ECLI:NL:RBROT:2026:8759

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2607604:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 284 FaillissementswetArt. 288 FaillissementswetArt. 295 FaillissementswetArt. 296 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toelating Wsnp met eerdere ingangsdatum en toepassing hardheidsclausule

De heer [naam 1] heeft een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een problematische schuldensituatie. De rechtbank beoordeelt dat ondanks enkele schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan, zoals boetes voor onverzekerd rijden en een vordering van Viverion, de omstandigheden zijn verbeterd en de schuldenaar een serieuze en saneringsgezinde houding toont.

De rechtbank past de hardheidsclausule toe en besluit de heer [naam 1] toe te laten tot de Wsnp. Tevens wordt een eerdere ingangsdatum vastgesteld op 23 december 2024, omdat vanaf die datum aan de verplichtingen van het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan, waaronder aflossingen en inspanningsverplichtingen ondanks medische klachten.

De looptijd van de regeling wordt vastgesteld op achttien maanden. Er wordt een bewindvoerder benoemd die toezicht houdt op de naleving van de verplichtingen en de afwikkeling van de boedel. Ook wordt een rechter-commissaris benoemd voor toezicht op de bewindvoerder. Na afloop van het traject kan de heer [naam 1] een schone lei krijgen, waardoor schuldeisers niet langer kunnen verhalen op de betreffende schuldenaar.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de Wsnp wordt toegewezen met toepassing van de hardheidsclausule en een eerdere ingangsdatum van 23 december 2024 voor een looptijd van achttien maanden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 19 juni 2026
op het verzoek van
[naam 1],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [straatnaam] , [postcode 1] te [woonplaats] ,
verzoeker.
Waar deze zaak over gaat
De heer [naam 1] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [naam 1] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
De heer [naam 1] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 12 juni 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [naam 1] , verzoeker,
- mevrouw [naam 2] - Quasters, schuldhulpverlener van de Kredietbank
Nederland.

2.De beoordeling

De toelating
2.1.
De heer [naam 1] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [naam 1] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat boetes bij het CJIB en de schuld aan Viverion, die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. De boetes bij het CJIB zien op twee boetes voor het onverzekerd rijden en één snelheidsovertreding. De vordering van Viverion ziet op kosten voor herstel en schoonmaak van de voormalig woning en tuin van de heer [naam 1] . Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.3.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om de heer [naam 1] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat de heer [naam 1] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schulden, onder controle heeft gekregen. De heer [naam 1] heeft een budgetbeheerder die zorg draagt dat de autoverzekering wordt betaald. Hierdoor ontstaan er geen boetes meer voor het onverzekerd rijden. Ook heeft de heer [naam 1] gedurende een periode van twee jaren geen snelheidsboetes meer opgelegd gekregen. Ter zitting heeft de heer [naam 1] een verklaring gegeven over de vordering bij Viverion. Kort gezegd komt het erop neer dat de heer [naam 1] als chauffeur werkte, vaak onderweg was en dan in de vrachtwagen sliep. Belangrijke post heeft hij over het hoofd gezien, waardoor zijn woning ontruimd is terwijl hij de openstaande vordering nog wel betaald had. Hij was te laat op de hoogte van de ontruiming. De vordering van Viverion ziet (ook) op kosten om de woning weer in de oorspronkelijke staat terug te brengen. De heer [naam 1] heeft aangegeven dat hij vanwege medische klachten ook niet in staat was om de herstelwerkzaamheden zelf te verrichten. De rechtbank vindt gelet op het voorgaande dat de vordering van Veverion – die inmiddels meer dan twee jaar oud is – niet aan toewijzing van het verzoek in de weg kan staan. Daarbij speelt ook een rol dat de heer [naam 1] ter zitting blijk heeft gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Hij heeft zich ondanks zijn medische klachten en persoonlijke problematiek ingespannen om maximaal af te dragen voor de schuldeisers.
2.4.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat de heer [naam 1] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
2.5.
De heer [naam 1] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [naam 1] in Nederland ligt.
Duur
2.7.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op achttien maanden.
De ingangsdatum
2.9.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.10.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.11.
De rechtbank stelt op basis van de schriftelijke verklaring van schuldhulpverlening vast dat door de heer [naam 1] in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject in de periode vanaf december 2024 tot en met mei 2026 een bedrag van € 19.874,99 is gespaard en een bedrag van € 2.687,36 onder beslag is afgedragen waarmee is voldaan aan de in dat traject geldende verplichting tot afdracht van het inkomen boven het vtlb. Volgens de verklaring van schuldhulpverlening heeft de heer [naam 1] – met inachtneming van het beslag – zelfs een extra bedrag van € 1.665,53 boven het vtlb gespaard. Daarnaast is in de periode van vanaf december 2024 ook aan de inspanningsverplichting voldaan. De heer [naam 1] heeft in de periode december 2024 tot en met maart 2025 32 uur per week arbeid verricht, terwijl hij ook medische klachten had op grond waarvan hij een (aanvullende) WIA-uitkering ontving. Uit de toekenningsbeschikking WIA-uitkering volgt ook dat de heer [naam 1] niet in staat kan worden geacht om fulltime arbeid te verrichten. Over de periode april 2025 tot en met oktober 2025 heeft de heer [naam 1] desondanks wel fulltime arbeid verricht. Achteraf is dit te veel voor de heer [naam 1] gebleken, waardoor hij is uitgevallen. Sinds oktober 2025 ontvangt de heer [naam 1] een Ziektewet-uitkering. Gelet op het voorgaande heeft de heer [naam 1] tenminste achttien maanden lang aan zijn inspanningsverplichting voldaan.
2.12.
De rechtbank komt dus tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De ingangsdatum wordt gesteld op 23 december 2024, zijnde de datum waarop de eerste aflossing is gedaan in het minnelijke voortraject. Daarmee eindigt de materiële looptijd (dat wil zeggen: de termijn als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw) van deze Wsnp-regeling enkele dagen na het uitspreken van dit vonnis. Hieronder wordt toegelicht wat er nog wel moet gebeuren in het kader van de afwikkeling van de Wsnp.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [naam 1] tijdens de looptijd (ex artikel 349a Fw) van de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [naam 1] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
3.4.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw Pro). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
3.5.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [naam 1] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw Pro). De heer [naam 1] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw Pro). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.6.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.7.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [naam 1] .
3.8.
De looptijd van de regeling van de heer [naam 1] is veel eerder ingegaan dan de datum van dit vonnis. De bewindvoerder kan nu pas starten met zijn taken, terwijl de looptijd van de regeling (vooralsnog) verstrijkt op 23 juni 2026. De boedel wordt per die datum gefixeerd. Van belang is dat de heer [naam 1] ook na die datum verplicht blijft om mee te werken aan de afwikkeling. Hij is ook verplicht om daarvoor informatie aan de bewindvoerder aan te leveren. Tot de boedel behorende goederen moeten nog worden afgedragen. Na de materiële looptijd geldt er geen inspanningsverplichting (artikel 288 Fw Pro) en ook geen verplichting om inkomsten boven het vtlb af te dragen (artikel 295 Fw Pro).
3.9.
De rechtbank draagt de bewindvoerder op om – in afwijking van artikel 351a Fw – uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen.
3.10.
Als de heer [naam 1] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [naam 1] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (het formele einde).

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[naam 1],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [straatnaam] ,
[postcode 1] te [woonplaats] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
gevestigd te [straatnaam 2] , [postcode 2] te [vestigingsplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger
en tot bewindvoerder L. Hordijk,
gevestigd te postbus 68
2650 AB Berkel en Rodenrijs;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 23 december 2024 en de duur op achttien maanden;
  • stelt vast dat er ook na de materiële looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht gelden;
- draagt de bewindvoerder op om uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen;
- stelt de datum van de verificatievergadering vast op 28 juli 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van de heer [naam 1] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. C.G.E. Prenger, rechter, in samenwerking met S.R.L.T. Peek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026. [1]