ECLI:NL:RBROT:2026:877

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/10/697735 HA RK 25-356
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BWArt. 1019aa lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding buitengerechtelijke kosten bij gedeeltelijke aansprakelijkheid ziekenhuis

In deze civiele deelgeschilprocedure vordert de patiënt vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor advocaatkosten in verband met een aansprakelijkheidsgeschil tegen een ziekenhuis. Het ziekenhuis erkent slechts gedeeltelijke aansprakelijkheid voor een medicatiefout tijdens de bevalling, maar niet voor de reanimatie.

De rechtbank oordeelt dat de vergoeding van advocaatkosten moet worden gebaseerd op de gemaakte werkafspraken tussen de verzekeraar van het ziekenhuis en de advocaat, waarbij een voorschottarief geldt. De rechtbank wijst het standpunt van de verzekeraar af dat slechts twee-derde van de kosten vergoed zou moeten worden, omdat geen schulddeling is overeengekomen.

De rechtbank stelt vast dat de kosten voor werkzaamheden in de voorlopige deskundigenprocedure slechts gedeeltelijk als buitengerechtelijke kosten kunnen worden vergoed, namelijk voor zover deze betrekking hebben op de erkende aansprakelijkheid. De kosten voor het voeren van het deelgeschil worden begroot en toegewezen. Het verzoek tot vergoeding van hogere bedragen wordt afgewezen.

De rechtbank veroordeelt het ziekenhuis tot betaling van een bedrag van €9.786,29 voor advocaatkosten aan Slot Letselschade, €5.324,00 aan LIFe Letselschade Advocaten en €4.490,38 aan kosten deelgeschil, en wijst overige vorderingen af.

Uitkomst: Ziekenhuis wordt veroordeeld tot gedeeltelijke vergoeding van buitengerechtelijke advocaatkosten en kosten deelgeschil, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/697735 / HA RK 25-356
Beschikking van 26 januari 2026
in de zaak van

1..[verzoeker 1] ,

2.[verzoeker 2],
ten deze zowel optredend voor zichzelf als in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige dochter [minderjarige] ,
beiden wonend in [woonplaats] ,
verzoekers,
advocaat mr. L.M.V. Douwes te Utrecht,
tegen
de stichting
[verweerster],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verweerster,
advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht,
Partijen worden hierna [verzoeker 1] c.s. en [verweerster] genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
[verzoeker 1] c.s. hebben samen met hun verweerschrift in de zaak met (zaak-/ rekest)nummer 681411/HA RK 24-595, waarin de rechtbank bij beschikking van 18 september 2025 een voorlopig deskundigenbericht heeft bevolen op verzoek van [verweerster] , bij wijze van tegenverzoek verzocht om in deelgeschil:
I. [verweerster] te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de schade van € 25.000,00,
II. de volledige openstaande buitengerechtelijke kosten aan Slot Letselschade en LIFe Letselschade Advocaten te voldoen, dan wel een in goede justitie te betalen deel van deze kosten, evenals een voorschot op de nog te maken kosten;
III. terzake de kosten van de procedure, deze te begroten op € 14.374,80, met veroordeling van [verweerster] in de betaling van deze kosten, vermeerderd met het (eventueel) verschuldigde griffierecht.
1.2.
[verweerster] heeft tegen het verzoek van [verzoeker 1] c.s. verweer gevoerd. De zaak is mondeling behandeld, waarbij van de zijde van [verzoeker 1] c.s. spreekaantekeningen zijn overgelegd. Ter aanvulling op hetgeen daarover in de op 18 september jl. uitgesproken beschikking is opgemerkt, tekent de rechtbank aan dat door [verzoeker 1] c.s. in totaal 43 producties (in plaats van het in de beschikking vermelde aantal van 34) zijn overgelegd.
1.3.
Partijen hebben na de mondelinge behandeling een mediationtraject doorlopen. Partijen hebben hierna de rechtbank verzocht om niet alleen op het verzoek van [verweerster] om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen te beslissen, maar om dat ook te doen op de tegenverzoeken van [verzoeker 1] c.s.

2.De beoordeling

ontvankelijkheid
2.1. [verzoeker 1] c.s. kunnen in hun tegenverzoeken aan de rechtbank om in dit deelgeschil de hierboven genoemde beslissingen te nemen, worden ontvangen. Tussen partijen bestaat o.a. verschil van mening over de omvang van de verplichting van [verweerster] om aan [verzoeker 1] c.s. buitengerechtelijke kosten te vergoeden. Hierop heeft verzoek II betrekking. Dit geschilpunt vormt mede een belemmering voor het totstandkomen van een regeling tussen partijen. Een deelgeschil is dan de geëigende procedure om daarover een beslissing te verkrijgen. Hieraan doet niet af dat ook een voorlopig deskundigenbericht is bevolen. Beide procedures kunnen naast elkaar worden gevoerd.
verzoek I: de rechtbank wijst het eerste verzoek af2.2. De rechtbank is van oordeel dat inhoudelijk niet behoeft te worden ingegaan op het eerste verzoek van [verzoeker 1] c.s. De reden daarvoor is dat [verweerster] in haar verweerschrift heeft meegedeeld het door [verzoeker 1] c.s. gevraagde voorschot van € 25.000,- uit coulance binnen twee weken aan hen te zullen betalen na opgave van de bankrekening waarnaar het bedrag kan worden overgemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat [verweerster] deze betaling inmiddels conform deze (onvoorwaardelijk gedane) toezegging heeft uitgevoerd. Daarom bestaat onvoldoende belang om [verweerster] in dit deelgeschil tot betaling daarvan te veroordelen en wordt verzoek I afgewezen.
2.4.
Tussen Slot en MediRisk, de verzekeraar van [verweerster] , zijn afspraken gemaakt over de wijze van declareren in lopende aansprakelijkheidsgeschillen (productie 37 bij verweerschrift/verzoekschrift [verzoeker 1] c.s.). Op grond van deze afspraken vergoedt MediRisk declaraties van Slot gedurende de looptijd van een zaak op basis van een voorschottarief van € 220,00 per uur voor advocaten en van € 190,00 per uur voor juristen, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en btw. In de gemaakte werkafspraken is daarbij bepaald dat in geval van schulddeling naar rato van die schulddeling zou worden vergoed. Volgens de afspraken dient Slot bij het afwikkelen van de zaak de einddeclaratie in, waarbij het haar vrijstaat om dan (maar dus niet eerder) gelet op het belang van de zaak, de specifieke deskundigheid die van haar werd verlangd, etc., met terugwerkende kracht een hoger uurtarief in rekening te brengen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het voorschottarief voor advocaten van Slot met ingang van 1 januari 2022 is verhoogd naar € 240 per uur.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen goede reden om de vergoeding van de door mr. Douwes voor [verzoeker 1] c.s. in deze zaak verrichte werkzaamheden niet op basis van de hiervoor vermelde werkafspraken vast te stellen. Zolang de zaak niet is afgewikkeld, dienen de werkzaamheden van mr. Douwes door Slot met toepassing van het overeengekomen voorschottarief bij MediRisk in rekening te worden gebracht en te worden vergoed. Dit betekent dat MediRisk de buitengerechtelijke werkzaamheden van mr. Douwes moet vergoeden op basis van een uurtarief van € 190, te vermeerderen met 6% kantoorkosten met btw, vanaf september 2013 tot 1 januari 2018, daarna tot 1 januari 2022 op basis van een uurtarief van € 220 met 6% kantoorkosten en btw en vanaf 1 januari 2022 op basis van € 240 per uur.
2.6.
De rechtbank acht het door MediRisk ingenomen standpunt dat slechts twee-derde van de door mr. Douwes gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen (brief MediRisk 7 augustus 2015, productie 36 bij verweerschrift/verzoekschrift [verzoeker 1] c.s.) niet houdbaar. MediRisk voert hiervoor aan dat [verzoeker 1] c.s. het ziekenhuis niet alleen aansprakelijk houden voor de gemaakte medicatiefout (voor welke fout [verweerster] aansprakelijkheid heeft erkend) maar zij [verweerster] ook verwijten dat de reanimatie van [voornaam minderjarige] niet zorgvuldig is verlopen, waarvoor MediRisk geen aansprakelijkheid erkent. In de gemaakte afspraken is geen grondslag te vinden voor slechts een gedeeltelijke vergoeding van de gemaakte advocaatkosten. Van een ‘schulddeling’ zoals in de werkafspraken bedoeld is geen sprake. Dit is ook niet door [verweerster] of MediRisk aangevoerd. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond in de gemaakte vergoedingsafspraken om de kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden van de advocaat van [verzoeker 1] c.s. door [verzoeker 1] c.s. zelf te laten dragen.
2.7.
Uit de overgelegde declaraties van mr. Douwes volgt dat zij in de periode van (augustus/september) 2013 tot 2018 63,4 uren heeft gewerkt, in de periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2022 31,4 uren en vanaf 2022 tot 1 maart 2024 15,5 uren. Dat levert een vergoeding conform de werkafspraken op van: (63,4 x € 190 =) € 12.046 + (31,4 x € 220 =) 6.908 + (15,5 x € 240 =) € 3.720 = € 22.674. Vermeerderd met 6% kantoorkosten en 21% btw, is dit € 29.081,67 inclusief btw. Er zijn blijkens de overgelegde declaraties ook verschotten voor medisch advies e.d. in rekening gebracht. Deze kosten zijn € 1.204,62 inclusief btw in totaal geweest. In totaal komt het door MediRisk te vergoeden bedrag daarmee uit op € 30.286,29.
2.8.
MediRisk heeft tot aan de onderhavige procedure € 20.500 vergoed. [verweerster] heeft in haar verweerschrift aangegeven bereid te zijn om naast het bedrag van € 20.500 voor buitengerechtelijke kosten het bedrag van € 7.500 te vergoeden dat [verzoeker 1] c.s. aan Slot is betaald, mits zij kunnen aantonen dat zij dit bedrag daadwerkelijk hebben betaald. Beide bedragen opgeteld is € 28.000. [verweerster] stelt dat een vergoeding van het meerdere van € 28.000 de dubbele redelijkheidtoets niet kan doorstaan en de vordering van [verzoeker 1] c.s. toe vergoeding van buitengerechtelijke kosten reeds daarom moet worden afgewezen. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
2.9.
Het eerste bezwaar van [verweerster] luidt dat mr. Douwes klaarblijkelijk een uurtarief van € 220 hanteert en dat dat niet redelijk is (voor een advocaat-stagiaire). De rechtbank passeert dat bezwaar omdat het tarief van € 220 is afgesproken voor de bij Slot werkzame advocaten en mr. Douwes met ingang van 2018 advocaat was, dus met ingang van dat jaar voldeed aan de met MediRisk gemaakte werkafspraak. Een tweede bezwaar van [verweerster] is dat door mr. Douwes tijd in rekening is gebracht voor de ontvangst van een rappel en het versturen daarvan en voor de verzending van (een) declaratie(s). [verweerster] heeft niet gespecificeerd op welke momenten dat het geval zou zijn geweest en de rechtbank heeft dit niet zelf kunnen vaststellen, dus gaat de rechtbank aan dit bezwaar als onvoldoende gemotiveerd voorbij. [verweerster] bestrijdt ten slotte de redelijkheid en toerekenbaarheid van het volgens haar forse aantal door mr. Douwes in rekening gebrachte uren. [verweerster] stelt dat vrijwel direct aansprakelijkheid voor de medicatiefout is erkend, zonder dat eerst een deskundigenonderzoek nodig was, en dat hierover geen of nauwelijks een (medisch) inhoudelijke discussie heeft plaatsgevonden. De rechtbank neemt echter in aanmerking dat het aantal door mr. Douwes gewerkte uren mede kan worden verklaard door de lange periode waarin tussen [verzoeker 1] c.s. en [verweerster] over de eventuele aansprakelijkheid van het ziekenhuis is gediscussieerd. Deze discussie betrof niet alleen de mogelijke gevolgen van de medicatieverwisseling maar ook de vraag wat, als de gevolgen daarvan voor het bij [voornaam minderjarige] tijdens de bevalling opgetreden zuurstoftekort verwaarloosbaar zouden moeten worden geacht, zoals door MediRisk naar voren is gebracht, dan aan het bij [voornaam minderjarige] ontstane zuurstoftekort debet kan zijn geweest. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat de tijdsbesteding van mr. Douwes bovenmatig is geweest. De rechtbank heeft aan de hand van de overgelegde urenspecificaties bij de declaraties niet kunnen vaststellen dat mr. Douwes in de periode tot 1 maart 2024 onredelijk veel tijd heeft genoteerd. [verweerster] heeft dit althans naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk gemaakt.
2.10.
[verweerster] heeft ook het verweer gevoerd dat met mr. Douwes op enig moment de afspraak is gemaakt dat de buitengerechtelijke kosten beperkt zouden blijven tot € 20.500 in totaal. Het dossier was, aldus [verweerster] , na september 2021 in een impasse beland en MediRisk had daarom eind november 2022 voorgesteld de discussie over de buitengerechtelijke kosten te beslechten en zo spoedig mogelijk tot een expertise te komen. MediRisk was bereid in aanvulling op de tot dan toe al betaalde € 17.500 aan buitengerechtelijke kosten € 3000 als voorschot te betalen, maar daarbij de voorwaarde gesteld dat het daarbij dan zou blijven ervan uitgaande dat dit voldoende zou zijn “om de vraagstelling te versturen, het concept rapport te bespreken met cliënt en jouw medisch adviseur en zo nodig aan de deskundige nog aanvullende vragen (…) te stellen”. Volgens [verweerster] heeft mr. Douwes dit voorstel aanvaard. De rechtbank overweegt het volgende. Uit de door [verweerster] overgelegde
e-mail van mr. Douwes van 13 april 2023 blijkt dat zij een deskundigenonderzoek voorstelt op basis van een vraagstelling zoals voorkomend in een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2023:2009). In dat verband merkt zij op dat zij de betaling van de aangeboden vergoeding van € 3000 voor werkzaamheden verband houdende met het deskundigenonderzoek graag tegemoet ziet. Hieruit volgt niet dat mr. Douwes ermee heeft ingestemd dat de maximale vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten € 20.500 zou bedragen. Het deskundigenonderzoek dat mr. Douwes voor ogen stond is ook niet direct van de grond gekomen, omdat partijen van mening bleven verschillen over de precieze formulering van de vraagstelling. Verder blijkt uit de overgelegde declaratie van mr. Douwes van 15 oktober 2024 voor werkzaamheden na 13 april 2023 niet dat het bedrag van € 3000 door haar is overschreden. De niet betaalde uren betroffen vooral de periode daarvoor. Het betoog van [verweerster] dat [verzoeker 1] c.s. wegens later gemaakte afspraken niet op een hoger bedrag dan € 22.500, aangevuld met € 7.500, voor buitengerechtelijke kosten aanspraak kunnen maken, slaagt dus niet.
2.11.
Het voorgaande brengt mee dat [verzoeker 1] c.s. op betaling van een aanvullende vergoeding voor buitengerechtelijke kosten aanspraak kunnen maken ten bedrage van (€ 30.286,29 (zie hiervoor onder 2.7) minus het betaalde bedrag van € 20.500 =) € 9.786,29. Voor zover [verzoeker 1] c.s. een hogere vergoeding hebben gevraagd voor door Slot gedeclareerde kosten (zij maken aanspraak op € 14.001,36), wordt hun verzoek afgewezen.
buitengerechtelijke kosten aan LIFe Letselschade
2.12.
Per 1 maart 2024 is de behandeling van de zaak door LIFe Letselschade van mr. Douwes overgenomen. Mr. Douwes heeft zich vanaf dat moment gericht op het opstellen van een verzoekschrift voor een deelgeschil waarin naast bevel aan [verweerster] om mee te werken aan een deskundigenonderzoek ook vergoeding van buitengerechtelijke kosten zou worden gevraagd. Na ontvangst op 28 juni 2024 van het aan de rechtbank gerichte verzoekschrift van [verweerster] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht heeft mr. Douwes zich gericht op het opstellen van een verweerschrift in de voorlopig deskundigenprocedure tezamen met de tegenverzoeken die in dit deelgeschil zijn gedaan.
2.13.
Uit het ingediende verweerschrift tevens houdende verzoekschrift tot het houden van een deelgeschil van [verzoeker 1] c.s. volgt dat daarin de door mr. Douwes in rekening gebrachte uren na 1 maart 2024 in twee delen worden verdeeld.
Enerzijds wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de werkzaamheden van mr. Douwes van 1 maart 2024 tot 28 juni 2024 onder noemer “buitengerechtelijke kosten aan LIFe Letselschade”. Hiervoor worden 14 uren opgevoerd à € 275 met 21% btw = € 4.658,50.
Anderzijds worden de kosten aan Life Letselschade in het verweerschrift/verzoekschrift van [verzoeker 1] c.s. opgevoerd onder de noemer “kosten deelgeschil ex art. 1019aa Rv”. In dat verband maken [verzoeker 1] c.s. aanspraak op betaling van 43,2 uren x € 275 vermeerderd met 21% btw = € 14.374,80. Dit bedrag heeft mede betrekking op de door mr. Douwes gewerkte uren voor het voeren van verweer in de voorlopige deskundigenprocedure, dus niet alleen op het indienen van de tegenverzoeken in dit deelgeschil, met aanverwante werkzaamheden.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
vergoeding van gewerkte uren in periode 1 maart 2024 tot 28 juni 2024
2.14.
De door mr. Douwes in de periode 1 maart 2024 tot 28 juni 2024 gewerkte uren hadden betrekking op het in gang zetten van een zelfstandige deelgeschilprocedure, die toen niet aanhangig gemaakt is. De in die periode gewerkte uren kunnen daarom bezwaarlijk als buitengerechtelijke kosten worden aangemerkt. Deze uren kunnen echter wel deels in aanmerking worden bij het bepalen van de “kosten van het deelgeschil”, namelijk voor zover de besteding van de uren dienstig is geweest voor het redigeren van de tegenverzoeken in dit deelgeschil. Of en in hoeverre deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, zal hierna onder het kopje “kosten deelgeschil” aan de orde komen.
vergoeding van gewerkte uren in periode vanaf 28 juni 2024
2.15.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de kosten van het voeren van verweer in de voorlopige deskundigenprocedure niet worden gerangschikt onder de kosten van het deelgeschil waarop art. 1019aa Rv betrekking heeft. De in dat wetsartikel bedoelde kosten hebben uitsluitend op het voeren van een deelgeschil betrekking. Die kosten zien dus slechts op de tijd die mr. Douwes heeft besteed aan het indienen en toelichten van de door [verzoeker 1] c.s. ingediende en in deze beschikking beoordeelde tegenverzoeken in deelgeschil.
2.16.
Het verzoek van [verzoeker 1] c.s. tot vergoeding van de ter zake door mr. Douwes gewerkte uren (in de hier besproken periode) zou tevens begrepen kunnen worden als een verzoek om [verweerster] te veroordelen tot voldoening daarvan als buitengerechtelijke kosten op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW Pro. De rechtbank zal het verzoek op die rechtsgrond beoordelen. De tijd die de advocaat heeft besteed voor het voeren van verweer in een voorlopig deskundigenprocedure kan op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen omdat de voorlopig deskundigenprocedure in personenschadezaken vaak ook van betekenis is voor het buitengerechtelijke onderhandelingsproces. De beperking die hier echter geldt is dat hiervoor gemaakte kosten op die grond alleen als vergoeding kunnen worden toegewezen als aansprakelijkheid vast staat of is erkend. In dit geval is dat slechts ten dele het geval. In de voorlopige deskundigenprocedure is verzocht twee deskundigen te benoemen om niet alleen de mogelijke gevolgen van de medicatieverwisseling tijdens de bevalling, waarvoor [verweerster] aansprakelijkheid heeft erkend, in kaart te brengen maar ook om de handelwijze rondom de fase daaraan voorafgaand en de fase direct daarop volgend, meer in het bijzonder rondom de reanimatie, te beoordelen, voor welke handelingen [verweerster] geen aansprakelijkheid heeft erkend omdat MediRisk meent dat binnen de geldende standaarden is gehandeld. Voor zover de werkzaamheden van mr. Douwes in het kader van het verweer in de voorlopige deskundigenbenoeming op laatstgenoemde handelingen van het ziekenhuis betrekking hebben gehad, kunnen de daaraan door haar bestede uren vooralsnog, in deze fase, daarom niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
2.17.
Het voorgaande heeft gevolgen voor de door [verzoeker 1] gevorderde vergoeding. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen - enerzijds - de kosten/werkzaamheden van mr. Douwes voor zover betrekking hebbend op het voeren van verweer in de voorlopig deskundigenprocedure voor zover het de (gevolgen van de) gemaakte medicatiefout betreft en - anderzijds - de kosten/werkzaamheden van mr. Douwes samenhangend met het voeren van verweer in die procedure op het punt van de aan de deskundigen te stellen vragen met betrekking tot de andere in het ziekenhuis verrichte medische handelingen en het indienen van de tegenverzoeken in het deelgeschil. Aangezien mr. Douwes geen onderscheid heeft gemaakt, zal de rechtbank de omvang van eerstgenoemde kosten/werkzaamheden schattenderwijs zelf bepalen. Dit moet plaatsvinden aan de hand van de in artikel 6:96 lid 2 BW Pro omschreven (dubbele) redelijkheidstoets. De eerste redelijkheidstoets is of [verzoeker 1] c.s. redelijkerwijs de rechtsbijstand van mr. Douwes hebben ingeroepen voor het voeren van verweer in de voorlopig deskundigenprocedure. Aan die eis is voldaan. Of is voldaan aan de tweede redelijkheidstoets, moet worden beoordeeld of de gemaakte kosten redelijk zijn, wat mede afhangt van het uurtarief en het aantal gewerkte uren.
2.18.
Het door mr. Douwes gehanteerde uurtarief van € 275 exclusief 21% btw is, anders dan [verweerster] heeft aangevoerd, niet bovenmatig. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat mr. Douwes een groot aantal jaren eerst als letselschadejurist werkzaam is geweest waarna zij vanaf 2018 als advocaat op dat terrein actief is geworden. Dat zij naar [verweerster] heeft opgemerkt geen LSA-advocaat is, doet er niet aan af dat het door mr. Douwes gehanteerde uurtarief niet onredelijk kan worden geacht.
2.19.
Het aantal gewerkte uren voor het voeren van verweer in de voorlopig deskundigenprocedure voor zover het de medicatieverwisseling betreft, kan alleen schattenderwijs worden vastgesteld. De rechtbank beschouwt een tijdsbeslag daarvoor van 16 uren, in totaal, redelijk en reëel. Het formuleren van de juiste vragen aan de deskundigen met betrekking tot de (gevolgen van de) medicatieverwisseling is geen sinecure en was ook geen al gelopen race. Ook na de mondelinge behandeling zijn daarover door [verzoeker 1] c.s. voorstellen geformuleerd. Die heeft de rechtbank in de beschikking van 18 september 2025 grotendeels overgenomen. De rechtbank concludeert dat [verzoeker 1] c.s. terzake de hier aan de orde zijnde werkzaamheden van mr. Douwes wegens buitengerechtelijke kosten aanspraak kunnen maken op vergoeding van ((16 x € 275,- x 1,21 =) € 5.324. Voor zover [verzoeker 1] c.s. een hogere vergoeding hebben gevraagd wordt dat verzoek afgewezen. Ook voor vergoeding van een voorschot op nog te maken kosten bestaat onvoldoende grond.
kosten deelgeschil
2.20.
[verzoeker 1] c.s. verzoeken de rechtbank om op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten die samenhangen met het voeren van de onderhavige procedure te begroten en [verweerster] tot betaling daarvan te veroordelen. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen tot deze kosten alleen die kosten worden gerekend die samenhangen met het voeren van het deelgeschil als zodanig.
2.21.
Ook voor deze kosten geldt dat voor het bepalen van de omvang daarvan een inschatting moet worden gemaakt omdat mr. Douwes de kosten voor alleen het deelgeschil niet heeft uitgesplitst en dat deze kosten naar redelijkheid zullen worden vastgesteld.
2.22.
Aan de eerste redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW Pro is voor wat betreft het aanhangig maken van het deelgeschil voldaan. Het aanhangig maken van het deelgeschil was nodig omdat [verweerster] /MediRisk niet met volledige vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten kon instemmen.
2.23.
Hiervoor is al overwogen dat de rechtbank het door mr. Douwes gehanteerde uurtarief van € 275 exclusief 21% btw niet onredelijk acht.
2.24.
Volgens de opgave van mr. Douwes heeft zij 20,5 uur besteed in de periode van 1 maart 2024 tot 28 juni 2024, 32,7 uur in de periode tot het indienen van het verweerschrift/verzoekschrift en verwacht zij zoals is verwoord in het verweerschrift/verweerschrift voor verdere werkzaamheden globaal nog 10,5 uur te moeten besteden.
2.25.
De rechtbank is van oordeel dat voor het opstellen van het verzoekschrift inzake het deelgeschil een tijdsbesteding door mr. Douwes van 8 uur zou hebben volstaan. De verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten betreft geen zeer gecompliceerde kwestie. Er zal enige tijd nodig zijn geweest voor het bijeenbrengen van de facturen met urenregistraties en in het geding brengen van de hierover gevoerde relevante correspondentie, maar de hoogte van het uurtarief van mr. Douwes verlangt ook dat zij (een deel van die) werkzaamheden zou hebben uitbesteed, zodat het aantal in rekening te brengen uren beperkt zou blijven.
2.26.
Voor zover het gaat om het deelgeschil wordt door de rechtbank voor de bestudering van het verweerschrift van [verweerster] verder 1 uur, voor het voorbespreken van de zitting met [verzoeker 1] c.s. 0,5 uur, voor het opstellen van spreekaantekeningen op het punt van de gevorderde buitengerechtelijke kosten 2 uur, voor het (verder) voorbereiden en bijwonen van de mondelinge behandeling 1 uur gerekend, zodat de rechtbank voor deze aanvullende werkzaamheden een verdere tijdsbesteding van in totaal in totaal 4,5 uren gerechtvaardigd acht.
2.27.
Met inachtneming van het voorgaande worden de kosten van het deelgeschil begroot op 12,5 uur keer € 275,- met btw, dus (12,5 x € 275,- x 1,21 =) € 4.159,38, te vermeerderen met € 331 voor griffierecht, zodat het totaalbedrag op € 4.490,38 uitkomt. De rechtbank zal [verweerster] tot vergoeding van dit bedrag aan [verzoeker 1] c.s. veroordelen.
verzoek II: buitengerechtelijke kosten worden gedeeltelijk toegewezen
buitengerechtelijke kosten aan Slot

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1. veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker 1] c.s. van een bedrag van € 9.786,29 (inclusief btw) voor buitengerechtelijke kosten aan Slot Letselschade,
3.2.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker 1] c.s. van een bedrag van € 5.324,00 (inclusief btw) voor buitengerechtelijke kosten aan LIFe Letselschade Advocaten,
3.3.
begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv aan de zijde van [verzoeker 1] c.s. op € 4.490,38 (inclusief 21% btw en griffierecht) en veroordeelt [verweerster] tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker 1] c.s.,
3.4.
wijst het meer of anders door [verzoeker 1] c.s. verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Molenaar en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
[3727/3152]