ECLI:NL:RBROT:2026:8680

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
10/321481-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag door non-fatale verwurging van partner

Op 25 november 2025 heeft de verdachte zijn partner meermalen bij de keel vastgepakt en gewurgd, waardoor zij ernstig letsel opliep en het leven in gevaar kwam. De rechtbank acht bewezen dat het geweld potentieel dodelijk was en kwalificeert het als poging doodslag.

De verdediging voerde aan dat het opzet op doodslag niet bewezen kon worden, onder meer omdat de verdachte het geweld niet uit eigen beweging beëindigde en mogelijk seksuele bedoelingen had. De rechtbank verwierp deze argumenten en stelde vast dat het geweld pas stopte door externe interventie en dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood aanvaardde.

De verdachte was tijdens het incident onder invloed van alcohol en amfetamine en betuigde spijt. Het strafblad toonde geen eerdere soortgelijke veroordelingen. De reclassering rapporteerde een gemiddeld-hoog recidiverisico en adviseerde bijzondere voorwaarden.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 360 dagen op, waarvan 169 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 150 uur. De bijzondere voorwaarden zijn gericht op het beheersen van middelengebruik, financiële situatie en psychische problematiek. De voorlopige hechtenis werd geschorst en de bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar gesteld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf waarvan 169 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 150 uur wegens poging doodslag door verwurging van partner.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/321481-25
Datum zitting en uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres: [adres 1] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Moghni
Officier van justitie: mr. H.A. van Wijk
Kern van het vonnis
Veroordeling voor een poging doodslag bij partner door non-fatale verwurging. Oplegging van een taakstraf van 150 uur en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - zich schuldig heeft gemaakt aan primair een poging doodslag dan wel zware mishandeling en subsidiair mishandeling.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in:
hij op of omstreeks 25 november 2025 te Rozenburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal,
- de keel/nek van die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, handen heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of die keel/nek (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of
- de keel/nek van die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, armen in een wurggreep/nekklem heeft genomen en/of gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 25 november 2025 te Rozenburg, [slachtoffer] heeft mishandeld door
- met zijn handen haar keel/nek vast te pakken en/of vast te houden en/of die keel/nek (met kracht) dicht te knijpen en/of
- de keel/nek van die [slachtoffer] met zijn armen in een wurggreep te nemen en/of te houden.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde feit. De verdediging heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
hij op
of omstreeks25 november 2025 te Rozenburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen,
althans eenmaal,- de keel/nek van die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, handen heeft vastgepakt en
/ofvastgehouden en
/ofdie keel/nek (met kracht) heeft dichtgeknepen en
/of- de keel/nek van die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, armen in een wurggreep/nekklem heeft genomen en
/ofgehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie [2] Op 25 november 2025 kwam ik thuis in mijn woning in Rozenburg. Toen ik in de keuken stond kwam hij op mij af en plaatste zijn beide handen om mijn keel heen en kneep met volle kracht mijn keel dicht. Ik voelde dat ik geen lucht meer kreeg en voor mijn gevoel liep ik blauw aan. Ik kon geen kant op en het werd zelfs zo erg dat ik op mijn tenen stond. Ik voelde op dat moment dat ik wat moest doen omdat ik dacht dat ik dood ging. Ik heb hem vervolgens een knietje gegeven richting zijn geslachtsdeel. Toen is het gelukt om los te komen. Ik probeerde te vluchten maar toen greep hij mij van achteren met beide handen. Toen hij mij weer vast had, deed hij zijn beide armen om mijn hoofd heen, het voelde als een wurggreep. Ik had het gevoel dat hij mij echt wilde doden. Ik had het gevoel dat ik ging flauw vallen. Ik probeerde mijzelf los te krijgen, ik voelde dat hij mij een beetje losliet. Vervolgens hield hij mij stevig vast, hij hield mij vast bij mijn shirt. Mijn shirt is daardoor kapot gegaan. Ik deed alles op alles om mijzelf te bevrijden. Vervolgens was het mij gelukt om bij de voordeur te komen en de voordeur te openen. Ik heb toen heel hard naar buiten geschreeuwd om hulp. Toen pakte hij mij weer met beide armen beet bij mijn hals en probeerde hij mij weer naar binnen te trekken. De buren hebben mij gehoord en toen is er politie gebeld. De buren hebben mijn vriend van mij afgehaald.
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
Ik hoorde gegil uit de woning tegenover mij. Ik zag dat de buurvrouw in de hoek van de deuropening lag. Ik zag dat de buurman de buurvrouw aan het wurgen was. Ik zag dat de buurvrouw paars aanliep in het gezicht. Ik schreeuwde tegen de buurman dat hij haar los moest laten.
3.
Schriftelijk stuk [4] Betrokkene is slachtoffer geworden van mishandeling met geweld op de hals. Zij werd de volgende dag onderzocht door de FARR. De letsels betroffen bloeduitstortingen onder het rechter onderooglid, onder de kin, onder de linker kaaklijn en aan de binnenzijde van het rechteronderbeen. De subjectieve symptomen die betrokkene aangaf waren pijn in de nek/hals/keel, hesere stem dan normaal en pijn bij het slikken.
Geconcludeerd kan worden:
- Dat de geconstateerde letsels onder de kin en onder de linker kaaklijn en subjectieve symptomen waarschijnlijker zijn onder de hypothese het gevolg van geweld op de hals dan onder de hypothese niet het gevolg van geweld op de hal.
- Dat de geconstateerde letsels onder de kin en onder de linker kaaklijn iets waarschijnlijker zijn onder de hypothese het met de armen en handen beetpakken van de hals en daarbij kracht uitoefenen dan onder de hypothese accidenteel scenario.
- Dat de symptomen passen bij een matige verwurging. Van de symptomen en de bevindingen waarop de Plattner-classificatie is gebaseerd, had betrokkene bloeduitstortingen, heesheid en keelpijn. Er was geen sprake van puntbloedingen en geen sprake van bewustzijnsverlies of urineverlies. Dit maakt dat de symptomen bij betrokkene passen bij een matige verwurging.
Is het letsel potentieel dodelijk?
Wanneer het geweld op de hals langer had voortgeduurd, dan had het tot de dood kunnen leiden.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Door de raadsman is aangevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood niet kan worden bewezen, omdat sprake is van twee contra-indicaties. Ten eerste heeft de aangeefster verklaard dat de verdachte haar op enig moment losliet en haar vervolgens bij haar shirt vasthield. Hieruit volgt dat de verdachte uit eigen beweging is gestopt met de handeling gericht op de dood. Ten tweede wordt gewezen op de omstandigheid dat de verdachte heeft geprobeerd de broek van de aangeefster los te maken, waaruit zou kunnen blijken dat hij seksuele bedoelingen had en haar niet wilde doden of zwaar mishandelen.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de aangeefster pas losliet nadat zij hem een knietje in zijn geslachtsdeel had gegeven. Ook de tweede verwurging eindigde pas nadat omwonenden op het geweld reageerden. In beide gevallen is het geweld niet uit eigen beweging geëindigd, maar door een externe omstandigheid. Dat de verdachte daarnaast mogelijk seksuele bedoelingen had, doet niet af aan de aard en ernst van het door hem uitgeoefende verwurgende geweld.
De verdachte heeft de aangeefster bij de hals vastgepakt en haar keel dichtgeknepen waardoor zij geen lucht meer kreeg en volgens een getuige paars aanliep waardoor bloeduitstortingen zijn ontstaan. Blijkens de forensisch medische letselrapportage had het geweld op de hals kunnen leiden tot de dood als het langer had voortgeduurd. Door de aangeefster meermalen op die wijze bij de hals vast te pakken en haar keel dicht te knijpen, heeft de verdachte dan ook de aanmerkelijke kans op de dood van de aangeefster bewust aanvaard. Door het dichtknijpen van de keel op de wijze zoals verdachte dat heeft gedaan worden zowel de lucht- als bloedtoevoer naar de hersenen beperkt. Dit kan in korte tijd ernstige gevolgen hebben tot de dood. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een poging doodslag.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 primair
poging doodslag.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen waarvan 169 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast een taakstraf voor de duur van 150 uren.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de geëiste taakstraf achterwege te laten omdat het uitvoeren daarvan haaks staat op de doelen die zijn gesteld door de reclassering.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Hij heeft op meerdere achtereenvolgende momenten de keel van zijn partner dichtgeknepen. Het had veel erger kunnen aflopen voor zijn partner. Dit geweld vond plaats in de woning, waar zij samenwoonden. Juist in deze woning en bij haar partner zou het slachtoffer zich veilig moeten kunnen voelen. Door zijn handelen heeft de verdachte zijn partner grote angst aangejaagd en verdriet aangedaan. De verdachte heeft ter terechtzitting spijt betuigd en was daarbij zeer geëmotioneerd. Gedurende het ten laste gelegde incident was hij onder invloed van alcohol en amfetamine en daardoor kan hij zich van het incident niets herinneren. Dit maakt het handelen van de verdachte des te beangstigender. Het betreft een zeer ernstig feit. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de onaantastbaarheid van het lichaam en de lichamelijke integriteit van zijn partner en haar angst aangejaagd.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 26 mei 2026 staat het volgende. Er zijn aanwijzingen voor een gebrekkige emotie- en agressieregulatie bij de verdachte. Aan te raden valt dat dit nader onderzocht zal worden door middel van verdiepingsdiagnostiek. Verder zijn er aanwijzingen voor risico’s op het gebied van middelengebruik. De verdachte heeft onderhavig delict onder invloed van middelen gepleegd en hij zegt zichzelf niet te kunnen beheersen wanneer hij onder invloed is van middelen. De reclassering ziet ook risico’s in de partnerrelatie en er is sprake van schuldenproblematiek. Het hebben van schulden betreft een algemene risicofactor, waardoor er bij de verdachte risico’s bestaan op het gebied van financiën. In verband met de aanwezige risico’s worden interventies geadviseerd middels bijzondere voorwaarden. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld-hoog.
4.3.3.
Oplegging straffen
Straf
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank in beginsel de oplegging van een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank ziet gelet op het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden aanleiding hiervan af te wijken en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het onvoorwaardelijke deel van die gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zodat hij niet terug naar de gevangenis hoeft.
Vanwege de ernst van het bewezenverklaarde legt de rechtbank daarnaast een hoge taakstraf op. Bij de bepaling van de duur van die taakstraf heeft de rechtbank meegewogen dat wordt afgezien van de oplegging van de in beginsel passende aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht, het geven van inzicht in de financiën, beheersing van middelengebruik en meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en ambulante behandeling.
Gelet op het reclasseringsrapport is er sprake van een hoog recidiverisico. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.

5.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 3 juni 2026 geschorst. De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit onder 1 primair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 360 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 150 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
75 dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
169 dagen, van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzijde rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij reclassering op het adres [adres 2] te [plaats] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Indien de toezichthouder het nodig acht volgt de verdachte een behandeling gericht op het beheersen van het middelengebruik;
de verdachte de reclassering inzicht geeft in zijn financiën. Mocht dit tijdens het reclasseringstoezicht noodzakelijk blijken, dan wordt de verdachte verzocht om
mee te werken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen;
4. de verdachte werkt mee aan verdiepingsdiagnostiek indien de toezichthouder het nodig acht, en de verdachte laat zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra de reclassering dat nodig acht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, relatietherapie en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.J. Bade voorzitter,
en mrs. B. Vaz en E. Stam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.D. van der Veeke, griffier,
Mr. E. Stam is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] .
2.Het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 2]
3.Het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 3] .
4.Forensisch medische letselrapportage opgesteld door [persoon A] .