ECLI:NL:RBROT:2026:8821

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
12184923 CV EXPL 26-9785
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Besluit personenvervoer 2000Art. 47 Besluit personenvervoer 2000Art. 48 lid 1 Besluit personenvervoer 2000Art. 48 lid 2 Besluit personenvervoer 2000Art. 48 lid 6 Besluit personenvervoer 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling ritprijs en wettelijke verhoging na treinreis zonder geldig vervoerbewijs

Op 16 juli 2025 maakte gedaagde een treinreis van Nijmegen naar Veenendaal zonder geldig vervoerbewijs van eiseres. Eiseres vorderde betaling van de ritprijs, wettelijke verhoging, administratiekosten en rente. Gedaagde stelde dat hij beschikte over een geldig studentenreisproduct en per ongeluk bij een andere vervoerder had ingecheckt. Tevens betwistte hij ontvangst van aanmaningsbrieven en vond de verhoging onevenredig.

De kantonrechter oordeelde dat het inchecken bij een ander vervoerder voor risico van de reiziger komt en dat gedaagde daardoor geen geldig vervoerbewijs had. Daarom moest hij de ritprijs en wettelijke verhoging betalen. De administratiekosten werden afgewezen omdat eiseres niet kon aantonen dat zij gedaagde eerst kosteloos de gelegenheid had gegeven tot betaling binnen veertien dagen, mede doordat brieven naar een onjuist adres waren gestuurd.

De rente werd toegewezen en gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiermee werd de vordering van eiseres grotendeels toegewezen, behalve de administratiekosten.

Uitkomst: Gedaagde moet ritprijs, wettelijke verhoging en rente betalen, administratiekosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12184923 CV EXPL 26-9785
datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
vestigingsplaats: Utrecht,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 18 maart 2026;
  • de samenvatting van het mondelinge antwoord van [gedaagde] en het door hem overgelegde schriftelijke antwoord, met bijlagen;
  • de repliek, met bijlagen;
  • de samenvatting van de mondelinge reactie van [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Op 16 juli 2025 heeft [gedaagde] een treinreis gemaakt van Nijmegen naar Veenendaal. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] die reis gemaakt zonder dat hij in het bezit was van een geldig vervoerbewijs. Omdat [gedaagde] niet betaald heeft voor de treinreis eist [eiseres] dat hij veroordeeld wordt de ritprijs van € 10,20 te betalen, met de wettelijke verhoging van € 50,-, de administratiekosten van € 15,- en de rente over die bedragen.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiseres] . Hij voert aan dat hij beschikte over een geldig studentenreisproduct, waarmee hij doordeweeks gratis kon reizen. Volgens [gedaagde] heeft hij echter per ongeluk ingecheckt bij een toegangspoortje van Arriva in plaats van [eiseres] . Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij geen correspondentie van [eiseres] heeft ontvangen en geen mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te maken. [gedaagde] vindt de verhoging van de oorspronkelijke ritprijs dan ook onevenredig.
2.3.
De kantonrechter wijst de eis van [eiseres] voor het grootste deel toe, met uitzondering van de administratiekosten. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] moet de ritprijs en de wettelijke verhoging betalen
2.4.
Vast staat dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de vervoersdiensten van [eiseres] . Een reiziger is voor dat vervoer een vervoerprijs verschuldigd volgens het daarvoor geldende tarief (artikel 44 Besluit Pro personenvervoer 2000, hierna: ‘het Besluit’). Vast staat dat [gedaagde] niet voor de treinreis met [eiseres] heeft betaald. [gedaagde] heeft namelijk erkend dat hij voorafgaand aan de treinreis van Nijmegen naar Veenendaal niet heeft ingecheckt bij een toegangspoortje van [eiseres] , maar van een andere vervoerder (Arriva). Het inchecken bij een verkeerd toegangspoortje komt echter voor risico van de reiziger en ontslaat [gedaagde] niet van zijn betalingsverplichting.
2.5.
Omdat [gedaagde] niet bij [eiseres] heeft ingecheckt is voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] de treinreis heeft gemaakt zonder een geldig vervoerbewijs als bedoeld in artikel 47 van Pro het Besluit. Dat [gedaagde] ten tijde van de treinreis mogelijk wel beschikte over een geldig studentenreisproduct maakt het voorgaande niet anders. Dat levert immers pas een geldig vervoerbewijs op als daarmee ook daadwerkelijk is ingecheckt bij [eiseres] en dat heeft [gedaagde] dus niet gedaan.
2.6.
Omdat [gedaagde] tijdens de treinreis niet beschikte over een geldig vervoerbewijs van [eiseres] moet hij de ritprijs van € 10,20 aan [eiseres] betalen (artikel 48 lid 1 van Pro het Besluit). Om diezelfde reden moet hij ook de wettelijke verhoging van € 50,- betalen (artikel 48 lid 2 van Pro het Besluit). Op grond van het laatstgenoemde artikellid is de wettelijke verhoging al verschuldigd vanwege het enkele feit dat [gedaagde] zonder geldig vervoerbewijs reisde. In het verweer van [gedaagde] , dat hij geen correspondentie van [eiseres] heeft ontvangen, ziet de kantonrechter dan ook geen aanleiding die wettelijke verhoging te matigen.
[gedaagde] hoeft de administratiekosten niet te betalen
2.7.
[eiseres] vordert op grond van artikel 48 lid 6 van Pro het Besluit de administratiekosten van € 15,-. Volgens dit artikellid is [gedaagde] de administratiekosten van € 15,00 pas verschuldigd als hij eerst de gelegenheid heeft gekregen om de ritprijs en wettelijke verhoging – kosteloos – binnen veertien dagen aan [eiseres] te betalen.
2.8.
[eiseres] stelt weliswaar dat zij door middel van brieven van 17 juli 2025 en 4 augustus 2025 [gedaagde] de kans hebben gegeven kosteloos tot betaling over te gaan, maar zij is niet meer in staat die brieven in het geding te brengen. De kantonrechter kan dan ook niet beoordelen of [eiseres] aan de wettelijke vereisten heeft voldaan. Het overleggen van een geanonimiseerde voorbeeldbrief is daarvoor niet voldoende.
2.9.
[gedaagde] heeft bovendien betwist de genoemde brieven te hebben ontvangen. Dat hij de brieven van [eiseres] – en overigens ook de brieven van haar voormalige gemachtigde BOS Incasso – niet heeft ontvangen vindt de kantonrechter ook zeer aannemelijk, zeker nu [eiseres] zelf erkent dat deze brieven zijn verstuurd naar een adres ( [adres] in [plaats] ), waar [gedaagde] nooit heeft gewoond. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat [gedaagde] dat adres zelf zou hebben doorgegeven aan de medewerker van [eiseres] in de trein, maar dat is door [gedaagde] betwist. [eiseres] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat [gedaagde] zelf een foutief woonadres zou hebben doorgegeven.
2.10.
Het bovenstaande betekent dat [gedaagde] geen administratiekosten aan [eiseres] hoeft te betalen. Dat deel van de eis wordt dan ook afgewezen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.11.
De rente over de ritprijs en wettelijke verhoging wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
Ondanks dat niet gebleken is dat [gedaagde] de brieven van [eiseres] en Bos Incasso heeft ontvangen, staat wel vast dat hij de aanmaning van [gemachtigde] (de huidige gemachtigde van [eiseres] ) van 12 november 2025 heeft ontvangen en dat hij daarna ook uitvoerig met [gemachtigde] heeft gecorrespondeerd over de vordering. Uit die correspondentie volgt bovendien dat [gedaagde] , anders dan hij zelf stelt, wel degelijk de gelegenheid heeft gehad om bezwaar te maken tegen de vordering en ook daadwerkelijk van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Omdat dit echter niet tot een oplossing van het geschil heeft geleid, is [eiseres] uiteindelijk terecht tot dagvaarding overgegaan.
2.13.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 127,08 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 86,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 43,-) en € 21,50 aan nakosten. Dat is in totaal
€ 373,58. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 60,20 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 18 maart 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 373,58;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
44487