ECLI:NL:RBROT:2026:8774

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2601494:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 288 FwArt. 284 FwArt. 295 FwArt. 296 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing wettelijke schuldsaneringsregeling met eerdere ingangsdatum wegens nulaanbod en mantelzorg

De heer [naam] heeft een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een problematische schuldensituatie. De rechtbank Rotterdam heeft dit verzoek op 19 juni 2026 behandeld en besloten tot toewijzing, waarbij tevens een eerdere ingangsdatum van de regeling is vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat de heer [naam] voldoet aan de voorwaarden voor toelating, waaronder het te goeder trouw zijn bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden en de verwachting dat hij aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. De rechtbank stelt vast dat het centrum van zijn voornaamste belangen in Nederland ligt, waardoor zij bevoegd is de procedure te openen.

Van belang is dat de heer [naam] tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject geen afloscapaciteit had, wat leidde tot een nulaanbod aan schuldeisers op 24 juni 2025. Dit nulaanbod wordt gelijkgesteld aan een eerste aflossing zoals bedoeld in artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet. Daarnaast heeft hij voldaan aan de inspanningsverplichting, mede doordat hij mantelzorg verleende aan zijn ernstig zieke echtgenote.

De rechtbank benoemt een bewindvoerder en een rechter-commissaris die toezicht houden op de naleving van de verplichtingen binnen de Wsnp. De looptijd van de regeling wordt vastgesteld op achttien maanden, ingaande op de datum van het nulaanbod. Na afloop van de materiële looptijd blijven medewerkings- en informatieplichten gelden. De regeling eindigt met een schone lei indien aan alle verplichtingen is voldaan.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de Wsnp toe en stelt de ingangsdatum vast op 24 juni 2025 met een looptijd van achttien maanden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 19 juni 2026
op het verzoek van
[naam],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoeker.
Waar deze zaak over gaat
De heer [naam] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [naam] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
De heer [naam] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 12 juni 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [naam] , verzoeker,
- mevrouw J. Baart, beschermingsbewindvoerder.

2.De beoordeling

De toelating
2.1.
De heer [naam] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [naam] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
De heer [naam] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.3.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [naam] in Nederland ligt.
Duur
2.4.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op achttien maanden.
De ingangsdatum
2.5.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.6.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.7.
De rechtbank stelt vast dat de heer [naam] gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject op basis van zijn inkomen geen afloscapaciteit heeft gehad en dat om die reden terecht op 24 juni 2025 aan de schuldeisers een zogenoemd nulaanbod is gedaan. De vaststelling in het nulaanbod dat de heer [naam] geen afloscapaciteit heeft, moet op één lijn worden gesteld met een eerste aflossing (als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw). Daarnaast is in de periode van het schuldhulpverleningstraject ook aan de inspanningsverplichting binnen het minnelijke voortraject voldaan. De heer [naam] heeft weliswaar geen formele ontheffing van zijn sollicitatieverplichting gekregen vanuit de gemeente Capelle aan den IJssel; uit de stukken van de gemeente Capelle aan den IJssel en het verhandelde ter zitting is ook gebleken dat – gedurende in ieder geval vijf jaren – geen sollicitatieverplichting aan de heer [naam] is opgelegd. Het afgelopen jaar is onder meer geen arbeidsverplichting opgelegd omdat de heer [naam] mantelzorg verleende aan zijn ernstig zieke echtgenote (die inmiddels is overleden). De heer [naam] heeft in zoverre aan de voor hem tijdens het minnelijk traject geldende inspanningsverplichting voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is – mede tegen de achtergrond van het ziekbed van zijn echtgenote – ook voldoende aannemelijk dat in de periode van het minnelijke schuldhulpverleningstraject van de heer [naam] niet kon worden verwacht dat hij solliciteerde naar een fulltime (36 uur per week) dienstverband. Voor zover de heer [naam] al gedeeltelijk had kunnen werken, is niet aannemelijk geworden dat dit tot afloscapaciteit voor de schuldeisers zou hebben geleid.
2.8.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 24 juni 2025, zijnde de datum waarop het nulaanbod is gedaan.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [naam] tijdens de looptijd (ex artikel 349a Fw) van de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [naam] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
3.4.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw Pro). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
3.5.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [naam] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw Pro). De heer [naam] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw Pro). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.6.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.7.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [naam] .
3.8.
De looptijd van de regeling van de heer [naam] is veel eerder ingegaan dan de datum van dit vonnis. De bewindvoerder kan nu pas starten met zijn taken, terwijl de looptijd van de regeling (vooralsnog) verstrijkt op 24 december 2026. De boedel wordt per die datum gefixeerd. Van belang is dat de heer [naam] ook na die datum verplicht blijft om mee te werken aan de afwikkeling. Hij is ook verplicht om daarvoor informatie aan de bewindvoerder aan te leveren. Tot de boedel behorende goederen moeten nog worden afgedragen. Na de materiële looptijd geldt er geen inspanningsverplichting (artikel 288 Fw Pro) en ook geen verplichting om inkomsten boven het vtlb af te dragen (artikel 295 Fw Pro).
3.9.
De rechtbank draagt de bewindvoerder op om – in afwijking van artikel 351a Fw – uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen.
3.10.
Als de heer [naam] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [naam] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (het formele einde).

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[naam],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] te [woonplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger
en tot bewindvoerder mr. W.P. Groenendijk,
gevestigd te postbus 324
3330 AH te Zwijndrecht;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 24 juni 2025 en de duur op achttien maanden;
  • stelt vast dat er ook na de materiële looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht gelden;
- draagt de bewindvoerder op om uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen;
- stelt de datum van de verificatievergadering vast op 25 augustus 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van de heer [naam] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. C.G.E. Prenger, rechter, in samenwerking met S.R.L.T. Peek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026. [1]