Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- de heer [naam 3] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- de heer [naam 4] , werkzaam bij het Leger des Heils (hierna: begeleiding).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op 13 mei 2026 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank stelde vast dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat de ontruiming aankondigt.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in de woning wil blijven en een schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Verzoeker ontvangt een PW-uitkering en toeslagen die voldoende zijn om de lopende huur te voldoen, en de huur over mei en juni 2026 is voldaan. Er is een verzoek tot onderbewindstelling ingediend om de betalingen te waarborgen.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan en dat het schuldhulpverleningstraject zal worden voortgezet. Daarom weegt het belang van verzoeker zwaarder en wordt het moratorium voor zes maanden toegekend, met de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratoriumverzoek toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.