ECLI:NL:RBROT:2026:8691

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/10/664755 / HA ZA 23-764
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Causaal verband vastgesteld tussen verkeersongeval en functioneel-neurologische stoornis met arbeidsongeschiktheid

Eiseres is op 16 juli 2009 in haar stilstaande auto aangereden door een vrachtwagen met geringe impact, waarna zij gezondheidsklachten ontwikkelde en arbeidsongeschikt werd verklaard. De rechtbank beoordeelde of er causaal verband bestaat tussen de aanrijding en de klachten.

Diverse deskundigen, waaronder een orthopedisch chirurg, neuroloog en psychiater, onderzochten de klachten. De neuroloog concludeerde dat de functiestoornissen van de armen indirect het gevolg zijn van het ongeval via inactiviteit en een somatoforme stoornis (conversiestoornis). De psychiater stelde een functioneel-neurologisch-symptoomstoornis vast, zonder aanwijzingen voor simulatie.

De rechtbank achtte de pijnklachten in nek en rechterarm, de ontwikkeling van een frozen shoulder en een gefixeerde rechterelleboog voldoende aannemelijk en stelde causaal verband vast. Hoewel de psychiater geen direct medisch causaal verband kon vaststellen, is dat voor juridisch causaal verband niet vereist. De zaak wordt verwezen voor verdere deskundigenrapporten over de omvang van de schade en het verlies aan verdienvermogen.

Uitkomst: De rechtbank stelt causaal verband vast tussen het ongeval en de functioneel-neurologische stoornis van eiseres en verwijst de zaak voor verdere schadevaststelling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team haven en handel
Zaaknummer: C/10/664755 / HA ZA 23-764
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J.L.J. van Apeldoorn,
tegen

1.ALLIANZ BENELUX N.V.,

te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Allianz,
advocaat: mr. J.R. Meelker,

2.[naam maatschap] ,

te [vestigingsplaats 2] , en haar maten
a. [maat 1] B.V., te [vestigingsplaats 2] ,
b. [maat 2] B.V
., te [vestigingsplaats 2] ,
c. [maat 3] B.V., te [vestigingsplaats 2] ,
d. [maat 4] B.V., te [vestigingsplaats 2] ,
e. [maat 5] , te [vestigingsplaats 2] ,
f. [maat 6] B.V., te [vestigingsplaats 2] , en
3.
HDI GLOBAL SE,
te [vestigingsplaats 3] , tevens te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: HDI c.s.,
advocaat: mr. L.K. de Haan,

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
In deze zaak zijn na het tussenvonnis van 11 september 2024 de volgende stukken binnengekomen/gewisseld;
- het deskundigenbericht (psychiatrische expertise) van 2 mei 2025 van [deskundige 1] ;
- de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres] ;
- de conclusie na deskundigenbericht van Allianz;
- de akte uitlaten deskundigenbericht, met productie 16, van HDI.
1.2.
Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2.Achtergronden van deze zaak en beslissing in het kort

2.1.
[eiseres] is op 16 juli 2009 in haar stilstaande personenauto aan de voorkant aangereden door een voor haar staande vrachtwagen die voor [eiseres] onverwacht naar achteren reed. De vrachtwagen was onder de WAM verzekerd bij Allianz. De geschatte snelheidsverandering bij de aanrijding was gering (delta v van 2,0 tot 4,5 km/uur) en de schade aan de auto van [eiseres] ook, hoewel de auto total loss is verklaard, maar [eiseres] heeft na de aanrijding gezondheidsklachten gekregen en is tevens arbeidsongeschikt verklaard.
2.2.
Deze zaak speelt alleen nog tussen [eiseres] en Allianz. In een eerder stadium heeft de rechtbank het beroep op verjaring van Allianz verworpen. Dat oordeel is vervolgens door het hof Den Haag bekrachtigd. Nu moet worden beoordeeld of tussen de aanrijding en de gezondheidsklachten van [eiseres] causaal verband kan worden aangenomen. Er zijn door een orthopedisch chirurg en een neuroloog op verzoek van de rechtbank in het verleden deskundigenberichten uitgebracht. In het laatste tussenvonnis heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek door een psychiater bevolen, omdat de neuroloog van mening was dat bij [eiseres] mogelijk sprake was van een psychiatrische aandoening.
2.3.
In dit tussenvonnis stelt de rechtbank vast dat uit het rapport van de psychiater volgt dat [eiseres] lijdt aan een zogenoemde functioneel-neurologisch-symptoomstoornis die zich hierin kenmerkt dat [eiseres] haar rechterarm in een rechte hoek gefixeerd vasthoudt. De vraag is of dit als een gevolg van de aanrijding kan worden beschouwd. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Op grond van de uitgebrachte deskundigenrapporten in onderling verband en samenhang beschouwd en tegen de achtergrond van de in deze zaak vaststaande feiten en omstandigheden, oordeelt de rechtbank dat [eiseres] deze stoornis niet zou hebben ontwikkeld als zij niet zou zijn aangereden. Nu dient de omvang van de hierdoor door [eiseres] geleden schade te worden vastgesteld. Hiervoor moeten nieuwe deskundigen worden benoemd die zullen moeten rapporteren over de beperkingen van [eiseres] als gevolg van de door de rechtbank als vaststaand aangenomen klachten en o.a. over het verlies aan verdienvermogen. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de te nemen vervolgstappen.

3.Beoordeling

De deskundigenrapporten van [deskundige 2] en [deskundige 3]
3.1.
In zijn deskundigenbericht heeft orthopedisch chirurg [deskundige 2] naar aanleiding van de hem voorgelegde vragen onder meer overwogen:

3. OVERIG
a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van de zaak?
Er kon geen enkele relatie worden vastgesteld tussen de huidige klachten en bevindingen bij het lichamelijk onderzoek enerzijds en het ongeval dat betrokkene op 16-07-2009 is overkomen. Mijns inziens hebben niet-fysieke factoren tot de huidige situatie geleid.”
3.2.
Door neuroloog [deskundige 3] is in zijn deskundigenbericht onder meer geschreven:

Neurologisch onderzoek
Gewicht 71 kg bij een lengte van 1.73 m. Geen cognitieve functiestoornissen. Onderzoek van de hersenzenuwen toont geen afwijkingen. Bij onvoorbereid zachtjes praten tegen betrokkene terwijl ik achter haar sta, kan ik geen gehoorstoornis van het rechter oor vaststellen. De rechterarm wordt strak tegen de romp aangehouden met een tot 90 graden gebogen elleboog, waarbij er actief en passief geen beweging mogelijk is. De linkerarm wordt ook in gebogen stand gehouden, waarbij de kracht niet optimaal te onderzoeken is, maar waarschijnlijk zijn er geen paresen. Onderzoek van de motoriek van de benen toont geen paresen. De reflexen zijn symmetrisch opwekbaar. De buikhuidreflexen zijn symmetrisch vlot opwekbaar. De voetzoolreflex toont beiderzijds plantairflexie. Onderzoek van de sensibiliteit toont een vermindering van alle kwaliteiten in de gehele rechter lichaamshelft inclusief het gelaat. De vibratiezin wordt rechts op het voorhoofd niet waargenomen. Er zijn geen cerebellaire
functiestoornissen. De bewegelijkheid van de cervicale wervelkolom is normaal. De nek- en schouder musculatuur is normotoon met uitzondering van de rechter m. trapezius die voortdurend wordt aangespannen. Betrokkene kan goed lopen. Zij kan zich helemaal zelfstandig aan- en uitkleden waarbij zij consequent alleen haar linkerarm gebruikt.
(…)
Beschouwing
Betrokkene heeft op 16-09-2009 een verkeersongeval gehad waardoor geen traumatisch bepaalde neurologische afwijkingen zijn ontstaan. (…) Aanvankelijk had zij last van spierpijn in de nek en rechter schouder, maar in het verloop van enkele dagen ontwikkelde betrokkene een volledig functieloze rechter arm. Deze gebeurtenissen hebben uiteindelijk geleid tot een indrukwekkend ziektebeeld met forse beperkingen in de functie van beide armen. De ernstige bewegingsvrijheid van de armen moeten als een indirect gevolg van het trauma worden beschouwd, omdat zij het gevolg zijn van inactiviteit en niet van directe traumatische schade. De inactiviteit van beide armen heeft geleid tot een frozen shoulder beiderzijds en een frozen elbow rechts. Wat de gevolgen van de frozen shoulder aan beide kanten en de frozen elbow aan de rechterkant zijn, dient te worden beoordeeld door een orthopedisch chirurg.
Bovengenoemde functiestoornissen van beide armen kunnen geen direct gevolg zijn van neurologische schade die is ontstaan door het ongeval d.d. 16-7-2009, omdat er aanvankelijk geen neurologische uitval was. Zeer waarschijnlijk is er sprake van een psychiatrische aandoening in de vorm van een conversie als uiting van een somatoforme stoornis. De klachten over geheugen- en concentratiestoornis hebben geen neurologisch substraat en zijn mogelijk onderdeel van genoemde psychiatrische aandoening.
De huidige bevindingen bij het neurologisch onderzoek, waarbij zowel actief als passief geen beweging van de rechterarm mogelijk is en waarbij er niet organisch bepaalde sensibiliteitsstoomissen worden vastgesteld, passen ook bij een conversieve stoornis. Eerder neurologisch onderzoek in het Erasmus Medisch Centrum gaf ook al aanwijzingen voor een functionele stoornis, waarmee zeer waarschijnlijk een conversie wordt bedoeld. Na een
injectie in de rechterschouder kreeg betrokkene problemen met het bewegen van de linker arm en met het gehoor aan de rechterkant. Hiervoor bestaat vanuit neurologisch perspectief geen verklaring, maar dit kan goed passen bij de diagnose conversie. Het definitief vaststellen van de diagnose conversie stoornis en de mogelijke oorzaken daarvan behoren tot het expertisegebied van de psychiater. Ik heb met betrokkene niet expliciet gesproken over de mogelijkheid van een conversie.
Conclusie
Verkeerstrauma d.d. 16-7-2009 waardoor pijnklachten in de nek- en schoudermusculatuur in het vroege stadium zijn ontstaan, maar waardoor geen neurologische uitvalsverschijnselen zijn veroorzaakt. In tweede instantie hebben deze pijnklachten geleid tot een ernstige beperkte functie van beide armen, rechts meer uitgesproken dan links. Deze functiestoornissen van de armen zijn zeer waarschijnlijk het gevolg zijn van inactiviteit, welke zeer waarschijnlijk weer secundair zijn aan een somatoforme stoornis in de zin van een conversie. Door de inactiviteit
is er beiderzijds een frozen shoulder ontstaan en aan de rechterkant ook een frozen elbow.
(…)
Diagnose
(…)
De diagnose luidt: status na mild verkeersongeval waarbij geen neurologische uitvalsverschijnselen zijn ontstaan, maar bij tendomygene pijnklachten zich uiteindelijk zeer waarschijnlijk hebben ontwikkeld tot een somatoforme stoornis in de zin van conversie die zich uit in een functieloze rechterarm, een functiebeperkte linkerarm, klachten over niet te objectiveren gehoorstoornissen en gevoelsstoornissen in de rechter lichaamshelft. Secundair aan deze beperkte functie van beide armen is een frozen shoulder aan weerskanten en een frozen elbow aan de rechterkant ontstaan. Op neurologisch gebied is er geen differentiële diagnose.”
Het deskundigenbericht van [deskundige 1]
3.3.
De door de rechtbank in haar laatste tussenvonnis benoemde deskundige [deskundige 1] , psychiater, is in zijn deskundigenbericht onder meer het volgende overwogen:

IVBESCHOUWING
(…)
Finale overwegingen met betrekking tot de (differentiaal) diagnose en de eventuele medische causaliteit met het ongeval van 16 juli 2009:
(…)
Bij onderzoek worden geen psychiatrische symptomen en/of aanhoudende cognitieve, affectieve of conatieve functiestoornissen geconstateerd. Er wordt een op de buik/borst gefixeerde rechter arm geconstateerd (gefixeerde dystonie). Bij nader onderzoek hiervan is sprake van
gegenhaltenen een wisselende tonus/intermitterende kracht.
Gelet op de informatie uit het dossier, de bevindingen bij psychiatrisch en beperkt/gericht neuropsychiatrisch onderzoek alsook de nog verkregen informatie van de huisarts werd dan in eerste instantie - differentiaal diagnostisch - in het bijzonder overwogen en onderzocht of er bij onderzochte (nog steeds) sprake is van een conversiestoornis ofwel functioneel-neurologisch-symptoomstoornis (FNS). Hiervoor worden ook thans aanwijzingen gevonden. Er is bij onderzochte sprake van een gefixeerde dystonie als onderdeel van een functioneel-neurologischsymptoomstoornis (voorheen conversiestoornis). Er is bij onderzochte immers
sprake van symptomen van veranderingen in de willekeurige motorische functies die bij eerdere uitgebreide onderzoeken incompatibel waren/zijn met een bekende neurologische of andere somatische aandoeningen en die niet beter kunnen worden verklaard door een andere somatische of psychische stoornis. Daarnaast worden door onderzochte hierdoor fysieke beperkingen ervaren.
In DSM-5 TR termen kan dan bij onderzochte een functioneel-neurologischsymptoomstoornis, met abnormale bewegingen (dystonie), persisterend (F44.4) worden gediagnosticeerd.
(…)
Gelet op de differentiële diagnostiek van een functioneel-neurologisch-symptoomstoomis conform de DSM-5 TR werd nog overwogen en onderzocht of er bij onderzochte sprake kan zijn van een nagebootste stoornis of simulatie. Gelet op de in de loop der jaren consistent beschreven gefixeerde dystonie, de reactie van onderzochte op de herhaalde confrontatie met mogelijk inconsistenties en vooral de vrij typische presentatie behorend bij een conversiestoornis worden hiervoor thans geen overtuigende aanwijzingen gevonden. Echter, een volledige uitsluiting hiervan is in het kader van een dergelijke expertise niet mogelijk. In de casus van onderzochte speelt er immers al lang een voor haar blijkbaar erg betekenisvolle letselschadeprocedure en onderzochte werd nog nooit langer durend geobserveerd in een hiervoor gespecialiseerde setting, zoals een SOLK- of ALK-centrum.
Gelet op de context van het onderzoek werd - differentiaal diagnostisch - in het bijzonder overwogen en onderzocht of er bij onderzochte tevens sprake is van een posttraumatische-stressstoornis (PTSS). Hiervoor worden thans geen aanwijzingen gevonden. (…)
Gelet op de door onderzochte nog aangegeven overige, met name lichamelijke klachten werd - differentiaal diagnostisch - in het bijzonder overwogen en onderzocht of er bij onderzochte sprake is van een somatisch-symptoomstoomis. Hiervoor worden geen aanwijzingen gevonden. (…)
Aldus wordt het als meest aannemelijk ingeschat dat er bij onderzochte nog steeds sprake is van een functioneel-neurologisch-symptoomstoornis die gekenmerkt wordt door een gefixeerde dystonie van de rechter arm. Er zijn thans geen aanwijzingen voor een comorbide psychiatrische stoornis.
De etiologie en pathogenese van een functioneel-neurologisch-symptoomstoornis vergt veelal een uitvoerige analyse en observatiemogelijkheid, bij voorkeur, zoals hierboven reeds werd gesteld, in een hiervoor gespecialiseerd centrum. Ten behoeve van de beantwoording van uw vraagstelling volgt hieronder dan ook slechts een tentatieve analyse van de eventuele medische causaliteit, bijvoorbeeld met het ongeval van 16 juli 2009. Daarbij wordt dan, zoals dat gangbaar en gebruikelijk is in een dergelijke casus, gebruik gemaakt van de onderstaande figuur en de hieromtrent vigerende GGZ-standaarden:
[Afbeelding p. 35 weggelaten]
Bij onderzochte worden bij de tentatieve analyse in het kader van dit expertiseonderzoek geen evidente predisposing factors (1) ofwel predisponerende factoren geconstateerd.
Het ongeval van 16 juli 2009 zou te beschouwen kunnen zijn als een triggering event (2) ofwel trigger. Uit de informatie uit het dossier komt echter naar voren dat de gefixeerde dystonie zich meest waarschijnlijk pas enkele weken na het ongeval had ontwikkeld en er wordt aldus geen duidelijke of voldoende eenduidige psychische stressfactor geconstateerd. Ook thans worden er bij onderzochte geen comorbidities (3) ofwel comorbiditeit geconstateerd, met name dus geen posttraumatische-stressstoomis. Voor wat betreft de perpetuating factors (4) ofwel onderhoudende factoren kunnen het gevoel niet geloofd of erkend te worden (hetgeen door onderzochte wordt benadrukt en blijkbaar een grote impact op haar heeft), medische onzekerheden/misdiagnosen (uit de gerichte anamnese en de opgevraagd informatie van de huisarts komt naar voren dat onderzochte, maar ook de huisarts nog niet tot nauwelijks bekend zijn met de diagnose FNS), het eerdere gebruik van opiaten (Oxycodon) en de huidige medicolegale context (hetgeen volgens onderzochte een grote impact op haar heeft) worden benoemd. Er is bij onderzochte in de afgelopen jaren nog helemaal niet sprake geweest van een specifieke treatment (5) ofwel geëigende behandeling in het kader waarvan ook recovery (6) ofwel herstel zou kunnen worden beoogd of geobserveerd.
(…) Beloop
Conversiestoornissen komen bij alle leeftijdsgroepen voor. Niet-epileptische aanvallen komen meer voor bij twintigers en motorische symptomen meer bij mensen tussen de 30 en 40 jaar. De symptomen kunnen voorbijgaand van aard zijn of persisterend. (…)
(…)
Bij het nagaan van de GGZ-standaarden kan in de casus van onderzochte worden geconstateerd dat de symptomatologie bij haar persisterend is gebleken. Er zijn bij onderzochte geen duidelijke aanwijzingen voor maladaptieve persoonlijkheidskenmerken (anders dan een bepaalde mate van perfectionisme), noch voor de aanwezigheid van een comorbide somatische ziekte. Het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering zou in de casus van onderzochte wel een beeldbepalende factor kunnen zijn. Bij nagaan van de gebruikelijke differentiaal diagnostiek zijn er bij onderzochte aldus op basis de beschikbare informatie en het eigen onderzoek thans geen duidelijke aanwijzingen voor simulatie, dissimulatie, aggravatie of een nagebootste stoornis. Er zijn ook geen aanwijzingen voor een ernstige depressie, psychose of dissociatieve toestand, noch voor ernstige en complexe problematiek. Voor wat betreft het gevolgenmodel moet dan nogmaals worden opgemerkt dat een analyse hiervan niet goed mogelijk is binnen de context van een dergelijke expertise. Nadere diagnostiek met betrekking tot de etiologie, de luxerende/beeldbepalende factoren en met name behandeling vindt dan ook veelal plaats binnen/gedurende een gespecialiseerde behandelcontext, dus veelal in een SOLK- ofwel ALK-centrum.
Op basis van bovenstaande analyse, maar ook het beloop kan aldus onvoldoende eenduidig worden vastgesteld of er bij onderzochte een direct medisch causale relatie zou kunnen bestaan tussen het ongeval van 16 juli 2009 en de thans nog gediagnosticeerde gefixeerde dystonie ofwel functioneel-neurologisch-symptoomstoornis.
Beperkingen :
Voor wat betreft het vakgebied van de psychiatrie worden geen aanhoudende psychiatrische functiestoornissen geconstateerd die zouden kunnen leiden tot beperkingen ten aanzien van haar functioneren. Of en zo ja welke motorische ofwel functionele/fysieke beperkingen dienen te worden aangenomen in het kader van de functioneel-neurologisch-symptoomstoomis behoort niet tot de deskundigheid van een psychiater. Echter, in het DSM-5 TR classificatiesysteem staat hierover vermeld:
“Gevolgen voor het functioneren: bij mensen met een functioneel-neurologisch-symptoomstoornis kan er sprake zijn van aanzienlijke lichamelijke invaliditeit. De ernst daarvan kan vergelijkbaar zijn met de invaliditeit van mensen met een vergelijkbare bekende somatische aandoening.”
VCONCLUSIE
Beschrijvende diagnose:
Een thans 45-jarige vrouw bij wie zich sinds een auto-ongeval diverse lichamelijke, met name pijnklachten en een gefixeerde dystonie, meest aannemelijk in het kader van een conversiestoornis, voordoen en op wie daarbij een langdurige letselschadeprocedure een grote impact heeft, thans zonder aanwijzingen voor een comorbide psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis, bij een voor zover bekend blanco psychiatrische voorgeschiedenis en zonder een thans bekende beeldbepalende somatische status.
DSM-5 TR classificatie :
F44.4 Functioneel-neurologisch-symptoomstoornis, met abnormale bewegingen
(dystonie), persisterend
3.4.
Allianz heeft aan [deskundige 1] enkele aanvullende vragen voorgelegd, die hij, voor zover van belang, als volgt heeft beantwoord:

VIVERDUIDELIJKENDE VRAGEN / OPMERKINGEN
(…)
3. U geeft op pagina 35 aan dat het ongeval van 16 juli 2009 te beschouwen zou kunnen zijn als een triggering event ofwel trigger. Kunt u toelichten waarom het ongeval van 16 juli 2009 als triggering event zou kunnen worden gezien? Er is immers geen sprake geweest van een de triggering events in het figuur op pagina 35 van uw rapport. Dat bevestigt u op pagina 32. Of bedoelt u dat een ongeval op zich (dus niet per se het ongeval van 16 juli 2009) een triggering event kan zijn, onder de voorwaarde dat sprake is van een van de triggers in het figuur op pagina 35 (injury, panic attack, migraine, etc.) waarvan bij betrokkene volgens u dus geen sprake is?
In het algemeen kan een ongeval worden beschouwd als een triggering event. Zoals op pagina 35 in het rapport staat vermeld, zou het ongeval van 16 juli 2009 te beschouwen kunnen zijn als een triggering event ofwel trigger. Uit de informatie uit het dossier komt echter naar voren dat de gefixeerde dystonie zich bij onderzochte meest waarschijnlijk pas enkele weken na het ongeval had ontwikkeld en er wordt aldus geen duidelijke of voldoende eenduidige psychische stressfactor geconstateerd. Op pagina 33 wordt ook nog beschreven dat werd overwogen of er bij onderzochte sprake is geweest van een psychische stressor als oorzaak voor de functioneel-neurologisch-symptoomstoornis. Dat kan bij onderzochte retrospectief onvoldoende eenduidig worden vastgesteld, maar er zijn hiervoor thans geen duidelijke aanwijzingen. Weliswaar heeft onderzochte op de dag van het ongeval gedurende enkele uren mogelijk iets van een stress- of shockreactie vertoont (de door toen haar toenmalige partner geconstateerde bepaalde blik in haar ogen), maar verder komen hiervoor noch uit het functioneren/handelen direct na het ongeval, noch uit het verdere beloop (onderzochte heeft zelf nooit psychische klachten ervaren en dergelijke klachten werden verder ook nooit beschreven) en ook niet uit de bevindingen tijdens het huidige onderzoek (geen emotionele reactie of ontregeling bij het bespreken van het ongeval) aanwijzingen naar voren.
(…)
4. In het figuur op pagina 35 staat dat migraine een triggering event kan zijn. Op 18 december 2009 schreef neuroloog Bakker dat hij betrokkene kent uit september 2007 met klachten passend bij migraine zonder aura. Zij is daarvoor neurologisch behandeld en er werd Propanolol voorgeschreven. Kan de bekendheid van
betrokkene met migraine volgens u een (alternatieve) trigger c.q. oorzaak zijn voor gediagnosticeerde functioneel neurologische-symptoomstoornis?
In het kader van dit psychiatrisch onderzoek werd niet expliciet onderzocht of bij onderzochte bekendheid met migraine of wellicht een aanval van migraine als een (alternatieve) trigger voor de functioneel-neurologische-symptoomstoomis zou kunnen worden beschouwd. Indien de Rechtbank of partijen dat alsnog zouden willen (laten) onderzoeken, zal dat onderzoek bij voorkeur door een neuroloog moeten worden verricht.”
3.5.
Op de aan hem door de rechtbank in het tussenvonnis gestelde vragen heeft de deskundige [deskundige 1] ten slotte als volgt geantwoord:
VIIBEANTWOORDING VRAGEN
(…)
II.IWMD-vraagstelling:
1. DE SITUATIE MET ONGEVAL
(…)
Consistentie
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij
onderzoek en eventueel hulponderzoek?
Ja, grotendeels. Voor een weergave van de conform de vigerende richtlijn en vanwege uw vraagstelling met onderzochte besproken mogelijke inconsistenties, zie: II Anamnese, onder
Specifieke anamnese met betrekking tot bepaalde bevindingen/mogelijke inconsistenties o.a. uit het dossier.
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?
Voor een weergave van de reactie van onderzochte op de mogelijke inconsistenties, zie: III Psychiatrisch onderzoek, onder Eerste indrukken. Hieruit wordt thans geconcludeerd dat onderzochte blijkbaar nog niet of nog
onvoldoende werd voorgelicht over de diagnose functioneel-neurologisch-symptoomstoornis ofwel conversiestoornis.
(…)
Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in haar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid
mogelijk beschrijven, en zonodig toelichten ten behoeve van een eventueel
in te schakelen arbeidsdeskundige?
Voor wat betreft het vakgebied van de psychiatrie worden geen aanhoudende psychiatrische functiestoornissen geconstateerd die zouden kunnen leiden tot beperkingen ten aanzien van haar functioneren. Of en zo ja welke motorische ofwel functionele/fysieke beperkingen dienen te worden aangenomen in het kader
van de functioneel-neurologisch-symptoomstoornis behoort niet tot de deskundigheid van een psychiater. Echter, in het DSM-5 TR classificatiesysteem staat hierover vermeld: “Gevolgen voor het functioneren: bij mensen met een functioneel-neurologisch-symptoomstoornis kan er sprake zijn van aanzienlijke lichamelijke invaliditeit. De ernst daarvan kan vergelijkbaar zijn met de invaliditeit van mensen met een vergelijkbare bekende somatische aandoening.
Medische eindsituatie
(…)
Er wordt op vakgebied van de psychiatrie thans geen diagnose gesteld met een direct medisch causale relatie met het ongeval ten aanzien waarvan deze vraag beantwoord zou kunnen worden.

2.DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
Voor zover bekend was er bij onderzochte vóór het ongeval in 2009 sprake van een blanco psychiatrische voorgeschiedenis.
b. Zo Ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?
Niet van toepassing.”
Is causaal verband aanwezig tussen klachten van [eiseres] en het ongeval?
3.6.
Het geschilpunt tussen partijen waarover nu beslist moet worden betreft de vraag of causaal verband bestaat tussen het ongeval dat [eiseres] is overkomen en de door haar daarna geuite klachten. Allianz heeft dit betwist. [eiseres] moet het bestaan van causaal verband daarom bewijzen (artikel 150 Rv Pro). Eerst zal de rechtbank moeten vaststellen welke klachten [eiseres] heeft geuit in relatie tot het ongeval. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of kan worden aangenomen dat deze klachten daadwerkelijk hebben bestaan of nog bestaan. Ten slotte zal de rechtbank bespreken of gesproken kan worden van een causaal verband tussen de klachten voor zover aanwezig en het ongeval.
De klachten die [eiseres] stelt na de aanrijding te hebben gekregen
3.7.
[eiseres] voert in haar conclusie van repliek over haar klachten aan dat zij een vrijwel continue en dagelijks aanwezige pijn ervaart in de rechternekhelft, rechterschouder en -arm. Daarbij is volgens haar sprake van een verdoofd gevoel in de gehele rechterarm en -hand, maar maximaal in het gebied rond de schouder. De verschijnselen nemen toe bij koude en regenachtige weersomstandigheden en nemen af bij warmte en rust. Er is een totaal onvermogen om de arm en de schouder te bewegen en in de elleboog en de pols te strekken en te buigen. De rechterarm en -schouder is disfunctioneel, hetgeen wil zeggen, dat [eiseres] feitelijk eenarmig is. In geringe mate is er ook een functiebeperking in de linkerarm en -elleboog en de linkerhand, wegens overbelasting. Daarnaast is sprake van klachten van verminderd geheugen en verslechterde concentratie. Het is voor haar naar haar zeggen niet meer mogelijk om meerdere dingen tegelijk te doen. Tevens is sprake van verhoogde gevoeligheid voor fel licht, geluid en drukte, alsmede snel optredende vermoeidheid. Al deze klachten beschouwt [eiseres] als ontstaan door het ongeval.
Bewijslast van de (pijn- en andere) klachten ligt bij [eiseres]
3.8.
De bewijslast van de aanwezigheid van de klachten rust op [eiseres] . De rechtbank overweegt over de vraag of zij in het leveren van bewijs geslaagd is het volgende.
Pijnlijke nekmusculatuur en pijnlijke rechterarm na ongeval is in voldoende mate aangetoond
3.9.
De rechtbank acht door [eiseres] aangetoond dat zij enkele uren na de aanrijding pijn in de nek heeft gekregen, gevolgd door pijn in de rechterarm. Ondersteuning hiervoor is te vinden in de bevindingen van de huisarts. Deze heeft [eiseres] op 20 juli 2009 onderzocht en toen een “gespannen pijnlijke nekmusculatuur” geconstateerd. Anders dan Allianz aanvoert, kan de rechtbank in de omstandigheid dat de huisarts de aantekening heeft gemaakt dat [eiseres] op de dag van het ongeval, 16 juli 2009, (telefonisch) over pijn in de rug heeft geklaagd, geen inconsistentie ontdekken met de gemelde pijn in de nek. Het is niet duidelijk of de aantekening volledig is in die zin dat de gemelde pijn in de rug de enige klacht van [eiseres] op dat moment was. De huisarts meldt in elk geval zelf in een brief van 31 augustus 2009 dat [eiseres] op de dag van het ongeval ook over nekklachten heeft gesproken.
3.10.
De huisarts heeft [eiseres] op grond van de pijnklachten naar het ziekenhuis voor een röntgenfoto van de halswervelkolom verwezen. Uit dit beeldvormend onderzoek zijn geen bijzonderheden gebleken. Dat is echter niet voldoende om te kunnen zeggen dat [eiseres] dan dus geen pijnklachten in de nek zou hebben. Het verweer van Allianz dat [eiseres] geen lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding van 16 juli 2009, is niet beslissend voor de vraag of schadevergoeding toewijsbaar is. Het is vaste rechtspraak dat niet vereist is dat het slachtoffer een medisch bewijsbaar letsel heeft gekregen. Het bestaan van de pijnklachten acht de rechtbank op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk om bewezen te achten.
3.11.
[eiseres] heeft de huisarts op 24 juli 2009 weer bezocht. Zij klaagt dan ook over (toegenomen) pijn in de rechterarm. De huisarts heeft [eiseres] op die dag verwezen naar een fysiotherapeut. De fysiotherapeut heeft bij lichamelijk onderzoek, naast een gespannen musculatuur van de halswervelkolom, een beperkte beweeglijkheid geconstateerd van de rechterschouder die [eiseres] volgens de vaststelling van de fysiotherapeut kon strekken tot 100°, met pijn in de rechterarm. Er was volgens de fysiotherapeut sprake van een gespannen musculatuur van de schouder, naast die van de nek. Op grond van de bevindingen van de fysiotherapeut acht de rechtbank ook voldoende aannemelijk dat [eiseres] pijn in de rechterarm had, maar in elk geval haar schouder daardoor beperkt kon bewegen.
Frozen shoulder
3.12.
Steun voor het feit dat naast de nekklachten en pijn in de rechterarm in de weken na het ongeval ook een beperking in de bewegingsmogelijkheid van de rechterschouder is ontstaan, wordt voorts gevonden in de bevindingen van een neuroloog verbonden aan het Erasmus MC, die [eiseres] op 27 augustus 2009 heeft gezien en onderzocht, dus zes weken na het ongeval. Deze neuroloog noteert:

Antalgische houding, drukpijnlijke paraspinale cervicale spiergroepen en protuberantia occipitales beiderzijds, actieve en passieve bewegingsbeperking bij abductie van de rechter schouder (…). De klachten imponeren als een cervico brachialgie op basis van tendomyogene klachten met daarbij een frozen shoulder rechts (...)”.
Deze beoordeling bevestigt dat [eiseres] last heeft van pijnlijke nekspieren maar ook van, waar het hier om gaat, een bewegingsbeperking van de rechterschouder, waarvoor de term de neuroloog de term “frozen shoulder” gebruikt. De rechtbank acht op grond van de bevindingen van de neuroloog door [eiseres] genoegzaam aangetoond dat zij in de periode na de aanrijding pijnklachten in de nek en daarna een ‘frozen shoulder’ heeft gekregen. De vaststelling dat [eiseres] een slecht beweegbare rechter schouder heeft ontwikkeld is daarna door meerdere medisch specialisten gedaan.
3.13.
[eiseres] is op 27 september 2009 nogmaals bij de neuroloog in het EMC in consult geweest, met geen andere conclusie dan daarvoor (“De klachten imponeerden nog steeds als tendomyogeen met deels een functionele component en waarbij inmiddels ook een frozen shoulder is ontstaan”). De neuroloog heeft toen ook melding gemaakt van een “gegenhalten” van de rechterarm en dat de klachten een deels “functionele component” hadden. Hierop wordt hierna onder 3.16 e.v. verder ingegaan onder het kopje “gefixeerde gebogen elleboog rechts”.
3.14.
Op grond van het voorgaande staat voor de rechtbank dus vast dat [eiseres] na de aanrijding eerst pijn in de nek heeft gehad, daarna pijn in de rechterarm en vervolgens in een periode van enkele weken klachten heeft ontwikkeld die kunnen worden geduid als een (rechter) frozen shoulder. Door de deskundige [deskundige 2] , orthopedisch chirurg, is opgemerkt dat een frozen shoulder niet al na enkele dagen kan ontstaan. Waarschijnlijk is deze opmerking ingegeven door de mededeling van [eiseres] dat zij al na enkele dagen last had van een slecht beweegbare schouder of een frozen shoulder. Er moet echter van worden uitgegaan dat de frozen shoulder pas enkele weken later is ontstaan, zoals hiervoor is besproken.
Gefixeerde gebogen elleboog rechts; uit psychiatrische rapportage volgt dat [eiseres] lijdt aan een functioneel-neurologische stoornis
3.15.
Op 8 oktober 2009 is [eiseres] in het kader van een second opinion onderzocht door een neuroloog van het St. Franciscus Gasthuis Rotterdam. Deze neuroloog stelde naast een frozen shoulder rechts ook een ‘frozen elbow’ rechts vast. [eiseres] is vervolgens onderzocht door een revalidatiearts van hetzelfde ziekenhuis die haar heeft doorverwezen naar een orthopedisch chirurg van het ziekenhuis. Ook de orthopedisch chirurg stelde bij [eiseres] een frozen shoulder vast, maar spreekt eveneens over een frozen elbow rechts “op basis van een dystonie”. Bij [eiseres] is sindsdien (vanaf dus omstreeks oktober 2009) consequent geconstateerd dat zij haar rechter elleboog gefixeerd tegen haar lichaam aan hield in een hoek van 90°.
3.16.
Over de fixatie van de rechter elleboog heeft [deskundige 3] gerapporteerd dat dit een functiestoornis was die “zeer waarschijnlijk” als een “psychiatrische aandoening in de vorm van een conversie als uiting van een somatoforme stoornis” moet worden geduid. Wegens de omstandigheid dat het vaststellen van een psychiatrische aandoening tot de deskundigheid behoort van een psychiater, heeft de rechtbank aanleiding gezien [deskundige 1] , psychiater, tot deskundige te benoemen. De vraagstelling aan deze deskundige is ook gedaan, omdat vastgesteld moest worden of de door [eiseres] geuite klacht van haar rechterelleboog niet als voorgewend of gesimuleerd kon worden aangemerkt, zoals door Allianz in deze procedure is gesuggereerd.
3.17.
Drs. [deskundige 1] heeft vastgesteld dat voor simulatie door [eiseres] van de gefixeerde rechter elleboog geen duidelijke aanwijzingen bestaan, zonder dit te kunnen uitsluiten omdat daarvoor een langer durende opname van [eiseres] in een SOLK-centrum nodig zou zijn. Voor de vaststelling dat van simulatie door [eiseres] geen sprake is, acht de rechtbank een lange opname van [eiseres] in een SOLK-centrum niet aangewezen en de vaststelling van [deskundige 1] dat geen aanwijzingen bestaan voor een simulatie door [eiseres] voldoende. Drs. [deskundige 1] heeft immers de klacht van [eiseres] zonder verder voorbehoud gediagnosticeerd als een functioneel-neurologisch symptoomstoornis (FNS), met abnormale bewegingen (dystonie), persisterend (F44.4) ofwel conversiestoornis. De rechtbank neemt dit deskundigenoordeel over. Allianz heeft het verder ook niet bestreden. De rechtbank gaat dus uit van een op dit punt werkelijk bestaande klacht van [eiseres] .
Latere geuite (pijn)klachten in linkerarm/-schouder zijn onvoldoende geobjectiveerd
3.18.
[eiseres] is in de loop van 2010 onder behandeling gekomen van Heliomare. In het kader van een door dit centrum aangeboden behandeling zijn door een anesthesist in 2011 bij [eiseres] verdovingsinjecties in de nek toegediend. Na eerst een proefinjectie te hebben gekregen is bij [eiseres] op 27 juni 2011 een hogere dosis verdoving in de nek ingespoten. Hierna heeft [eiseres] melding gemaakt van ondraaglijke pijn in de nekstreek en ook in de linker arm en de linker schouder. [eiseres] heeft sindsdien aangegeven de linker arm niet meer te kunnen strekken en ook de linker schouder niet goed meer te kunnen bewegen. Bij onderzoek door [deskundige 3] is ook nog van deze beperking in de beweging uitgegaan.
3.19.
Over deze later door [eiseres] geuite klacht oordeelt de rechtbank als volgt. Het is mogelijk dat [eiseres] door de toegediende injecties in het kader van haar behandeling van de problemen met haar rechterarm pijnklachten in de linkerarm heeft gekregen en deze daardoor minder goed heeft kunnen bewegen, maar deze klachten zijn in onvoldoende mate door een arts vastgesteld en zijn ook niet van blijvende aard geweest. Bij het onderzoek door [deskundige 1] kon [eiseres] de linker arm verder omhoog laten tillen dan de schouder waar dat volgens haar niet mogelijk zou zijn en heeft [deskundige 1] ook geen aanspannen van de spieren gevoeld, waren biceps- en triceps-peesreflex in de linkerarm gemakkelijk op te wekken en vrij levendig, terwijl aan de rechter arm deze na herhaalde pogingen niet waren op te wekken.
3.20.
De aanvankelijk geuite klachten aan de linkerarm kunnen derhalve niet worden geobjectiveerd (waar dat met de rechterarm wel het geval is). De rechtbank acht het bestaan van invaliderende klachten aan de linkerarm dan ook in onvoldoende mate aangetoond.
Andere dan de hiervoor beschreven klachten zijn niet komen vast te staan
3.21.
Andere klachten dan degene die hiervoor zijn besproken, acht de rechtbank eveneens in onvoldoende mate door [eiseres] aangetoond. Waar zij heeft geklaagd over een verminderd geheugen en verslechterde concentratie, stelt de rechtbank vast dat deze klachten niet in het door [eiseres] geraadpleegde medische circuit zijn bevestigd en dat dit evenmin is gebeurd door de deskundigen die de rechtbank heeft benoemd. Hetzelfde geldt voor de verhoogde gevoeligheid voor fel licht, geluid en drukte, en de snel optredende vermoeidheid. Van het bestaan van deze klachten kan dus niet worden uitgegaan.
De slotsom m.b.t. de bij [eiseres] aanwezige klachten
3.22.
De rechtbank bereikt op grond van het voorgaande de slotsom dat [eiseres] kort na de aanrijding pijn in de (in de spieren van de) nek en de rechterarm heeft gekregen, welke klachten in voldoende mate zijn geobjectiveerd, en dat bij haar na enkele weken een frozen shoulder rechts is ontstaan, die vervolgens is gevolgd door een algehele, niet gesimuleerde, fixatie van de rechterelleboog.
Causaal verband tussen vastgestelde klachten en de aanrijding
3.23.
De rechtbank komt thans toe aan de beoordeling van de vraag of de pijnklachten van [eiseres] aan nek en rechterarm zoals door haar na het ongeval gemeld, de frozen shoulder rechts en vervolgens de gefixeerde elleboog rechts als een gevolg kunnen worden beschouwd van de aanrijding. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Zij doet dat in de eerste plaats op grond van de overwegingen in het deskundigenbericht van [deskundige 3] .
3.24.
Deze deskundige is tot de volgende conclusie gekomen. Door de aanrijding van [eiseres] op 16 juli 2009 zijn pijnklachten in de nek- en schoudermusculatuur in het vroege stadium ontstaan, maar daardoor zijn geen neurologische uitvalsverschijnselen veroorzaakt. Wel hebben deze pijnklachten
in tweede instantiegeleid tot een ernstige beperkte functie van met name de rechterarm. De vastgestelde functiestoornissen aan de rechterarm zijn naar het oordeel van [deskundige 3] zeer waarschijnlijk het gevolg van inactiviteit, welke zeer waarschijnlijk weer secundair zijn aan een somatoforme stoornis in de zin van een conversie. Door de inactiviteit is er, aldus [deskundige 3] , beiderzijds een frozen shoulder ontstaan en aan de rechterkant ook een frozen elbow. De ernstige bewegingsvrijheid van de armen moeten naar het oordeel van [deskundige 3] als “een indirect gevolg” van de aanrijding worden beschouwd.
3.25.
Deze beschouwing van [deskundige 3] biedt voor de rechtbank voldoende steun voor de conclusie dat het causaal verband tussen de aanrijding van [eiseres] en haar uiteindelijke klacht van een in een vaste hoek gefixeerde, onbeweeglijke rechterarm, in juridische zin vaststaat. Een causaal verband in de zin van een
condicio sine qua nonverband kan in rechte worden aangenomen, als voldoende aannemelijk is dat het gevolg niet zou zijn ingetreden als de aanrijding niet zou hebben plaatsgevonden. Die situatie doet zich hier voor. De pijnklachten in de nek en de rechterarm van [eiseres] zouden zeer waarschijnlijk (zie in dat verband het rapport van [deskundige 3] ) niet zijn opgetreden als zij niet zou zijn aangereden. De frozen shoulder zou vervolgens niet zijn niet zijn ontstaan, als [eiseres] de bedoelde pijnklachten niet zou hebben gehad. Ten slotte is de gefixeerde rechter elleboog volgens [deskundige 3] door de inactiviteit van de rechterarm, en daardoor weliswaar secundair en als een indirect gevolg, maar desalniettemin als gevolg aan te merken van de aanrijding, omdat zonder de aanrijding geen inactiviteit van de arm en schouder zou zijn opgetreden en dus niet uiteindelijk de gefixeerde rechterelleboog zoals bij [eiseres] vastgesteld. Er is -met andere woorden- in dit geval sprake van een causale keten van gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot de gefixeerde onwillekeurige samenspanning van de rechterelleboog van [eiseres] , met de fysieke beperking die zij daarvan ondervindt als gevolg. Dit is een voorbeeld van een geval waarbij een kleine gebeurtenis (aanrijding met een lage impact) heeft geleid tot een ingrijpend en daardoor groot gevolg. Aan het in juridische zin aannemen van causaal verband tussen de eerstgenoemde gebeurtenis en dit latere gevolg staat dat echter niet in de weg.
3.26.
Wat [deskundige 1] in het door hem uitgebrachte deskundigenbericht over de medische causale relatie van de functiestoornis in de rechterarm heeft overwogen doet aan het voorgaande niet af. Door [deskundige 1] is nagegaan of een medische verklaring kan worden gegeven voor het ontstaan van de door hem gediagnosticeerde gefixeerde dystonie in de rechterarm. Hij is tot de conclusie gekomen dat een ongeval in het algemeen is te beschouwen als een triggering event voor een stoornis als hier aan de orde en dat het ongeval van 16 juli 2009 op zich ook zou kunnen worden beschouwd als “triggering event” van de stoornis van [eiseres] . Daaraan heeft hij echter toegevoegd dat daartegen pleit dat de gefixeerde dystonie bij [eiseres] zich meest waarschijnlijk pas enkele weken na het ongeval heeft ontwikkeld en er aldus geen duidelijke of voldoende eenduidige psychische stressfactor kan worden geconstateerd. Zijn conclusie is dat een “direct medisch causale relatie” tussen de klachten en het ongeval daarom niet vaststaat althans niet kan worden vastgesteld. Zoals hiervoor overwogen, is voor het aannemen van (juridisch) causaal verband tussen in dit geval een verkeersongeval en het daarna aangetroffen letsel niet vereist dat een “direct medisch causale relatie” kan worden aangewezen, maar is ook van causaal verband sprake als tussen letsel en ongeval met redelijke mate van waarschijnlijkheid een indirecte oorzaak-gevolg relatie bestaat in de zin dat kan worden aangenomen dat het gevolg, het letsel, niet zou zijn ontstaan als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden.
3.27.
Door Allianz is naar voren gebracht dat [deskundige 1] in antwoord op de door haar aan hem gestelde aanvullende vraag 4, of de bij [eiseres] twee jaar voor het ongeval gediagnosticeerde migraineklachten (migraine zonder aura) als “trigger event” van de door hem bij [eiseres] gediagnosticeerde FNS (functioneel-neurologischsymptoom stoornis) zou kunnen worden aangemerkt, heeft geschreven dat door hem in het kader van het psychiatrisch onderzoek niet expliciet is onderzocht of bij [eiseres] bekendheid met migraine of wellicht een aanval van migraine als een (alternatieve) trigger voor de functioneel-neurologisch-symptoomstoornis zou kunnen worden beschouwd, maar dat indien de Rechtbank of partijen dat alsnog zouden willen (laten) onderzoeken, dat onderzoek bij voorkeur door een neuroloog zou moeten worden verricht. De rechtbank ziet in dit antwoord geen aanleiding om een nieuw onderzoek, door [deskundige 1] of door een neuroloog, te laten uitvoeren. Het tijdsverloop tussen de genoemde migraine van twee jaar voor het ongeval en de bedoelde functiestoornis is veel langer geweest dan het tijdsverloop van niet meer dan zes weken tussen de aanrijding en het ontstaan van de stoornis. Dit laatste tijdsverloop was voor [deskundige 1] al voldoende om te concluderen dat geen direct medische causale relatie bestond tussen de aanrijding en de stoornis. Er is voorts niet vastgesteld dat [eiseres] in de periode van twee jaar voor het ongeval migraine heeft gehad. Er is dan ook onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat de migraine van [eiseres] twee jaar voor het ongeval tot het ontstaan van de gebogen gehouden rechter elleboog bij [eiseres] heeft geleid, in plaats van dat de aanrijding tot eerst de pijnklachten, daarna de frozen shoulder en uiteindelijk de bij [eiseres] geconstateerde symptoomstoornis heeft geleid. Daarbij neemt de rechtbank ten slotte in aanmerking dat geen van de tot nu toe geraadpleegde deskundigen, waaronder [deskundige 1] zelf, aanleiding gezien een relatie te leggen tussen de migraineklachten van [eiseres] in 2007 en het ontstaan van de FNS.
3.28.
De voorgaande overwegingen brengen de rechtbank tot de conclusie dat causaal verband bestaat tussen aanrijding en de hiervoor aangeduide bij [eiseres] aanwezige klachten.
Het verdere verloop van de procedure
3.29.
Nu vastgesteld is welke klachten van [eiseres] aannemelijk zijn bevonden en dat tussen die klachten en de aanrijding die haar is overkomen causaal verband bestaat, is het moment aangebroken dat de omvang van de schade wordt begroot.
3.30.
Hiervoor moeten nieuwe deskundigenberichten worden uitgebracht. Het is namelijk voor de begroting van het verlies aan verdienvermogen noodzakelijk dat de beperkingen van [eiseres] als gevolg van de gezondheidsklachten in kaart worden gebracht, wat door een verzekeringsarts moet worden gedaan, waarna een arbeidsdeskundige moet worden benoemd om te vast te stellen of en zo ja welk resterend verdienvermogen [eiseres] heeft behouden en welk verdienvermogen zij zonder ongeval zou hebben gehad.
Door [deskundige 3] en [deskundige 1] gemaakte opmerkingen over de beperkingen
3.31.
Op het punt van de beperkingen van [eiseres] zijn door de deskundigen [deskundige 3] en [deskundige 1] al opmerkingen gemaakt: zie hun antwoorden in hun respectievelijke rapporten op vraag 1g van de IWMD-vraagstelling. Bij de beantwoording door [deskundige 3] moet in aanmerking worden genomen dat hij uitgaat van functionele stoornissen van beide armen terwijl de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat slechts van een stoornis in de rechterarm kan worden uitgegaan. In die zin moet de beschouwing van [deskundige 3] dus worden herbeoordeeld. Ook om reden dat [deskundige 1] vraag 1g niet volledig kon beantwoorden, is het noodzakelijk dat een andere deskundige, in dit geval dus een verzekeringsarts, wordt benoemd om hierover te rapporteren.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor uitlating door partijen
3.32.
De rechtbank ziet aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen suggesties te doen voor de persoon van de te benoemen deskundige verzekeringsarts. Omdat na de rapportage door een verzekeringsarts een arbeidsdeskundige moet worden ingeschakeld om het restverdienvermogen van [eiseres] vast te stellen en het verdienvermogen zonder ongeval, bepaalt de rechtbank dat partijen zich tevens kunnen uitlaten over de persoon van de te benoemen arbeidsdeskundige. Partijen wordt tevens verzocht zich uit te laten over de aan de deskundigen te stellen vragen.
3.33.
De zaak zal daarvoor naar de rol worden verwezen voor uitlating door partijen bij een gelijktijdig door hen te nemen akte, waarna zij nog een antwoordakte kunnen indienen op een termijn van vier weken.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 8 juli 2026voor een gelijktijdig door partijen te nemen akte als hiervoor bedoeld onder 3.32-3.33.
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar, in tegenwoordigheid van mr. L.M.M. Fruytier, griffier. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
[3152/2111]