed van de man was en dat deze bij de aankoop van de Mercedes is ingeruild en daarbij een bedrag van € 7.425,- vertegenwoordigde. De rechtbank heeft onder 3.5.20. al overwogen dat de Mercedes de vrouw in privé toebehoort. De man heeft dus met privévermogen bijgedragen aan de aankoop van een privégoed van de vrouw.
3.6.9.
Artikel 1:87 BW Pro eerste lid bepaalt dat, indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding ontstaat. Uit artikel 1:87 lid 3 sub b BW Pro volgt dat bij goederen die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt, de vergoeding steeds het nominale bedrag beloopt dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen.
3.6.10.
Uit het voorgaande volgt dat de vrouw een vergoedingsplicht heeft jegens de man ten bedrage van € 7.425,-.
Schadevergoeding laminaatvloer
3.6.11.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt, te weten dat de schadevergoeding voor de laminaatvloer wordt weggestreept tegen de airco en het zonnescherm die de vrouw privé heeft aangeschaft en die deel uitmaken van de woning van de man. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de vordering van de man als ingetrokken kan worden beschouwd.
Resumé:
3.6.12.
Op grond van hetgeen hierboven is bepaald, moeten de volgende bedragen over en weer aan elkaar betaald worden.
Man moet betalen aan vrouw:
Saldi bankrekeningen € 27.075,40
Aflossing hypotheek echtelijke woning € p.m.
Studieschuld € 2.326,50
Vrouw moet betalen aan man:
Saldi/aandelen beleggingsrekening Equateplus € 2.572,-
Volkswagen Scirocco € 7.425,-
3.6.13.
Omdat nog onbekend is welk bedrag de man aan de vrouw dient te voldoen terzake de aflossing die is betaald ten aanzien van de hypothecaire lening voor de echtelijke woning, zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de verdeling van de beperkte gemeenschap en de vergoedingsrechten aanhouden in afwachting van de taxatierapporten. De taxaties en wat partijen naar aanleiding daarvan nog aan de rechtbank zullen berichten over de hoogte van het vergoedingsrecht in het licht van de onder 3.6.2. opgenomen berekeningswijze, zal verder worden besproken op een nadere mondelinge behandeling. De rechtbank heeft geconstateerd dat een nadere mondelinge behandeling reeds is gepland. De rechtbank zal deze onderwerpen op dezelfde mondelinge behandeling behandelen.
3.7.
Beroep man om vergoeding aan de vrouw in termijn te voldoen
3.7.1.
De man verzoekt in zijn brief van 7 mei 2026 onder punt 7 om te bepalen dat hij gerechtigd is om de vergoeding als gevolg van de afwikkeling van het huwelijksvermogen in maximaal 24 maandelijkse termijnen aan de vrouw te voldoen.
3.7.2.
De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.
3.7.3.
De rechtbank wijst dit verzoek van de man af als zijnde in strijd met de goede procesorde. De schriftelijke ronde na de mondelinge behandeling van 30 april 2026 was alleen bedoeld voor het door de man geven van een nadere toelichting en uitleg van zijn visie over welke rekenmethode gehanteerd moet worden voor het bepalen van het vergoedingsrecht dat de gemeenschap heeft op de man in het kader van de door partijen gedane aflossingen op de hypotheek. Voor het doen van nieuwe verzoeken zoals de man onder punt 7 van voornoemde brief heeft gedaan, heeft de rechtbank geen toestemming gegeven.
3.8.
Proceskosten
in de procedure met zaak- / rekestnummer C/10/687237 / FA RK 24-7471:
3.8.1.
Omdat ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
in de procedure met zaak- / rekestnummer C/10/691709 / FA RK 24-9588:
3.8.2.
Omdat ten aanzien van de verdeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaak- / rekestnummer: C/10/687237 / FA RK 24-7471:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam];
4.2.
neemt op dat partijen hebben afgesproken dat de minderjarige ingeschreven zal zijn op het adres van de man;
4.3.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de zorgregeling hebben getroffen, te weten:
ten aanzien van de reguliere zorgregeling:
De minderjarige is de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op maandag uit school, waarbij de ene week de vrouw de minderjarige ophaalt uit school, en de andere week de man of zijn ouders de minderjarige ophaalt/ophalen uit school. Indien de ouders van de man de minderjarige ophalen van school, haalt de man vervolgens de minderjarige op bij zijn ouders;
ten aanzien van de regeling gedurende de vakanties en de feestdagen:
De vakanties en de feestdagen worden bij helfte tussen partijen verdeeld, in onderling overleg nader te bepalen. Daarbij geldt ten aanzien van de zomervakantie vanaf het jaar 2027 dat de minderjarige in de oneven jaren de eerste 3 weken bij de vrouw is en de laatste 3 weken bij de man, en in de oneven jaren is dat andersom;
Voor de zomervakantie in het jaar 2026 geldt de vakantieregeling nog niet, maar is de minderjarige bij de vrouw en de man volgens de reguliere regeling die hiervoor is vermeld;
Verder geldt ten aanzien van de herfst- en voorjaarsvakantie dat de minderjarige in de even jaren de ene vakantie bij de man is en de andere vakantie bij de vrouw en dat dit in de oneven jaren andersom is;
Het halen en brengen van de minderjarige tijdens de vakanties en de feestdagen wordt door de ouders bij helfte gedeeld. De minderjarige wordt opgehaald en thuisgebracht door de man en de vrouw zelf, bij de woningen van partijen zelf. De man zal slechts bij uitzondering zijn ouders inschakelen als zijn werkrooster het zelf halen en/of brengen niet toestaat;
4.4.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 455,- per maand;
4.5.
bepaalt dat deze kinderbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
4.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de zorgregeling;
4.8.
wijst af het verzoek tot opname in deze beschikking van het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant;
en voordat verder wordt beslist:
4.9.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de partnerbijdrage wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling van
14 september 2026 te 11.45 uurin het gerechtsgebouw aan
de Steegoversloot 36 te Dordrecht;
4.10.
de zaak zal op laatstgenoemde mondelinge behandeling, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. K. Bakker, rechter;
in de procedure met zaak- / rekestnummer C/10/691709 / FA RK 24-9588:
4.11.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen en de vergoedingsrechten wordt aangehouden, in afwachting van de taxatierapporten en de reactie daarop van partijen;
4.12.
partijen worden verzocht om deze taxatierapporten voor de nadere mondelinge behandeling in het geding te brengen; en daarbij de rechtbank te berichten over de hoogte van het vergoedingsrecht in het licht van de onder 3.6.2. opgenomen berekeningswijze;
4.13.
bepaalt dat de nadere mondelinge behandeling gelijktijdig zal plaatsvinden met de mondelinge behandeling over het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 10 juni 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.