ECLI:NL:RBROT:2026:8726

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
12195939 VV EXPL 26-228
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis ondanks hoger beroep

In deze zaak vorderen [eiser 1] en [eiser 2] de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis tot ontruiming van hun woning, totdat het hoger beroep tegen dat vonnis onherroepelijk is beslist. Het vonnis van 20 maart 2026 verklaarde de huurovereenkomst beëindigd en legde een ontruimingsverplichting op, uitvoerbaar bij voorraad.

De kantonrechter weegt de belangen van verhuurder Maasdelta tegen die van de huurders. Gezien de ernstige omstandigheden, waaronder een inval waarbij drugs en attributen voor drugshandel werden aangetroffen en een bomaanslag bij de woning, wordt het belang van Maasdelta om de woning snel te ontruimen zwaarder geacht dan het belang van de huurders om in de woning te blijven tijdens het hoger beroep.

Hoewel het vertrek grote impact heeft op de huurders en hun gezin, is de kans op herhaling van criminele activiteiten en de veiligheid van andere huurders en het eigendomsbelang van Maasdelta doorslaggevend. De eis tot schorsing wordt daarom afgewezen en de huurders worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De eis tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt afgewezen en de eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12195939 VV EXPL 26-228
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van

1.[eiser 1],

2. [eiser 2],
woonplaats: [woonplaats],
eisers,
gemachtigde: mr. N. Roos,
tegen
Stichting Maasdelta Groep,
vestigingsplaats: Spijkenisse,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.J.P. Peters.
De partijen worden hierna ‘[eiser 1]’, ‘[eiser 2]’ en ‘Maasdelta’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 30 april 2026, met bijlagen 1 tot en met 14;
  • het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 4;
  • de e-mail van [eiser 1] en [eiser 2], met bijlage 15;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Maasdelta.
1.2.
Op 8 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser 1], met
[naam 1] en [naam 2] (woonconsulenten) voor Maasdelta, en met de gemachtigden.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
De eis van [eiser 1] en [eiser 2] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter in deze rechtbank van 20 maart 2026 (verder: het “vonnis”) (zaaknummer: 11707107 CV EXPL 25-12019), totdat beslist is op het hoger beroep tegen dat vonnis, wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Wat is er gebeurd?
2.2.
In het vonnis van 20 maart 2026 is - verkort weergegeven - voor recht verklaard dat de huurovereenkomst tussen partijen op 10 april 2025 is geëindigd en zijn [eiser 1] en [eiser 2] veroordeeld om de woning aan [adres] te ontruimen. Ook zijn zij veroordeeld tot betaling van een achterstand en een gebruiksvergoeding tot aan de ontruiming. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
Maasdelta heeft [eiser 1] en [eiser 2] te kennen gegeven dat de woning moet worden opgeleverd. Voor het geval zij dat niet doen, is hen aangezegd dat Maasdelta zelf de woning zal laten ontruimen op 12 mei 2026. Ter zitting is van de zijde van Maasdelta evenwel toegezegd dat zij niet tot ontruiming zal overgaan voordat vonnis gewezen is in deze procedure.
2.4.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn het er niet mee eens. Zij hebben hoger beroep ingesteld en willen zolang daarin nog geen einduitspraak is gedaan in de woning blijven wonen. Daarom eisen [eiser 1] en [eiser 2] om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het vonnis van 20 maart 2026 te schorsen totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist, met veroordeling van Maasdelta tot betaling van een dwangsom van € 100.000,- of een ander bedrag als zij niet aan het te bepalen verbod voldoet en tot betaling van de proceskosten. Maasdelta concludeert tot afwijzing van de eis.
Spoedeisend belang
2.5.
Niet is in geschil dat [eiser 1] en [eiser 2] spoedeisend belang hebben bij hun eis. Dat belang is klaarblijkelijk aanwezig gelet op de aangezegde ontruiming van hun woning op korte termijn.
Maatstaf voor de beoordeling van de eis in dit executiegeschil
2.6.
Bij de beoordeling van de eis moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van Maasdelta, die het vonnis met de veroordeling tot ontruiming verkreeg, zwaarder weegt dan dat van [eiser 1] en [eiser 2] bij behoud van de woning tot op het hoger beroep is beslist. Bij deze afweging moet worden uitgegaan van het bestreden vonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Een belangrijk gezichtspunt is dat de vorige rechter de eis waarop de tenuitvoerlegging betrekking heeft, toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt om uitstel van executie te verkrijgen. Uitgangspunt is dat een veroordeling hangende hoger beroep uitvoerbaar dient te zijn, maar onder omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Bij deze beoordeling blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing, volgens vaste jurisprudentie.
2.7.
Anders dan Maasdelta leest de kantonrechter in het vonnis van 20 maart 2026 niet dat daarin al een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Kennelijk is er geen reden geweest dit te motiveren, omdat op dit punt geen verweer is gevoerd. Uit de betreffende overweging valt in ieder geval niet te herleiden wat is meegewogen bij deze beslissing. Dat maakt dat de beoordeling zich niet beperkt tot feiten en omstandigheden die door de vorige rechter niet konden worden meegewogen doordat zij zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. De beoordeling vindt plaats op basis van de hierboven onder 2.6. vermelde (ruimere) maatstaf.
Het vonnis van 20 maart jl.
2.8.
In het vonnis is voor recht verklaard dat de huurovereenkomst tussen partijen op
10 april 2025 is geëindigd, omdat - samengevat - de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst per die datum effect heeft gesorteerd. Geoordeeld is dat die ontbinding bevoegdelijk heeft plaatsgevonden na sluiting van de woning door de burgemeester. Geoordeeld is dat de ontbinding geen misbruik van bevoegdheid oplevert, niet disproportioneel is, en ook geen ongeoorloofde inmenging oplevert in het recht op gezins- en familieleven en het woonrecht. Bij het oordeel over de ontbinding heeft de kantonrechter een belangenafweging verricht, waarbij aan de belangen van Maasdelta bij toewijzing van de eisen zwaarder gewicht is toegekend dan aan de belangen van [eiser 1] en [eiser 2] om die af te wijzen zodat de huurovereenkomst zou voortduren en zij in hun woning kunnen blijven wonen. [eiser 1] en [eiser 2] is geen langere ontruimingstermijn gegund dan veertien dagen, ondanks dat zij een minderjarige dochter hebben en een meerderjarige jongste zoon die bij hen woont (overwegingen 2.4 tot en met 2.17 van het vonnis). Deze uitkomst is het gevolg van een inval in de woning op 7 februari 2025, waarbij verdovende middelen en attributen voor drugshandel aangetroffen zijn, en een bomaanslag bij de woning op 2 april 2025. Dit houdt verband met betrokkenheid van de oudste zoon van [eiser 1] en [eiser 2] bij drugshandel.
Belangenafweging valt niet in het voordeel uit van [eiser 1] en [eiser 2]
2.9.
De vaststellingen en oordelen en de afwegingen die recentelijk nog gemaakt zijn in het vonnis van 20 maart 2026, leiden ertoe dat in het kader van de nu aan de orde zijnde beoordeling van de uitvoerbaarheid bij voorraad de balans ook doorslaat in het voordeel van Maasdelta. Aan het belang van Maasdelta om tot ontruiming van de woning te kunnen overgaan, wordt meer gewicht toegekend dan aan het belang van [eiser 1] en [eiser 2] om daarmee te wachten gedurende de hoger beroepsprocedure. Die procedure kan namelijk nog lang duren. Zolang kan Maasdelta niet wachten op hun vertrek. Het belang van Maasdelta dat een einde komt aan de bewoning door [eiser 1] en [eiser 2] en hun gezinsleden is evident en urgent, gelet op voormelde voorvallen die druggerelateerd zijn. Het kan zo zijn dat hun oudste zoon al zes jaar niet meer in de woning woont, daar niet meer ingeschreven staat, en dat zij zeggen dat zij hem er niet meer zullen toelaten, maar dat doet niet af aan wat gebeurd is en daarmee is ook de kans op herhaling niet weg. In bepaalde kringen in het criminele circuit deinst men immers helaas niet terug voor (bom)aanslagen op (de woning van) familieleden van betrokkenen om druk te zetten of wraak te nemen. In zoverre is het gevaar met het enkel daar niet meer verblijven door de zoon dan ook niet geweken.
2.10.
Onderkend wordt dat gedwongen vertrek uit de woning grote impact heeft op [eiser 1] en [eiser 2], maar daar staat tegenover dat voortzetting van het verblijf grote impact heeft op Maasdelta, gelet op haar (eigendoms)belangen en doelstellingen en de belangen van haar huurders die zij moet dienen. Als gezegd wegen die belangen zwaarder en ze worden het beste gediend met een ontruiming van de woning op korte termijn. Dat Maasdelta inzet op vertrek uit de woning weten [eiser 1] en [eiser 2] al meer dan een jaar. [eiser 2] en haar dochter zijn al kort vóór de aanslag verhuisd naar Bosnië, waar zij sindsdien bij haar ouders wonen, wat ook de reden is geweest waarom zij niet ter zitting verschenen is. [eiser 1] heeft te kennen gegeven dat zijn vrouw en dochter binnenkort terugkeren naar Nederland en dat hij vreest dat zijn gezin dan dakloos wordt, met verlies van zijn baan tot gevolg, en dat hun op handen zijde WSNP-traject dan in de knel komt. Gelet op de krapte op de (huur)woningmarkt is die vrees niet onbegrijpelijk, maar het zoeken van andere woonruimte lijkt niet kansloos nu [eiser 1] heeft verklaard inmiddels een stabiele baan met een behoorlijk inkomen te hebben. Ook zijn inwonende jongste zoon heeft inkomen uit werk. [eiser 2] zou na terugkeer in Nederland ook aan de slag kunnen gaan om bij te dragen aan het gezinsinkomen, waarmee de mogelijkheden om een (huur)woning te vinden en schulden af te lossen zouden worden vergroot. De door [eiser 1] aangevoerde omstandigheden doen zich echter dikwijls voor en leveren in dit soort zaken doorgaans geen goede reden op om over te gaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis. In dit geval is dat niet anders, omdat de belangen waarvoor Maasdelta staat te zwaar wegen, gelet op wat is gebeurd.
Afwijzing eis
2.11.
Daarom wordt de eis van [eiser 1] en [eiser 2] om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 20 maart 2026 te schorsen totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist afgewezen.
Proceskosten
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser 1] en [eiser 2], omdat zij ongelijk krijgen. De kantonrechter begroot de kosten die [eiser 1] en [eiser 2] aan Maasdelta moeten betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten, die aan de kant van Maasdelta worden begroot op € 1.009,-;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken.
465