ECLI:NL:RBROT:2026:8753

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2613700:R-RK – NL:TZ:2613702:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning wegens beschermingsbewind en minderjarige kinderen

Verzoekster heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning te schorsen. De rechtbank constateert een bedreigende situatie omdat het proces-verbaal tot ontruiming reeds is vastgesteld en de ontruiming gepland staat.

Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering, toeslagen en kindgebonden budget en heeft de huurtermijn van juni 2026 tijdig voldaan. Sinds 23 mei 2026 staat zij onder beschermingsbewind, dat ook de betaling van de huurtermijn van juli 2026 zal verzorgen. De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan.

Het belang van verzoekster en haar minderjarige kinderen, waaronder een kind met autisme, weegt zwaarder dan het belang van verweerster bij uitvoering van het ontruimingsvonnis. De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan en schuldhulpverlening verslag uitbrengt.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.

De uitspraak is gedaan door rechter C.G.E. Prenger op 19 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schorst de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 19 juni 2026
In de zaak van
[naam],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te geheim adres,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 29 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 1 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 12 juni 2026.
Hafkamp Groenenwegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting op 11 juni 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In het verweerschrift is aangegeven dat namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen.
Ter zitting van 12 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer mr. D.G. van Dam, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: gemachtigde namens verzoekster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de kantonrechter van 21 januari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft inkomen uit een Participatiewet-uitkering van € 1.401,50 netto. Ook ontvangt verzoekster huur- en zorgtoeslag van € 189,- respectievelijk € 129,- per maand en € 775,- Kindgebonden budget. De huur bedraagt € 755,88 per maand. Verzoekster heeft zelf de huurtermijn van juni 2026 tijdig op 21 mei 2026 voldaan. Ook staat verzoekster sinds 23 mei 2026 onder beschermingsbewind. Ter zitting heeft de gemachtigde namens verzoekster verklaard dat de huurtermijn van juli 2026 door beschermingsbewind zal worden voldaan. Hiermee is ook voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Daarnaast heeft verzoekster er belang bij om met haar inwonende minderjarige kinderen in de woning te kunnen blijven wonen.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft verweerster aangegegeven zich te refereren naar het oordeel van de rechtbank. Verweerster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van 21 januari 2025 dat (voorwaardelijk) strekt tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 7 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 8 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij samen met haar minderjarige kinderen in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van de kantonrechter van 21 januari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijn van juni 2026 is op 21 mei 2026 tijdig door verzoekster zelf voldaan. Ook staat verzoekster sinds 23 mei 2026 onder beschermingsbewind. Ter zitting heeft de gemachtigde namens verzoekster verklaard dat de huurtermijn van juli 2026 door beschermingsbewind zal worden voldaan. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen ook tijdig zullen worden voldaan. Ook heeft de rechtbank er voldoende vertrouwen in dat verzoekster, al dan niet samen met haar beschermingsbewindvoerder, zich op korte termijn zal wenden tot schuldhulpverlening om een oplossing te zoeken voor haar schulden.
Bovendien heeft verzoekster inwonende minderjarige kinderen die door de ontruiming van de woning geraakt worden. De rechtbank acht een ontruiming van de woning van verzoekster niet in het belang van de inwonende minderjarige kinderen van verzoekster. Hier speelt in het bijzonder mee dat het jongste kind van verzoekster, zoals zij ter zitting heeft verklaard, een vorm van autisme heeft en beperkt is. Ook is onbekend of verzoekster op dit moment andere alternatieven heeft om haar minderjarig kind een dak boven het hoofd te bieden.
Tegen bovengenoemde achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het belang van verzoekster en haar minderjarige kinderen zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het proces-verbaal van de kantonrechter van
21 januari 2025 tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan een bij de deurwaarder bekend geheim adres, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 1 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.