ECLI:NL:RBROT:2026:8803

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
C/10/709445 / HA ZA 25-966
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:661 BWArt. 6:97 BWArt. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 6:14 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voormalig gemeenteambtenaar voor onrechtmatige toewijzing van (Z)onderdakwoningen

De Gemeente Rotterdam vordert schadevergoeding van een voormalig ambtenaar die als coördinator van het team (Z)onderdak acht woningen zonder toestemming aan familieleden en kennissen heeft toegewezen, buiten de doelgroep en zonder medeweten van de Gemeente. De Gemeente stelt dat hierdoor schade is geleden door gemiste eigen bijdragen en door doorlopende huur- en aanverwante kosten.

De ambtenaar erkent het toewijzen van de woningen, maar betwist aansprakelijkheid wegens gebrek aan opzet of bewuste roekeloosheid. Zij stelt dat zij handelde om woningnood te verlichten en niet bewust schade te veroorzaken. De Gemeente betoogt dat sprake is van opzettelijke fraude, ondersteund door een onderzoeksrapport van de Centrale Onderzoekseenheid.

De rechtbank oordeelt dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid, gelet op het bewust buiten de administratie houden van de toewijzingen en het niet incasseren van eigen bijdragen. De schade wordt geschat op basis van gemiste eigen bijdragen en doorlopende kosten, met inachtneming van de afbouw van het woningbestand en de ontruimingsdata. De ambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van ruim € 400.000 aan schade, plus onderzoekskosten, beslagkosten en proceskosten, met wettelijke rente. De vordering tot kwijtschelding van 40% van de schade wordt verworpen.

Uitkomst: Voormalig ambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van ruim €400.000 schadevergoeding, onderzoekskosten, beslagkosten en proceskosten wegens opzettelijke onrechtmatige toewijzing van (Z)onderdakwoningen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709445 / HA ZA 25-966
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
GEMEENTE ROTTERDAM,
te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. M.M. de Jonge Wolff,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Voogt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties (1 - 9);
- de conclusie van antwoord, met producties (1- 3);
- de akte overleggen nadere producties (10 - 12), van de Gemeente
- de mondelinge behandeling, gehouden op 3 juni 2026;
- de pleitaantekeningen namens de Gemeente.
1.2.
Na de mondelinge behandeling is de zaak twee weken aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen tot een minnelijke regeling te komen. Partijen zijn daarin niet geslaagd.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] was sinds 1 juni 2003 als ambtenaar in dienst bij de Gemeente, laatstelijk in de functie van coördinator van het team (Z)onderdak
2.2.
Het programma (Z)onderdak houdt in dat de Gemeente woningen tijdelijk in gebruik geeft aan voormalig dak- en thuislozen. Om uitvoering te geven aan dit programma huurt de Gemeente woningen van verschillende woningcorporaties. De huurcontracten met de woningcorporaties staan op naam van de Gemeente. De Gemeente betaalt de maandelijkse huur en kosten voor gas, water, elektriciteit en gemeentelijke belastingen. De Gemeente sluit gebruiksovereenkomsten met kandidaten, waarin onder meer verplichtingen zijn vastgelegd terzake de betaling van de maandelijkse eigen bijdragen voor het gebruik van de woning en het meewerken aan ambulante woonbegeleiding door de betrokken zorginstelling. De Gemeente zet een klein deel van haar woningbestand in als "noodwoning" voor crisissituaties waarin burgers via een escalatieprocedure direct gehuisvest moeten worden.
2.3.
Naar aanleiding van een integriteitsmelding over [gedaagde] dat zij (Z)onderdakwoningen zonder toestemming aan familieleden en kennissen in gebruik had gegeven, is opdracht gegeven aan de Centrale Onderzoekseenheid van de Gemeente (hierna: COE) om een onderzoek in te stellen.
2.4.
De COE heeft op 4 maart 2025 een onderzoeksrapport opgeleverd. De COE concludeert dat [gedaagde] moedwillig acht (Z)onderdakwoningen zonder medeweten van de Gemeente buiten de doelgroep heeft toegewezen aan familieleden en kennissen van [gedaagde] , te weten:
a. a) de woning aan [adres 1] ;
b) de woning aan [adres 2] ;
c) de woning aan [adres 3] ;
d) de woning aan [adres 4] ;
e) de woning aan de [adres 5] ;
f) de woning aan [adres 6] ;
g) de woning aan [adres 7] ;
h) de woning aan [adres 8] ;
(hierna: de woningen)
2.5.
Per brief van 29 april 2025 is [gedaagde] namens de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die de Gemeente als gevolg van het handelen van [gedaagde] heeft geleden. [gedaagde] is gevraagd om aansprakelijkheid voor de gevolgen van haar handelen te erkennen.
2.6.
Ook de (ex)bewoners van de woningen zijn per brief van 29 april 2025 aansprakelijk gesteld. De Gemeente heeft de bewoners, die nog in de (Z)onderdakwoningen wonen, aanvankelijk een termijn tot 1 september 2025 gegeven, om de woningen te ontruimen. Nadien is deze termijn verlengd tot 1 mei 2026. Ten tijde van het opstellen van de dagvaarding in deze zaak had geen van de bewoners hun woning ontruimd.
2.7.
Per brief van 10 juni 2025 heeft [gedaagde] via haar advocaat op de
aansprakelijkheidstelling door de Gemeente gereageerd. De advocaat
van [gedaagde] heeft bevestigd dat [gedaagde] de woningen in gebruik heeft gegeven aan derden (waaronder familieleden). [gedaagde] heeft aansprakelijkheid afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
De vordering van de Gemeente luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de Gemeente van:
Primair:
( i) een bedrag van € 419.687,29, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
Subsidiair:
(ii) een bedrag van € 357.617,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
Meer subsidiair:
(iii) een ex aequo et bono te bepalen bedrag;
Primair, subsidiair en meer subsidiair:
(iv) een bedrag van € 16.236,55, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, terzake de
onderzoekskosten;
( v) een bedrag van € 1.353,29 terzake de beslagkosten;
(vi) de wettelijke rente over het totale schadebedrag vanaf de dag van het in dezen te wijzen
vonnis tot aan de dag van algehele betaling;
(vii) de kosten van deze procedure, de nakosten inbegrepen, zulks met bepaling dat daarover
de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis.
3.2.
Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen van de Gemeente, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

onrechtmatig handelen
4.1.
De Gemeente baseert haar vordering op onrechtmatige daad in dienstbetrekking (artikel 7:661 BW Pro).
4.2.
Op grond van artikel 7:661 BW Pro is de werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.
4.3.
De Gemeente stelt dat het onrechtmatig handelen van [gedaagde] eruit bestaat zij haar positie als coördinator heeft misbruikt om woningen uit het woningbestand van team (Z)onderdak zonder medeweten van haar collega's om niet in gebruik te geven aan familieleden en kennissen, die niet tot de doelgroep behoren en die ook niet volgens de daarvoor geldende procedureregels waren aangemeld voor een (Z)onderdakwoning of noodwoning (de fraude). De Gemeente stelt door deze handelswijze schade te hebben geleden en nog steeds te lijden.
4.4.
[gedaagde] betwist niet dat zij de woningen heeft toegewezen aan derden (familieleden, kennissen en een zoon van een collega). Zij voert aan dat zij desondanks niet aansprakelijk is voor de door de Gemeente geleden schade, omdat geen sprake is van opzet en/of bewuste roekeloosheid. [gedaagde] heeft met de verweten gedraging uitsluitend voor ogen gehad derden te helpen die vanwege de woningnood in Rotterdam niet in staat waren om zelfstandig en via de reguliere weg een geschikte woning te verkrijgen. [gedaagde] was zich er niet bewust van dat dit handelen zou leiden tot schade voor de Gemeente, laat staan dat zij het oogmerk heeft gehad de gestelde schade te veroorzaken. Van belang daarbij is dat de woningen al langer leegstonden en de Gemeente ook in periodes van leegstand opdraaide voor de kosten voor de woningen. De Gemeente had bovendien genoeg woningen ter beschikking om alle kandidaten uit de doelgroep die werden aangemeld van een (Z)onderdakwoning te voorzien. Het was [gedaagde] niet bekend dat de Gemeente haar bestand (Z)onderdakwoningen wilde gaan afbouwen.
4.5.
De Gemeente heeft hier het volgende tegenin gebracht.
Het bewust plegen van fraude wordt in de regel aangemerkt als opzettelijk handelen als bedoeld in artikel 7:661 BW Pro.
[gedaagde] was als coördinator als geen ander bekend met de geldende procedures voor aanmelding van nieuwe bewoners en het ten aanzien van de woningen door de Gemeente gevoerde afbouwbeleid. [gedaagde] heeft bewust en actief bewerkstelligd dat de Gemeente geen gebruiksovereenkomsten met de bewoners heeft afgesloten en geen eigen bijdragen heeft kunnen incasseren. Blijkens haar verklaringen in het onderzoek door de COE realiseerde zij zich dat zij verkeerd handelde. Daar komt nog bij de [gedaagde] in hetzelfde onderzoek heeft verklaard dat alle bewoners haar hebben gevraagd wat zij moesten betalen, maar dat zij dan antwoordde dat het wel goed zou komen. Na drie vier weken hielden de bewoners dan op met vragen.
4.6.
Zoals hierna zal worden uitgewerkt, heeft de Gemeente als gevolg van het handelen van [gedaagde] schade geleden. De rechtbank is van oordeel dat deze schade een gevolg is van de opzet of op zijn minst de bewuste roekeloosheid van [gedaagde] . [gedaagde] wist dat de woningen niet bedoeld waren voor de personen aan wie zij deze in gebruik heeft gegeven. Verder heeft de Gemeente gesteld en heeft [gedaagde] niet betwist dat zij de toewijzing van de woningen buiten de administratie van het project heeft gehouden, een schaduwadministratie bijhield die niet voor collega’s inzichtelijk was en er bewust voor zorgde dat er geen eigen bijdragen betaald werden voor de woningen. Daarmee is sprake van opzettelijke fraude. [gedaagde] is daarom gehouden de schade te vergoeden die zij de Gemeente heeft toegebracht.
schadevergoeding
standpunt gemeente
4.7.
Met betrekking tot de schade heeft de Gemeente het volgende gesteld.
4.7.1.
De schade die de Gemeente als gevolg van het onrechtmatige handelen van [gedaagde] lijdt bestaat enerzijds uit de kosten die de Gemeente maakt voor de huur van de woningen en aanverwante kosten (gas, water, licht en belastingen). Anderzijds lijdt de Gemeente schade, omdat zij door toedoen van [gedaagde] voor het gebruik van de woningen geen eigen bijdragen heeft kunnen incasseren.
4.7.2.
De Gemeente kan, gelet op de aard van het gestelde onrechtmatig handelen, de aard van de schade niet precies begroten, maar dient deze te schatten. De Gemeente maakt voor de vaststelling van door haar geleden schade de volgende vergelijking tussen de situatie zonder de fraude en met de fraude.
In de situatie zonder de fraude was het aannemelijk dat de woningen volgens de daarvoor geldende regels aan personen uit de doelgroep in gebruik waren gegeven. Uit het door de Gemeente gegeven overzicht (productie 11 van de Gemeente) blijkt dat de Gemeente bijna alle woningen uit het woningbestand in de periode 2018 tot heden in gebruik heeft gegeven.
(productie 11 van de Gemeente:)
Het is aannemelijk dat de Gemeente in dat geval maandelijks de eigen bijdrage voor het gebruik van de woningen van de bewoners had (kunnen) ontvangen. Voorts is aannemelijk dat de Gemeente de woningen op enig moment aan de woningcorporaties had teruggegeven. Uit het overzicht blijkt dat de Gemeente vanaf 2018 ieder jaar woningen aan de woningcorporaties teruggaf. Vanaf 2020 bouwt de Gemeente haar woningbestand actief af. Als de woningen door de Gemeente waren teruggegeven, dan had de Gemeente geen kosten gemaakt voor huur en aanverwante kosten van de woningen. In de situatie met de fraude is dit alles niet mogelijk.
4.7.3.
Bij de schatting van de omvang van de door haar geleden schade neemt Gemeente primair als basis de gemiste eigen bijdragen van de bewoners die zij door toedoen van [gedaagde] niet heeft kunnen incasseren, vanaf de data waarop de bewoners op de adressen van de woningen zijn ingeschreven in het BRP, tot 1 januari 2020 (het jaar dat de Gemeente feitelijk is begonnen met de afbouw van haar woningbestand, vermeerderd met de kosten voor huur en aanverwante kosten die zij had kunnen besparen, vanaf 1 januari 2020 tot aan de data waarop de woningen zijn/worden ontruimd (met als uiterste datum 1 mei 2026), vermeerderd met wettelijke rente. Dit betreft in totaal een bedrag van € 419.687,29. Zie productie 6 bij dagvaarding:
[afbeelding productie ]
4.7.4.
Subsidiair maakt de Gemeente aanspraak op de eigen bijdragen die zij door toedoen van [gedaagde] niet heeft kunnen incasseren over dezelfde periode. Dit betreft in totaal een bedrag van € 351.617,00. Zie productie 7 bij dagvaarding:
[afbeelding productie 7]
verweren van [gedaagde]
4.8.
[gedaagde] betwist de omvang van de door de Gemeente aangevoerde schadebedragen op de volgende gronden.
4.8.1.
[gedaagde] wijst er in de eerste plaats op dat de Gemeente in haar brief van 29 april 2025 een lager schadebedrag heeft genoemd.
4.8.2.
[gedaagde] betwist dat de Gemeente door haar handelen eigen bijdragen is misgelopen. Zij voert aan dat indien zij de woningen niet had toegekend, deze ook niet aan de doelgroep in gebruik zouden zijn gegeven. Er waren, zo blijkt uit de gegevens van de Gemeente, ruimschoots voldoende woningen voorhanden voor de aangemelde kandidaten uit de doelgroep, terwijl de Gemeente daarnaast niet actief naar kandidaten zocht. Enkel zou dit ertoe hebben geleid dat meer woningen leeg hadden gestaan. Dat betekent dat de vordering aan gemiste eigen bijdragen ad € 66.690 wat betreft de primaire vordering en de gehele subsidiaire vordering voor afwijzing gereed liggen.
4.8.3.
[gedaagde] betwist voorts dat de Gemeente de woningen zonder haar handelen zou hebben teruggegeven aan de woningcorporaties. Noch ten tijde van het toekennen van de woningen, noch na afloop daarvan heeft [gedaagde] op enig moment signalen ontvangen dat de Gemeente voornemens was de woningen terug te geven aan de woningcorporaties. Verder blijkt dit uit de omstandigheid dat de woningen die inmiddels zijn vrijgevallen ( [adres 3] en [adres 8] ) blijkens het rapport COE nog steeds niet zijn teruggegeven aan de woningcorporaties. De huurkosten zouden dus zijn doorgelopen.
Voor zover de huurkosten wel onderdeel van de schade zouden uitmaken, betwist [gedaagde] dat de huurkosten vóór 1 januari 2020 bij de schadeberekening kunnen worden betrokken. De Gemeente geeft zelf immers aan dat zij pas vanaf 2020 beleid voert om het woningbestand af te bouwen. Daarom is niet aannemelijk dat de woningen voor 1 januari 2020 zouden zijn teruggegeven aan de woningcorporaties.
4.8.4.
[gedaagde] voert aan dat de huurkosten na 1 april 2025 bij de schadeberekening op grond van de schadebeperkingsplicht van de Gemeente buiten beschouwing moeten worden gelaten. [gedaagde] meent dat het redelijkerwijs mogelijk was geweest om de woning een half jaar gerekend vanaf 30 september 2024 (het moment waarop de Gemeente de integriteitsmelding ontving) te ontruimen en/of de eigen bijdragen te innen bij de bewoners. Dit alles heeft de Gemeente nagelaten, waardoor deze kosten redelijkerwijs voor haar rekening en risico dienen te komen.
4.8.5.
Indien [gedaagde] tot betaling van enige schadevergoeding wordt veroordeeld, heeft te gelden dat [gedaagde] en de voormalig bewoners, die door de Gemeente aansprakelijk zijn gesteld, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor (het overgrote deel van) de gesteld schade. [gedaagde] is ermee bekend dat de Gemeente met de voormalig bewoners van de [adres 8] inmiddels een regeling heeft getroffen.
4.8.6.
De Gemeente heeft zich jegens de bewoners van de woningen bereid verklaard om 40% van de berekende schade kwijt te schelden. Daarnaast heeft de Gemeente de bewoners te kennen gegeven dat zij geen (wettelijke) rente en/of andere kosten hoeven te betalen. Deze regeling dient dan ook voor de (hoofdelijk aansprakelijke) [gedaagde] te gelden.
schadebegroting
4.9.
De rechtbank zal de omvang van de schade schatten, nu deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (artikel 6:97 BW Pro). Uitgangspunt bij de schadebegroting is dat de Gemeente in de toestand wordt gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien het onrechtmatig handelen (de schadeveroorzakende gebeurtenis) zou zijn uitgebleven. Dit onrechtmatig handelen betreft – samengevat – het door [gedaagde] uitgeven van acht (Z)onderdakwoningen aan derden buiten de doelgroep. Bij het bepalen van de hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen gaat het erom wat zich waarschijnlijk zou hebben voorgedaan zonder dat onrechtmatig handelen, waarbij dus een (reële) inschatting moet worden gemaakt van wat er concreet zou zijn gebeurd als dat handelen niet had plaatsgevonden.
4.10.
Het staat de Gemeente in beginsel vrij in deze procedure een hoger bedrag aan schadevergoeding te vorderen dan waarop zij eerder buiten rechte aanspraak maakte.
4.11.
Partijen verschillen voor wat betreft de door de Gemeente gestelde schade in de eerste over de vraag of voldoende aannemelijk is dat in geval het onrechtmatig handelen niet had plaatsgevonden de Gemeente (een deel van de) woningen had uitgegeven aan kandidaten uit de doelgroep en daarmee gebruikersvergoedingen had ontvangen en de vraag of de Gemeente (een deel van de) woningen aan de woningcorporaties had teruggeven en daarmee huurkosten en aanverwante kosten had bespaard. De rechtbank zal dat hierna voor de verschillende woningen en perioden beoordelen.
voor 2020
4.12.
De rechtbank acht voor de drie woningen die voor 1 januari 2020 onrechtmatig aan de voorraad zijn onttrokken ( [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] ), gelet op de aanzienlijke wachtlijst voor (Z)onderdakwoningen in die jaren zoals die blijkt uit productie 11 van de Gemeente, aannemelijk dat die aan kandidaten uit de doelgroep zouden zijn uitgegeven. Dat betekent dat de Gemeente voor die woningen eigen bijdragen is misgelopen. Die gederfde inkomsten dient [gedaagde] aan de Gemeente te vergoeden. De Gemeente heeft die bedragen begroot op respectievelijk:
  • [adres 1] : € 35.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van 1 februari 2015 tot 1 januari 2020,
  • [adres 2] : € 29.640,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van
  • [adres 3] : € 1.650,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van
[gedaagde] heeft die bedragen en de wettelijke rente niet betwist. Die komen dus voor toewijzing in aanmerking.
2020
4.13.
Volgens de Gemeente werd vanaf 1 januari 2020 het beleid gevoerd om zoveel mogelijk woningen aan de woningcorporaties terug te geven. De rechtbank acht op basis van productie 11 van de Gemeente niet aannemelijk dat dit beleid op 1 januari 2020 al effectief is ingezet, omdat dit niet strookt met het geringe aantal in dat jaar teruggegeven woningen. De Gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de Gemeente in het jaar 2020 nog had te maken met de corona-epidemie, waardoor er minder woningen konden worden teruggegeven. Dat kan een verklaring zijn, maar verandert niets aan de feiten en betekent dus niet dat ervan uit moet worden gegaan dat er in 2020 meer woningen zouden zijn teruggegaan naar de corporaties. Pas vanaf het jaar 2021 geeft het overzicht een serieuze teruggave van woningen te zien. Over 2020 kan de Gemeente dus geen aanspraak maken op (ten onrechte) betaalde huurkosten en aanverwanten kosten.
Wel acht de rechtbank, gelet op het voorgaande, aannemelijk dat de Gemeente in 2020 ook voor de woningen [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] en voor de woning [adres 4] voor wat betreft de periode 1 september 2020 tot en met 31 december 2020, de eigen bijdrages is misgelopen. Partijen zijn het voor wat betreft deze woningen eens over de hoogte van de eigen bijdragen die de Gemeente in die periode voor deze woningen in rekening had kunnen brengen. Dat betekent dat toewijsbaar is:
- [adres 1] : 12 maanden x € 600 = € 7.200, te vermeerderen met de wettelijke rente over 2020;
- [adres 2] : 12 maanden x € 600 = € 7.200, te vermeerderen met de wettelijke rente over 2020;
- [adres 3] : 12 maanden x € 500 = € 6.000, te vermeerderen met de wettelijke rente over 2020; [1]
- [adres 4] : 4 maanden x 500 = € 2.000, te vermeerderen met de wettelijke rente van 1 september 2020 tot en met 31 december 2020.
2021
4.14.
De rechtbank acht het wel aannemelijk dat vanaf 2021 meer (Z)onderdakwoningen zouden zijn teruggegeven door de Gemeente. Gelet op de hoge leegstand in 2021 van 14 woningen ten opzichte van de wachtlijst van 2 kandidaten, is aannemelijk dat de 6 woningen die in 2021 in gebruik waren ( [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] ) door de Gemeente aan de woningcorporaties zouden zijn teruggegeven. De rechtbank maakt uit productie 11 van de Gemeente op dat een leegstand van 14 woningen in 2021 een uitschieter is ten opzichte van andere jaren. Bij de mondelinge behandeling heeft de Gemeente onweersproken gesteld dat de wachtlijst een gemiddelde wachtlijst per jaar is en dat voor noodsituaties in ieder geval vijf woningen werden vrijgehouden. In dat licht is niet aannemelijk dat de Gemeente het aantal leegstaande woningen met nog 6 woningen zou hebben laten oplopen. Daarom wordt ervan uitgegaan dat die woningen dan terug naar de corporaties zouden zijn gegaan.
4.15.
Uitgaande van de door de Gemeente als productie 6 in het geding gebrachte schadeberekening met toelichtende voetnoten komt de rechtbank tot de navolgende schadebegroting voor de huurkosten en aanverwante kosten per woning over de periode
1 januari 2020 tot en met 1 mei 2026. Daarbij heeft de rechtbank de door de Gemeente vermelde bedragen deels moeten terugrekenen omdat de Gemeente ten onrechte (zie 4.13.) uitging van teruggave van de woningen in 2020 in plaats van 2021. De rechtbank zal de einddatum van de verschuldigde wettelijke rente hieronder nog nader motiveren.
a. a) Voor de woning [adres 1] (voetnoot 4, productie 6):
huurkosten: € 39.234,66/60 maanden x 48 maanden = € 31.387,73 + € 11.263,68 = € 42.651,41
overige kosten € 3.971,87/5 jaar x 4 jaar = € 3.177,50
totaal = € 45.828,91
+ wettelijke rente vanaf 1 januari 2021 tot en met 1 mei 2026;
b) Voor de woning [adres 2] (voetnoot 7, productie 6):
huurkosten: € 62.929,28/60 maanden x 48 maanden = € 50.343,42 + € 10.011,68 =
€ 60.355,10
overige kosten € 6.972,93/5 jaar x 4 jaar = € 5.578,34
totaal = € 65.933,44
+ wettelijke rente vanaf 1 januari 2021 tot en met 1 mei 2026;
c) Voor de woning [adres 3] (voetnoot 10, productie 6):
huurkosten: € 35.072,25/43 maanden x 31 maanden = € 25.284,65.
overige kosten: € 35,41/43 maanden x 31 maanden = € 25,53
totaal = € 25.310,18
+ wettelijke rente vanaf 1 januari 2021 en met 31 juli 2023;
d) Voor de woning aan het [adres 4] (voetnoot 12, productie 6):
huurkosten: € 30.785,52/52 maanden x 48 maanden = € 28.417,40 + € 10.204,48
= € 38.621,88
overige kosten: € 403,10/52 maanden x 48 maanden = € 372,10
totaal = € 38.993,98
+ wettelijke rente vanaf 1 januari 2021 tot en met 1 mei 2026;
e) Voor de woning aan de [adres 5] (voetnoot 14, productie 6):
€ 44.826,04
+ wettelijke rente vanaf 1 mei 2021 tot en met 1 mei 2026;
f) Voor de woning aan de [adres 6] (voetnoot 15, productie 6):
€ 41.323,51
+ wettelijke rente vanaf 24 augustus 2021 tot en met 1 mei 2026. [2]
2022 (g) [adres 7]
4.16.
Uit productie 11 van de Gemeente blijkt dat er in 2022 geen wachtlijst was, er negen (Z)onderdakwoningen leeg stonden en 37 op 289 (Z)onderdakwoningen terug naar de woningcorporaties zijn gegaan, ofwel een percentage van 12,8%. Gelet daarop acht de rechtbank aannemelijk dat de woning [adres 7] die in de loop van 2022 onrechtmatig is onttrokken, in dat jaar zou zijn teruggegeven. De huurkosten en overige kosten bedragen: € 28.678,14
+ de wettelijke rente vanaf 1 juli 2022 tot en met 1 mei 2026.
2024 (h) [adres 8]
4.17.
Ook in 2024 was er volgens het overzicht van de Gemeente geen wachtlijst, stonden er 8 (Z)onderwoningen leeg en gingen er 47 van 232 (Z)onderdakwoningen terug naar de woningcorporaties, ofwel een percentage van = 20,3%. Gelet daarop acht de rechtbank aannemelijk dat de woning [adres 8] die in de loop van 2024 onrechtmatig is onttrokken, in dat jaar zou zijn teruggegeven. De huurkosten en aanverwante kosten bedragen: € 4.505,64
+ de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot en met 6 december 2024.
ontruimingsdatum, kwijtschelding en hoofdelijke aansprakelijkheid
4.18.
Voor wat betreft de door de Gemeente bij de schadeberekening gehanteerde ontruimingsdatum van 1 mei 2026 overweegt de rechtbank het volgende. De Gemeente heeft gemotiveerd uitgelegd waarom er rekening gehouden diende te worden met de bijzondere omstandigheden van de bewoners en waarom het daarom niet mogelijk was om die bewoners eerder uit te zetten. Daar heeft [gedaagde] onvoldoende tegenover gezet. Gelet daarop acht de rechtbank de door de Gemeente gehanteerde termijn redelijk. Ook het argument van [gedaagde] dat de Gemeente alsnog eigen bijdragen had kunnen innen om daarmee de schade te beperken gaat niet op. De Gemeente wijst er terecht op dat daarmee het risico zou ontstaan dat er een reguliere huurrelatie ontstaat die dan niet zonder meer beëindigd kan worden. Het beroep van [gedaagde] op de schadebeperkingsplicht van de Gemeente slaagt dus niet en de wettelijke rente eindigt, zoals gevorderd, uiterlijk op
1 mei 2026.
4.19.
Het aanvankelijke betoog van [gedaagde] dat de Gemeente haar 40% van het schadebedrag dient kwijt te schelden, zoals zij dat bij de bewoners van de woningen heeft gedaan, heeft zij ter zitting laten varen in het licht van het beroep van de Gemeente op artikel 6:14 BW Pro. Dit betoog blijft dus verder onbesproken.
4.20.
De hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde] en de bewoners van de woningen, die de Gemeente op zich niet weerspreekt, betekent dat de Gemeente betalingen die zij van de bewoners ontvangt terzake van de hierboven begrote schade niet nogmaals van [gedaagde] kan vorderen. De rechtbank zal daarom het van een van de bewoners door de Gemeente ontvangen bedrag van € 1.557,- in mindering brengen op het hoogste schadebedrag van
€ 65.933,44 (zie 4.15. onder b). Dat bedrag wordt dus verminderd tot € 64.376,44.
Verdere bedragen die de Gemeente mogelijk nog ontvangt moet de Gemeente op de van [gedaagde] te ontvangen schadevergoeding in mindering brengen.
onderzoekskosten
4.21.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro komen de redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] dient de kosten van het onderzoek van de COE dus in beginsel te vergoeden. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat de Gemeente het eens is met [gedaagde] dat die kosten tot het lagere bedrag van € 4.441,52 voor vergoeding in aanmerking komen en heeft zij haar vordering tot dat bedrag verminderd. Die vordering komt dus voor toewijzing in aanmerking.
proceskosten en beslagkosten
4.22.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
7.446,00
(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
14.640,47
4.23.
De Gemeente vordert om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten tot een bedrag van € 1.353,29. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de Gemeente van:
  • € 35.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro van 1 februari 2015 tot 1 januari 2020;
  • € 29.640,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro van 18 november 2015 tot 1 januari 2020;
  • € 1.650,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro van 22 september 2019 tot 1 januari 2020;
  • € 20.400,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over 2020;
  • € 2.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro van 1 september 2020 tot en met 31 december 2020;
  • € 149.199,33, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 januari 2021 tot en met 1 mei 2026;
  • € 25.310,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 januari 2021 en met 31 juli 2023;
  • € 44.826,04, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 mei 2021 tot en met 1 mei 2026;
  • € 41.323,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 24 augustus 2021 tot en met 1 mei 2026;
  • € 28.678,14, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 juli 2022 tot en met 1 mei 2026;
  • € 4.505,64, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 juli 2024 tot en met 6 december 2024;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Gemeente te betalen een bedrag van € 4.441,52 aan kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten tot een bedrag van € 1.353,29;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 14.640,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
bepaalt dat [gedaagde] over de kosten in 5.2., 5.3. en 5.4. de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd wordt indien deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en daartoe strekkend verzoek van de Gemeente zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Rop en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
[2111/2819]

Voetnoten

1.In de beslissing worden de bedragen opgeteld waarover een gelijke periode wettelijke rente is verschuldigd.
2.De bedragen onder a), b) (met inachtneming van 4.20.) en d) worden in de beslissing bij elkaar opgeteld omdat daarover een gelijke periode wettelijke rente is verschuldigd.