ECLI:NL:RBROT:2026:8798

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
11695109 CV EXPL 25-11288
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:236 BWArt. 6:237 BWArt. 6:233 sub a BWArt. 5.1 onder a van de algemene voorwaardenArt. 6:83 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande en resterende leasetermijnen na ontbinding leaseovereenkomst

In deze zaak vordert eiseres betaling van openstaande en resterende leasetermijnen van een leaseovereenkomst voor een Peugeot Partner 120, die gedaagde namens zijn eenmanszaak is aangegaan. Gedaagde betaalde niet en stelde verweren zoals schending van de waarheidsplicht, misbruik van recht, schuldeisersverzuim en onredelijke bedingen.

De kantonrechter oordeelt dat eiseres niet in strijd met de waarheidsplicht heeft gehandeld en geen misbruik van procesrecht heeft gemaakt. De algemene voorwaarden zijn niet onredelijk bezwarend, omdat gedaagde niet als consument kan worden aangemerkt. De verkoopopbrengst van de auto is realistisch en gedaagde mocht zijn betalingsverplichting niet opschorten.

Gedaagde is in verzuim en moet de openstaande en resterende leasetermijnen betalen, verminderd met de verkoopopbrengst, plus contractuele rente en gematigde incassokosten. Tevens worden de proceskosten aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande en resterende leasetermijnen, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11695109 CV EXPL 25-11288
datum uitspraak: 3 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] B.V., die handelt onder de naam [handelsnaam 1] ,
vestigingsplaats: Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam [handelsnaam 2] ,
woonplaats: [woonplaats] ( [gemeente] ),
gedaagde,
gemachtigde: mr. S. Toekoen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 23 april 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de aanvullende producties van [eiseres] ;
  • de spreekaantekeningen van [eiseres] .
1.2.
Op 20 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was mr. H.J.M. Hofman aanwezig namens de gemachtigde van [eiseres] . [gedaagde] was ook aanwezig met mevrouw M. Shpynova als tolk en bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft op naam van zijn bedrijf [handelsnaam 2] een Peugeot Partner 120 geleased van [eiseres] . [gedaagde] moest elke maand een leasebedrag betalen aan [eiseres] . Hij heeft de eerste maand niet betaald en de maanden daarna ook niet. [eiseres] heeft daarom de overeenkomst ontbonden. Zij eist in deze procedure dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om de openstaande en resterende leasetermijnen aan [eiseres] te betalen, met rente en kosten.
2.2.
[gedaagde] vindt dat [eiseres] in deze procedure niet alle feiten in de dagvaarding heeft benoemd. Hij vraagt de kantonrechter hieraan consequenties te verbinden. Daarnaast heeft [gedaagde] aan [eiseres] gevraagd om haar vordering uit te leggen door bijvoorbeeld de kredietovereenkomst en het verkoopdossier te overleggen. [gedaagde] vindt namelijk, onder andere, dat de Peugeot voor een te laag bedrag is verkocht. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] niet op zijn verzoeken gereageerd. Door alsnog een procedure te starten, vindt [gedaagde] dat [eiseres] misbruik maakt van haar recht om te procederen. [gedaagde] heeft zijn verplichting om het volledige leasebedrag te betalen opgeschort, omdat [eiseres] niet reageert op zijn verzoek om stukken te overleggen en uitleg te geven. Volgens [gedaagde] is [eiseres] ook in schuldeisersverzuim, omdat hij zonder uitleg van [eiseres] de vordering niet kan betalen. Tot slot geeft [gedaagde] aan dat hij bij het sluiten van de overeenkomst vergeleken moet worden met een consument en daarom verschillende bepalingen over onder andere de incassokosten, de rente en het verzuim oneerlijk zijn. Hij vraagt de kantonrechter deze bepalingen te vernietigen en de vorderingen van [eiseres] af te wijzen.
2.3.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] (gedeeltelijk) toe. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
[eiseres] heeft niet in strijd met de waarheidsplicht gehandeld
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] niet in strijd met de waarheidsplicht heeft gehandeld, omdat [eiseres] de feiten volledig en naar waarheid in de dagvaarding naar voren heeft gebracht. Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft zij deze feiten verder onderbouwd. [gedaagde] lijkt te vinden dat [eiseres] de waarheidsplicht schendt door niet de volledige onderbouwing al bij de dagvaarding in te dienen, maar hier gaat de kantonrechter niet in mee. [eiseres] heeft voldoende feiten gesteld om de vordering in de dagvaarding te dragen en mag na het verweer van [gedaagde] deze feiten verder onderbouwen. Uit deze onderbouwing is ook gebleken dat er geen onwaarheden zijn opgenomen in de dagvaarding.
[eiseres] heeft ook geen misbruik gemaakt van recht
2.5.
[gedaagde] geeft ook aan dat [eiseres] bewust niet heeft gereageerd op de verzoeken van [gedaagde] om meer informatie over de vordering. Hierdoor stuurt [eiseres] aan op een procedure en dit levert volgens [gedaagde] misbruik van procesrecht op. De kantonrechter gaat hier niet in mee; [eiseres] heeft voldoende informatie aan [gedaagde] gegeven over de opbouw van de vordering, waaronder de verkoopopbrengst, in haar verschillende brieven (in 2024 en 2025). Er is daarom onvoldoende gebleken dat [eiseres] bewust communicatie met [gedaagde] heeft vermeden om aan te sturen op een procedure bij de kantonrechter en ook is niet gebleken dat [eiseres] haar procesrecht misbruikt.
Geen onredelijk bezwarende bedingen
2.6.
De kantonrechter is van oordeel dat de algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend zijn. [gedaagde] zegt dat bepaalde bedingen in de algemene voorwaarden volgens de grijze en zwarte lijst (vermoedelijk) onredelijk bezwarend zijn. De lijsten zijn echter alleen van toepassing op consumenten. [1] [gedaagde] beroept zich wel op reflexwerking van deze wettelijke bepalingen, maar dit wijst de kantonrechter af. [gedaagde] heeft namelijk onvoldoende omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat hij in dit geval moet worden vergeleken met een consument en dus consumentenbescherming geniet. De omstandigheden dat [gedaagde] de overeenkomst heeft gesloten op naam van zijn eenmanszaak en niet kon onderhandelen over de bedingen in de algemene voorwaarden maken niet dat hij bij het sluiten van de overeenkomst vergeleken moet worden met een consument. Hij heeft namelijk de ‘klusbus’ geleased voor zijn bedrijf en deze gebruikt bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden als schilder. De leaseovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] is dan ook niet te vergelijken met een overeenkomst die [eiseres] sluit met een consument.
2.7.
[gedaagde] heeft, naast de verwijzing naar de grijze en zwarte lijsten, geen andere omstandigheden gesteld die maken dat de bepalingen in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn voor hem. [2] De kanonrechter oordeelt dan ook dat de door [gedaagde] benoemde bepalingen, voor zover deze relevant zijn voor de vorderingen in deze procedure, niet onredelijk bezwarend zijn.
[gedaagde] moet € 12.811,20 aan hoofdsom betalen
2.8.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de openstaande en resterende leasetermijnen aan [eiseres] moet betalen. [eiseres] heeft namelijk voldoende onderbouwd dat [gedaagde] meerdere leasetermijnen, ook na het versturen van betalingsherinneringen, niet heeft betaald. Daarom mocht zij de overeenkomst ontbinden en de leasetermijnen in één keer opeisen. [3]
2.9.
De kantonrechter oordeelt verder dat [gedaagde] na aftrek van de verkoopopbrengst van de auto nog € 12.811,20 moet betalen aan [eiseres] . [gedaagde] zegt (onderbouwd met advertenties van vergelijkbare Peugeots) wel dat [eiseres] de auto voor een hoger bedrag had kunnen verkopen, maar. [eiseres] heeft voldoende uitgelegd dat de Peugeot in een niet al te goede staat verkeerde tijdens de verkoop. Dit blijkt ook uit het taxatierapport dat voor de verkoop is opgesteld. De Peugeot is getaxeerd op een bedrag van € 4.100,00 en is uiteindelijk verkocht voor € 4.463,00. Hieruit blijkt voor de kantonrechter voldoende dat [eiseres] de Peugeot voor een realistisch bedrag heeft verkocht. Het had in dit geval de weg van [gedaagde] gelegen om te onderbouwen dat de Peugeot in de staat waarin die verkeerde voor een hoger bedrag verkocht kon en moest worden.
[gedaagde] mocht zijn betalingsverplichting niet opschorten
2.10.
[gedaagde] mocht zijn betalingsverplichting niet opschorten, omdat opschorting van de volledige betalingsverplichting niet gerechtvaardigd is. Hij zegt zijn betalingsverplichting te hebben opgeschort in afwachting van een reactie van [eiseres] op zijn verzoek om de volgende stukken te geven:
  • de kredietovereenkomst en de berekening van het rentepercentage;
  • het taxatierapport;
  • de verkoopovereenkomst van de auto en advertenties als bewijs van verkoopinspanningen; en
  • onderbouwing en specificatie van de vordering.
[gedaagde] heeft in zijn e-mail aan [eiseres] enkel aangegeven de stukken te willen hebben om de vordering in kaart te brengen. [eiseres] heeft echter in haar brieven al meermaals de vordering in kaart gebracht. [gedaagde] heeft de kredietovereenkomst ook zelf (digitaal) getekend en is daarmee bekend met de inhoud van de overeenkomst. Ook over de onderbouwing van de vordering en de verkoopopbrengst is [gedaagde] in meerdere brieven van [eiseres] geïnformeerd. Daar komt bij dat [gedaagde] zich pas voor het eerst beroept op opschorting in de conclusie van antwoord. [gedaagde] zegt wel dat hij in zijn e-mail van 2 april 2025 een beroep deed op opschorting, maar in de e-mail staat niet dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting opschort totdat hij de stukken heeft ontvangen. Volledige opschorting van zijn betalingsverplichting is onder deze omstandigheden niet gerechtvaardigd. De kantonrechter wijst het beroep op opschorting dan ook af.
[eiseres] is niet in schuldeisersverzuim
2.11.
Het beroep van [gedaagde] op schuldeisersverzuim gaat ook niet op. [gedaagde] zegt dat hij zonder specificatie van de vordering niet kon betalen aan [eiseres] . De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] een beroep doet op het schuldeisersverzuim zoals beschreven in artikel 6:58 BW Pro. De kantonrechter ziet echter niet in op welke manier [eiseres] [gedaagde] heeft verhinderd of op een andere manier heeft belet om de vordering aan [eiseres] te betalen. [eiseres] heeft in haar brieven duidelijk uitgelegd dat zij de openstaande en resterende leasetermijnen vordert, verminderd met de verkoopopbrengst van het voertuig. [gedaagde] moet dit volgens de overeenkomst aan [eiseres] betalen. Verder kon [gedaagde] via een betaallink de schuld betalen of een betalingsregeling sluiten. Het verstrekken van de stukken die [gedaagde] heeft opgevraagd, is niet noodzakelijk voor [gedaagde] om het gevorderde bedrag aan [eiseres] te kunnen betalen. [eiseres] is dan ook niet in schuldeisersverzuim.
[gedaagde] moet incassokosten van € 1.092,76 betalen
2.12.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 1.092,76 toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de afgesproken vergoeding te matigen tot het bedrag waarop [eiseres] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv Pro), inclusief btw. De buitengerechtelijke incassokosten zijn berekend op basis van het totale bedrag aan openstaande leasetermijnen verminderd met de verkoopopbrengst van de auto (€ 12.811,20). [eiseres] heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze kosten te maken.
2.13.
[gedaagde] stelt niet goed in gebreke te zijn gesteld, niet in verzuim te zijn en daarom de kosten niet verschuldigd te zijn. [gedaagde] is echter wel in verzuim, omdat hij met [eiseres] heeft afgesproken om op vaste data de maandelijkse leasetermijnen te betalen en dit niet heeft gedaan. [4] [gedaagde] heeft niet gesteld dat de afgesproken betaaltermijnen een andere strekking hebben. Als [gedaagde] beargumenteert dat hij een veertiendagenbrief hoort te krijgen voordat hij incassokosten verschuldigd is, dan gaat de kantonrechter voorbij aan dit standpunt. Artikel 6:96 lid 6 BW Pro is hier namelijk niet van toepassing, omdat [gedaagde] niet handelt als natuurlijk persoon.
[gedaagde] moet rente betalen
2.14.
De contractuele rente van 14,923% per jaar wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald. Tot en met 14 april 2025 is de rente € 2.122,25. [gedaagde] vindt dat hij niet in verzuim is en de rente daarom niet verschuldigd is, maar hier gaat de kantonrechter aan voorbij. In overweging 2.13 is al uitgelegd dat [gedaagde] wel in verzuim is.
2.15.
[gedaagde] benoemt verder nog dat het rentepercentage onredelijk hoog is, maar heeft onvoldoende omstandigheden gesteld om tot het oordeel te komen dat het rentebeding onredelijk bezwarend is of dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is van [eiseres] om de rente te vorderen.
[gedaagde] heeft € 500,00 betaald
2.16.
[gedaagde] heeft € 500,00 betaald. Deze betaling strekt eerst in mindering op de kosten. [5]
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.17.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 1.461,00 aan griffierecht, € 864,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.615,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.18.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 15.526,21 met de contractuele rente van 14,923% per jaar over € 12.811,20 vanaf 15 april 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 2.615,14;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
64363

Voetnoten

1.Artikel 6:236 en Pro 6:237 BW.
2.Artikel 6:233 sub a BW Pro.
3.Artikel 5.1 onder a van de algemene voorwaarden.
4.Artikel 6:83 sub a BW Pro en artikel 4.4 van de algemene voorwaarden.
5.Artikel 6:44 lid 1 BW Pro.