ECLI:NL:RBROT:2026:8746

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/10/712119 / HA ZA 25-1122
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Wet ROArt. 71 lid 2 RvArt. 93 RvArt. 94 lid 2 RvArt. 94 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve verwijzing civiele zaak naar kantonrechter wegens aardvordering en beloop onder €25.000

De rechtbank Rotterdam behandelt een civiele procedure tussen een vrouw en een man over vorderingen met betrekking tot huurbetalingen en het huurrecht van een gezamenlijke woning. De vrouw vordert betaling van bedragen en toewijzing van het huurrecht, terwijl de man in reconventie betaling van de helft van de huur sinds november 2025 eist.

De rechtbank onderzoekt welke kamer binnen de rechtbank bevoegd is: de handelskamer of de kantonrechter. Op grond van artikel 93 en Pro 94 Rv en het feit dat het totale beloop van de vorderingen onder de €25.000 ligt en er sprake is van een aardvordering (huurovereenkomst), oordeelt de rechtbank dat de kantonrechter bevoegd is.

De rechtbank wijst het standpunt van de vrouw af dat de handelskamer de zaak moet behandelen vanwege belangen van minderjarige kinderen, omdat de kantonrechter ook gespecialiseerd is in belangenafwegingen bij huurzaken. De zaak wordt ambtshalve verwezen naar de kantonrechter, die zal beslissen over de verdere procedure. Partijen worden geïnformeerd over het vervolg en het griffierecht wordt verlaagd.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de civiele zaak ambtshalve naar de kantonrechter vanwege aardvordering en beloop onder €25.000.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
zaaknummer: C/10/712119 / HA ZA 25-1122
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N. Schuerman,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R. Delgado.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 3 december 2025, met producties 1 tot en met 10,
  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van 4 februari 2026, met producties A tot en met C,
  • de oproepingsbrieven van 24 februari 2026,
  • de akte niet dienen die op 18 maart 2026 is verleend aan de vrouw, vanwege het niet indienen van een antwoord in reconventie,
  • de zittingsagenda van 19 mei 2026,
  • de twee aanvullende producties van de man van 12 juni 2026.
1.2.
De rechtbank heeft bij e-mail van 22 juni 2026 partijen verzocht om een onderbouwd standpunt over de vraag of deze zaak behoort tot de competentie van de kantonrechter of de handelskamer. Partijen hebben zich hierover uitgelaten in e-mails van diezelfde datum.
1.3.
De rechtbank heeft daarna diezelfde dag partijen per e-mail laten weten dat zij zich eerst zal buigen over de vraag of deze zaak verder door de handelskamer of door de kantonrechter moet worden behandeld en dat de geplande mondelinge behandeling niet doorgaat.
1.4.
Vervolgens is vonnis bepaald op 1 juli 2026.

2.De beoordeling in conventie en in reconventie

Inleiding
2.1.
De vrouw heeft – kort – gesteld dat de handelsrechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. De man op zijn beurt heeft – kort – gesteld dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter.
2.2.
De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 42 Wet Pro RO. De relevante vraag is welke kamer van de rechtbank de zaak moet behandelen: de civiele kamer (in deze rechtbank: team handel en haven), waar de zaak nu aanhangig is, of de kamer voor kantonzaken (de kantonrechter). In dat laatste geval volgt – op verlangen van een van partijen of ambtshalve – verwijzing op grond van artikel 71 lid 2 Rv Pro. Beide partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.
2.3.
Volgens artikel 93 Rv Pro worden – voor zover hier van belang – door de kantonrechter behandeld en beslist:
zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,-,
zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,-, en
zaken betreffende een huurovereenkomst (aardvordering), ongeacht het beloop of de waarde van die vordering.
2.4.
In artikel 94 Rv Pro is bepaald wat er moet gebeuren indien er sprake is van meer vorderingen van dezelfde eiser tegen een gedaagde (objectieve cumulatie), of als gedaagde een eis in reconventie instelt. Uitgangspunt van de wetgever is dat samenhangende vorderingen vanuit een oogpunt van doelmatigheid zo veel mogelijk door één en dezelfde rechter worden behandeld en beslist.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank (team handel en haven) moet de onderhavige zaak – zowel in conventie als in reconventie – verder worden behandeld en beslist door de kantonrechter. De rechtbank zal de zaak daarom verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank. Hieronder wordt dat, mede aan de hand van de standpunten van partijen, toegelicht.
Toelichting
2.6.
De vrouw vordert in conventie – samengevat en naar de rechtbank begrijpt – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
  • het huurrecht van de gezamenlijke huurwoning van partijen aan de vrouw toekent en de man beveelt de woning te verlaten binnen twee weken na betekening van het vonnis;
  • de man veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.501,62;
  • de man veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.923,55;
subsidiair:
- de man veroordeelt tot betaling van de helft van het bedrag van € 1.923,55.
2.7.
De man vordert in reconventie – samengevat – dat de vrouw de helft van de door hem betaalde huur (de rechtbank begrijpt uit de stellingen van de man: sinds november 2025) aan hem moet betalen. Uit zijn stellingen volgt dat het gaat om een huursom van ongeveer € 1.000,- per maand, waarvan hij dus de helft van de vrouw vordert.
2.8.
Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank is de vordering van de vrouw in conventie wat het huurrecht betreft gebaseerd op artikel 7:267 lid 7 BW Pro. Daarin is immers bepaald dat zowel een huurder als medehuurder kan vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. De rechter zal vervolgens de vordering beoordelen aan de hand van afweging van de wederzijdse belangen. De vrouw legt in haar dagvaarding dit wetsartikel ook ten grondslag aan haar vordering. Op grond van artikel 93 Rv Pro moeten zaken betreffende een huurovereenkomst – wat hier dus aan de orde is – door de kantonrechter worden behandeld en beslist.
2.9.
De rechtbank volgt de vrouw dus niet in haar standpunt, zoals verwoord in haar latere e-mail van 22 juni 2026. Zij stelt daarin dat de handelskamer de zaak moet behandelen omdat bij de beoordeling van deze vordering primair rekening moet worden gehouden met de belangen van haar minderjarige kinderen en dit een beoordeling vergt als bedoeld in artikel 3 IVRK Pro en artikel 8 EVRM Pro. Volgens de vrouw is de kantonrechter “institutioneel niet uitgerust” voor deze toetsing. De rechtbank gaat hier niet in mee. Op het gebied van huurzaken is de kantonrechter competent en gespecialiseerd, ook in het maken van de belangenafwegingen die daarbij opkomen.
2.10.
De rechtbank stelt verder vast dat het totale beloop van de vorderingen in conventie afgerond € 3.500,- bedraagt, veel minder dus dan € 25.000,-. Uitgaande van de stellingen van de man is duidelijk dat de vordering in reconventie op het moment van het indienen van zijn eis in reconventie ziet op betaling door de vrouw van de helft van vier maanden huur (0,5 * 4 * ongeveer € 1.000,-), ook veel minder dus dan € 25.000,-.
2.11.
Nu er sprake is van één aardvordering, dienen de waardevorderingen, zowel in conventie als in reconventie, ook door de kantonrechter te worden behandeld (artikel 94 lid 2 en Pro lid 3 Rv). Niet gesteld of gebleken is immers dat er onvoldoende samenhang tussen deze vorderingen bestaat. De vorderingen houden allemaal verband met de vermogensrechtelijke afwikkeling van de relatie tussen partijen. Bovendien bedraagt het totale beloop van die waardevorderingen niet meer dan € 25.000,- zodat ook om die reden die vorderingen door de kantonrechter moeten worden behandeld.
2.12.
De rechtbank concludeert dan ook dat de kantonrechter moet beslissen op de vorderingen in conventie en in reconventie. Zij zal de zaak dan ook op de voet van artikel 71 lid 2 Rv Pro ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Rotterdam, op
woensdag 15 juli 2026om
10:00 uur,
3.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
3.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
3961/2334