ECLI:NL:RBROT:2026:8748

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2612531:R-RK – NL:TZ:2612539:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratoriumverzoek en opschorting ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 2 april 2026. Verzoekster werkt als zelfstandige met een inkomen van minimaal €3.500 per maand en heeft de huur over mei en juni 2026 voldaan. Ze is bezig met schuldhulpverlening vanwege een schuld van circa €60.000.

Verweerster stelt dat verzoekster al lange tijd haar huur niet betaalt en een aanzienlijke huurachterstand heeft opgebouwd. Er is een aanbod gedaan om de huurachterstand kwijt te schelden als verzoekster de woning verlaat, maar verzoekster wil kleiner en goedkoper gaan wonen. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De rechtbank wijst het moratoriumverzoek toe voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De rechtbank geeft verzoekster in overweging het aanbod van verweerster te accepteren om de huurachterstand kwijt te schelden bij vertrek uit de woning.

Uitkomst: De rechtbank schort de ontruiming van de huurwoning op voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 18 juni 2026
[naam 1],
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
Verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 18 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 19 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 juni 2026.
Ter zitting van 11 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekster;
  • de heer [naam 2] , werkzaam bij Zuidweg en Partners (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer [naam 3] , werkzaam bij stichting Bewaarder HC Woningen, gevestigd te Utrecht (hierna: verweerster);
  • mr. O. Lenselink, advocaat van verweerster.
Mr. O. Lenselink heeft namens verweerster ter zitting spreekaantekeningen overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij niet lekker in haar vel zit. Zij probeert haar problemen aan te pakken en heeft zich gewend tot schuldhulpverlening. Verzoekster werkt als zelfstandige. Zij exploiteert een kapsalon en heeft op dit moment een inkomen van minimaal € 3.500,-- per maand. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 1.297,99 per maand te voldoen. De huur over de maanden mei en juni 2026 is voldaan. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij in de toekomst kleiner en goedkoper wil gaan wonen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoekster zich ongeveer zes weken geleden bij schuldhulpverlening heeft gemeld. Schuldhulpverlening is bezig met de inventarisatie. De schuldenlast bedraagt circa
€ 60.000,--.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verzoekster kan al heel lang haar huurlasten niet betalen. Het loopt al stroef met verzoekster vanaf 2023. In 2025 heeft verweerster getracht in contact te komen met verzoekster. Dit is echter niet gelukt. Verzoekster vermijdt ieder contact. Er is op dit moment sprake van een huurachterstand van € 9.085,93. Daarnaast heeft verweerster aanzienlijke advocaatkosten en deurwaarderskosten moeten maken. Aan verzoekster is eerder het aanbod gedaan om de huurachterstand kwijt te schelden onder de voorwaarde dat zij de woning verlaat. Dit aanbod staat nog steeds. Verzoekster stelt dat het lastig is om een andere woonruimte te vinden. Dit is in de optiek van verweerster niet juist, er zijn wel degelijk goedkopere woningen te vinden in de regio waarin verzoekster woonachtig is.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 1 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 21 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 2 april 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft een inkomen van minimaal
€ 3.500,-- per maand. Zij kan hiermee de lopende huurtermijnen van € 1.297,99 per maand voldoen. De huur over de maanden mei en juni 2026 is voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard doende te zijn met het inventariseren van de schulden, zodat het schuldhulpverleningstraject is aangevangen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. Verzoekster heeft ter zitting verklaard kleiner en goedkoper te willen gaan wonen. De rechtbank geeft verzoekster in overweging gebruik te maken van het aanbod van verweerster, te weten kwijtschelding van de huurachterstand onder de voorwaarde dat verzoekster de woning verlaat. Het aanbod van verweerster heeft immers een positief effect op de schuldenlast, deze zal immers lager worden.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 2 april 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 19 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.