Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 20 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van [gedaagde] , met bijlagen;
- de akte van [eiser] .
2.De verdere beoordeling
- [gedaagde] vindt dat met ‘koofje weghalen’ nooit kan zijn bedoeld dat het muurtje moet worden verwijderd. De rechter verwijst hier naar rechtsoverweging 2.6 in het tussenvonnis. [gedaagde] heeft over dit standpunt namelijk geen nieuwe onderbouwing naar voren gebracht.
- Dat [eiser] nooit van plan was om de op de foto als blauw aangeduide koof te doen verwijderen, staat voor de rechter ook voldoende vast. In die zin wordt dat ook bevestigd door [gedaagde] . Richting IKEA is namelijk gecommuniceerd dat er onder de koof een lagere kast moest komen. Hieruit blijkt voldoende dat de blauwomlijnde koof niet wordt verwijderd. Toch heeft [gedaagde] in de werkbon opgenomen dat er een koof verwijderd moet worden. [gedaagde] heeft onvoldoende uitgelegd wat daarmee dan wel moet worden bedoeld. [eiser] daarentegen heeft wel voldoende uitgelegd dat met ‘koofje weghalen’ is bedoeld dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] het muurtje verwijdert. De rechter ziet in de correspondentie ook voldoende terugkomen dat met ‘koofje weghalen’ is bedoeld om het muurtje te verwijderen. Ook dit is uitgelegd in overweging 2.6 en 2.7 in het tussenvonnis.
- Dat er met geen woord wordt gesproken over het verwijderen van het muurtje in het tussenopleverformulier maakt het oordeel van de rechter ook niet anders. Op 26 maart 2026 is het tussenopleverformulier opgesteld en getekend. Daarvoor heeft [eiser] al geklaagd dat [gedaagde] het muurtje niet heeft verwijderd. In de e-mails van 5 maart 2025 en 24 maart 2025 maakt [eiser] voldoende duidelijk dat hij niet blij is met hoe de keuken nu is geplaatst. De rechter is onder deze omstandigheden van oordeel dat het niet nodig is om de klachten over het niet verwijderen van het muurtje (formeel) nog een keer in het tussenopleverformulier op te nemen.