ECLI:NL:RBROT:2026:8816

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
11459572 CV EXPL 24-32372
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid huurder voor lekkageschade aan woning verhuurder

In augustus 2021 ontstond schade aan een woning door een lekkage veroorzaakt door het loskomen van een afvoerleiding in de keuken van de bovengelegen woning, die door de huurder werd bewoond. Eisers, de eigenaren van de bovengelegen woning, stelden dat de huurder aansprakelijk was voor de schade en vorderden vergoeding van €11.000,-, vastgesteld op de zitting van 25 november 2025.

De kantonrechter legde de bewijslast bij eisers om aan te tonen dat de huurder of iemand namens hem de afvoerleiding had losgemaakt. Eisers leverden bewijs in de vorm van een e-mail van een deskundige, een verklaring van de huidige huurder en foto’s van de afvoerleiding. De huurder betwistte aansprakelijkheid maar leverde geen tegenbewijs.

De rechter oordeelde dat het bewijs voldoende aannemelijk maakte dat de afvoerleiding in goede staat verkeerde en dat het losraken alleen door handelen van de huurder of iemand namens hem kon zijn veroorzaakt. Hierdoor was sprake van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW Pro. De huurder werd veroordeeld tot betaling van €11.000,- met wettelijke rente vanaf 26 november 2025, de onderzoekskosten van €597,50 en de proceskosten van €2.066,72.

Uitkomst: De huurder is aansprakelijk voor de lekkageschade en moet €11.000,- met rente, onderzoekskosten en proceskosten aan eisers betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11459572 CV EXPL 24-32372
datum uitspraak: 3 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

woonplaats: [woonplaats 1] ,
2. [eiser 2],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
eisers,
die zelf procederen.
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 3] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel.
De partijen worden hierna ‘ [eisers] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het tussenvonnis van 6 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • de akte van [eisers] , met bijlagen;
  • de rolbeslissing van 17 april 2026;
  • de e-mail van [eisers] van 21 april 2026;
  • de e-mail van [gedaagde] van 2 juni 2026.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In augustus 2021 is schade ontstaan in de woning aan [adres] in [plaats] , die eigendom is van [eigenaren woning] (hierna: ‘ [eigenaren woning] ’). Deze schade is veroorzaakt door een lekkage afkomstig van de bovengelegen woning, waarvan [eisers] de eigenaren zijn en die in de periode van 2016 tot 1 februari 2022 door [gedaagde] werd gehuurd. Die lekkage is ontstaan door het loskomen van een afvoerleiding in de keuken, meer in het bijzonder door het verschuiven of loskomen van de schuifsok van de afvoerleiding achter het keukenblok. Volgens [eisers] is [gedaagde] daarvoor aansprakelijk en moet hij de schade, die [eisers] hebben geleden vergoeden. Die schade bestaat uit hetgeen [eisers] aan [eigenaren woning] moeten betalen en is op de zitting van 25 november 2025 vastgesteld op € 11.000,-. [eisers] eisen dat [gedaagde] dat bedrag, met rente en kosten, aan hen betaalt. [gedaagde] heeft betwist dat hij aansprakelijk is.
2.2.
In het tussenvonnis van 6 maart 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat op [eisers] de bewijslast rust van de stelling dat [gedaagde] , dan wel iemand anders die daartoe door [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld, voorafgaand aan het ontstaan van de lekkage zodanige handelingen heeft verricht, dat daardoor de schuifsok van de afvoerleiding in de keuken is verschoven en/of losgekomen. [eisers] zijn in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat [eisers] dat bewijs desgewenst ook kunnen leveren door aan te tonen dat de afvoerleiding ten tijde van het ontstaan van de lekkage in zodanige staat van onderhoud was, dat het losraken van de schuifsok alleen veroorzaakt kan zijn door handelen van [gedaagde] of iemand die daartoe door hem in de gelegenheid is gesteld.
2.3.
Om aan deze bewijsopdracht te voldoen hebben [eisers] een e-mail van [persoon A] , een verklaring van de huidige huurder en een tweetal foto’s in het geding gebracht. [gedaagde] heeft op het geleverde bewijs gereageerd, maar heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt tegenbewijs te leveren.
2.4.
Voor het oordeel dat een partij geslaagd is in het opgedragen bewijs moet de kantonrechter een redelijke mate van zekerheid hebben dat het betreffende feit zich heeft voorgedaan. Met andere woorden: het feit moet voor de kantonrechter voldoende aannemelijk zijn. Niet noodzakelijk is dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan [1] . De kantonrechter is van oordeel dat [eisers] geslaagd zijn in hun bewijsopdracht. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[eisers] zijn geslaagd in het opgedragen bewijs
2.5.
[eisers] hebben een e-mail overgelegd van [persoon A] van [bedrijf 1] , die in augustus 2021 een onderzoek naar de lekkage heeft uitgevoerd in de destijds door [gedaagde] gehuurde woning. Hij verklaart in die e-mail van 10 maart 2026 onder meer het volgende:
“(…) Er is tijdens het onderzoek en de ontdekking van de lekkage aan de keuken afvoerleiding, geen slijtage of achterstallig onderhoud aan de keukenafvoerleiding waargenomen.
(…)
Zover ik mij kan herinneren heb ik niets aan de schuifsok en/of de afvoerleiding gedaan, anders zou dit in het rapport vermeld zijn. (…)”
2.6.
Uit de e-mail van [persoon A] kan worden afgeleid dat de afvoerleiding volgens hem in augustus 2021 in goede staat was. Dat sluit uit aan op de door [eisers] overgelegde schriftelijke verklaring van [huurder] , de huidige huurder van de woning. In zijn verklaring van 5 april 2026 bevestigt [huurder] namelijk dat, sinds hij de woning per 1 maart 2022 is gaan huren, ‘geen enkel probleem’ heeft meegemaakt met de afvoerleiding in de keuken.
2.7.
Ook verklaart [huurder] dat er, sinds hij de woning huurt, geen reparaties hebben plaatsgevonden aan de afvoerleiding. Dat wordt ondersteund door de door [eisers] overgelegde foto’s van de afvoerleiding, die gemaakt zijn door [bedrijf 1] (in augustus 2021) en door [bedrijf 2] (in april 2025). Uit beide foto’s kan namelijk worden afgeleid dat nog altijd dezelfde afvoerbuis en schuifsok aanwezig zijn.
2.8.
De verklaringen van [persoon A] en [huurder] , zoals hierboven weergegeven, bevestigen hetgeen door [bedrijf 2] tijdens haar onderzoek in april 2025 geconstateerd is, namelijk dat er geen sprake is van achterstallig onderhoud aan de afvoerleiding, de schuifsok of de sifon én dat alle materialen heel en deugdelijk zijn en voldoen aan de gestelde normen en eisen.
2.9.
[gedaagde] is niet inhoudelijk op het door [eisers] geleverde bewijs ingegaan, maar heeft slechts aangevoerd dat dit bewijs ‘ontoereikend’ is. Hij heeft dat verder echter op geen enkele wijze toegelicht. [gedaagde] heeft daarnaast ook geen tegenbewijs meer geleverd.
2.10.
Naar het oordeel van de kantonrechter is met de door [eisers] overgelegde verklaringen en foto’s, in onderlinge samenhang bezien en in combinatie met de constateringen van [bedrijf 2] , voldoende aannemelijk geworden dat de afvoerleiding ten tijde van het ontstaan van de lekkage (in augustus 2021) in een goed onderhouden staat was, in die zin dat er geen sprake was van achterstallig onderhoud of gebrekkige montage. Dat betekent dat het losraken van de schuifsok niet veroorzaakt kan zijn door de (slechte) staat waarin de afvoerleiding verkeerde, maar dat dit alleen het gevolg kan zijn geweest van handelen van de toenmalige bewoner van de woning, [gedaagde] dus, of van iemand die daartoe door hem in de gelegenheid is gesteld. [eisers] hebben daarmee het hiervoor bij 2.2. genoemde bewijs geleverd.
[gedaagde] moet € 11.000,-, met rente, aan [eisers] betalen
2.11.
Omdat voldoende vast is komen te staan dat de afvoerleiding in de keuken is losgekomen door handelingen van [gedaagde] – dan wel iemand namens [gedaagde] –
die daartoe door [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld, is er sprake van onrechtmatig handelen van [gedaagde] in de zin van artikel 6:162 BW Pro. Doordat de schuifsok van de afvoerleiding in de keuken door zijn handelen is losgekomen heeft [gedaagde] immers inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eisers] en is hij verplicht die schade, die [eisers] daardoor lijden, te vergoeden. Zoals hiervoor bij 2.1. al is vermeld, bestaat die schade uit hetgeen [eisers] aan [eigenaren woning] moeten betalen, oftewel het op de zitting van 25 november 2025 vastgestelde bedrag van € 11.000,-. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld dat bedrag aan [eisers] te betalen.
2.12.
[gedaagde] moet ook de wettelijke rente over het genoemde bedrag van € 11.000,- betalen. Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente over een schadevergoeding is bepalend wanneer die schadevergoeding opeisbaar is. In beginsel is dat het tijdstip waarop de schade ontstaat. Pas op de zitting van 25 november 2025 is de schadevergoeding, die [eisers] aan [eigenaren woning] moeten betalen, vastgesteld op € 11.000,-. In dat geval wordt de schade geacht te zijn ontstaan op het moment dat dit bedrag door [eisers] moest worden voldaan. Dat was op 26 november 2025. Daarom wordt de rente vanaf die datum toegewezen.
[gedaagde] moet de onderzoekskosten van [bedrijf 2] betalen
2.13.
[eisers] eisen ook dat [gedaagde] veroordeeld wordt de kosten van het onderzoek van de de door hen ingeschakelde deskundige, [bedrijf 2] , van € 597,50 te betalen. Die onderzoekskosten betreffen redelijke kosten voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 BW Pro) en komen in de gegeven omstandigheden voor rekening van [gedaagde] . Omdat [gedaagde] uitdrukkelijk betwistte voor de schade aansprakelijk te zijn, vindt de kantonrechter het namelijk begrijpelijk en redelijk dat [eisers] in april 2025 een deskundige hebben ingeschakeld om (meer) duidelijkheid te krijgen over de oorzaak van de lekkage. Ook de omvang van de onderzoekskosten acht de kantonrechter voldoende onderbouwd en redelijk. [gedaagde] heeft daartegen ook geen verweer gevoerd.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.14.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eisers] moet betalen op
€ 136,72 aan dagvaardingskosten, € 706,- aan griffierecht, € 1.080,- aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.066,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen € 11.000,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 26 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen € 597,50 aan kosten voor het onderzoek van [bedrijf 2] ;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eisers] worden begroot op € 2.066,72.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182, r.o. 3.4.3