ECLI:NL:RBROT:2026:876
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- F.P. Heijne
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek college tot opheffing voorlopige voorziening opvang Oekraïners
In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen om opheffing van een eerder getroffen voorlopige voorziening die hen verplichtte opvang te bieden aan twee Oekraïners. De voorzieningenrechter had eerder bepaald dat het college binnen 72 uur opvang moest bieden en bij niet-naleving een dwangsom zou verbeuren.
Het college stelde dat de voorlopige voorziening haar voorlopige karakter had verloren en onuitvoerbaar was geworden, mede omdat het praktisch onmogelijk zou zijn om opvang te bieden op de gemeentelijke locatie of alternatieve wijze. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het college vrij is in de keuze van de opvangvorm, waaronder het verstrekken van financiële middelen aan de Oekraïners om zelf opvang te regelen.
Gezien het feit dat het college zeven alternatieve opvangmogelijkheden onderzocht en dat het verstrekken van financiële middelen wordt vergoed door de rijksoverheid, concludeerde de voorzieningenrechter dat het college aan de opvangverplichting kan voldoen. Het verzoek tot opheffing werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het verzoek van het college tot opheffing van de voorlopige voorziening voor opvang van twee Oekraïners wordt afgewezen.