ECLI:NL:RBROT:2026:8827

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
C/10/694885 HA ZA 25-172
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:75 BWArt. 6:258 lid 1 BWParagraaf 5 lid 8 UAV 1989Paragraaf 47 UAV 1989
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over aansprakelijkheid en bewijsverplichting bij vervuild puingranulaat na sloopwerkzaamheden

De Gemeente Dordrecht heeft [gedaagde] B.V. opdracht gegeven sloopwerkzaamheden uit te voeren waarbij puin vrijkwam dat later als vervuild werd aangemerkt vanwege een te hoge sulfaatconcentratie. De Gemeente stelt dat de vervuiling is veroorzaakt door illegale stortingen en/of het niet gescheiden afvoeren van gipshoudend materiaal door [gedaagde], terwijl [gedaagde] betwist dat zij tekort is geschoten en stelt dat de vervuiling al in de gesloopte gebouwen aanwezig was.

De rechtbank kwalificeert de afvoerverplichting als een resultaatsverplichting en constateert dat het terrein niet vrij is van puin, waardoor sprake is van tekortkoming. De Gemeente draagt de bewijslast voor illegale stortingen, maar haar stellingen zijn onvoldoende concreet. [gedaagde] moet bewijzen dat zij het gipshoudend materiaal gescheiden heeft afgevoerd, wat zij tot nu toe onvoldoende heeft onderbouwd.

De rechtbank staat [gedaagde] toe bewijs te leveren dat het gips gescheiden is afgevoerd en dat de hoeveelheid gips niet de sulfaatverontreiniging kan hebben veroorzaakt. Indien [gedaagde] hierin slaagt, kan de vervuiling alleen zijn veroorzaakt door vooraf bestaande verontreiniging in het werk, waarvoor de Gemeente had moeten waarschuwen. De verdere beoordeling en beslissing worden aangehouden tot na bewijslevering.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de Gemeente voorlopig af en staat [gedaagde] toe bewijs te leveren over gescheiden afvoer van gipshoudend materiaal en oorzaak van vervuiling; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/694885 / HA ZA 25-172
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
GEMEENTE DORDRECHT,
te Dordrecht,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. J.C. Hol,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te Dordrecht,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.M. van den Bergh.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft in opdracht van de Gemeente sloopwerkzaamheden uitgevoerd. Het puin blijkt verontreinigd te zijn, nu daarin een te hoge concentratie sulfaat is aangetroffen. De afvoer van dat puin moet aan milieuregels voldoen en is daardoor aanzienlijk duurder dan voorzien. Partijen verschillen van inzicht over de vraag wat de oorzaak is van de vervuiling en wie de (hoge) afvoerkosten moet dragen. Volgens de Gemeente is de vervuiling ontstaan doordat illegale stort heeft plaatsgevonden en/of omdat [gedaagde] gipsplaten niet gescheiden heeft afgevoerd. Volgens [gedaagde] is van illegale stort geen sprake geweest en heeft zij wel gescheiden afgevoerd. De te hoge sulfaatconcentratie was volgens haar al aanwezig in de gesloopte gebouwen, iets waarvoor zij niet verantwoordelijk is en waarvoor de Gemeente had moeten waarschuwen. [gedaagde] wordt in dit tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om onder meer te bewijzen dat zij het gips gescheiden heeft afgevoerd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 februari 2025, met producties 1 t/m 26;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties 1 t/m 8;
- de conclusie van antwoord in het incident;
- het vonnis in incident van 23 april 2025;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 t/m 41;
- de akte inbreng producties van [gedaagde] , met producties 42 en 43;
- de akte inbreng producties van [gedaagde] , met producties 44 t/m 46;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 27 t/m 32;
- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van beide partijen;
- de aanvullende producties 33a, 33b en 34 van de Gemeente en 47 en 48 van [gedaagde] (deze producties van beide partijen betreffen dezelfde stukken);
- de akte uitlaten nadere producties van de Gemeente;
- de akte uitlaten tevens akte vermeerdering en wijziging eis in reconventie van [gedaagde] ;
- de akte inhoudende bezwaar tegen eiswijziging en uitlaten eiswijziging (bij afwijzing bezwaar) van de Gemeente.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De Gemeente heeft afspraken gemaakt met een projectontwikkelaar om op een aantal percelen aan [straat] in Dordrecht woningen te realiseren. De percelen zijn onder te verdelen in gronden die vallen onder fasen 1 tot en met 4. Onderdeel van de gemaakte afspraken was dat de Gemeente de gronden leeg en schoon zou opleveren aan de projectontwikkelaar.
2.2.
Op de gronden was een aantal (sport)gebouwen, tennisbanen en asfalt aanwezig. Deze dienden te worden gesloopt en afgevoerd. De Gemeente heeft daartoe een aanbesteding uitgeschreven en in dat kader op 28 juli 2021 een bestek en de voorwaarden behorende bij de sloopwerkzaamheden opgesteld. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
GRONDWERK
[…]
Het na sloop vrijgekomen terrein dientvrij van puin, kabels en leidingen geëgaliseerd te worden opgeleverd.
AFKOMENDE MATERIALEN
Behoudens na te melden uitzonderingen worden de afkomende materialen eigendom van de aannemer.
[…]
Desloopwerkzaamhedendienenselectiefen zodanig uitgevoerd te worden, dat het sloopafval gescheiden kan worden afgevoerd naar en afgegeven bij de daartoe bestemde bewerkingsinrichting of verwerkingsinrichting die over de vereiste vergunningen ingevolge de Wet milieubeheer beschikt. Het gebruik van een sloopbal is derhalve niet toegestaan.
2.3.
[gedaagde] heeft op 27 augustus 2021 een offerte uitgebracht om de sloopwerkzaamheden uit te voeren voor € 98.500 exclusief btw. In die offerte heeft [gedaagde] opgenomen dat de werkzaamheden conform haar sloopveiligheidsplan (aangeduid als [nummer] ) worden uitgevoerd. In dat sloopveiligheidsplan is onder andere een inventarisatie van de vrijkomende afvalstoffen opgenomen.
2.4.
Bij brief van 30 september 2021 heeft de Gemeente de opdracht aan [gedaagde] gegeven om de werkzaamheden uit te voeren conform de offerte van 27 augustus 2021.
2.5.
[gedaagde] heeft de Gemeente vanaf dat moment herhaaldelijk gevraagd om een sloopmelding aan te vragen en om de nutsvoorzieningen af te koppelen zodat zij kon beginnen met de sloopwerkzaamheden. De Gemeente heeft de sloopmelding op 27 oktober 2021 aangevraagd. Omdat de nutsvoorzieningen lange tijd niet waren afgekoppeld heeft [gedaagde] veel sloopwerk handmatig moeten verrichten en heeft het project vertraging opgelopen.
2.6.
Bij e-mail van 21 september 2022 meldde de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid dat bij een controle van het puin aan [straat] een partij illegaal gestorte gipsplaten was aangetroffen. [gedaagde] heeft deze gipsplaten op 26 september 2022 afgevoerd.
2.7.
[gedaagde] heeft het puin na het slopen op één hoop verzameld en daarmee haar sloopwerkzaamheden afgesloten op 7 december 2022.
2.8.
[gedaagde] heeft aan haar onderaannemer Sando Puinrecycling B.V. (hierna: Sando) opdracht gegeven het puin te breken en af te voeren. De bedoeling was dat het gebroken puin (repack) zou worden hergebruikt. Sando heeft op 12 december 2022 het puin gebroken en het vervolgens laten liggen in afwachting van een koper.
2.9.
Op 25 mei 2023 heeft B&L Grondmanagement B.V. (in opdracht van – kort – de projectontwikkelaar, die het puin mogelijk zou overnemen) een keuringsrapport opgesteld met betrekking tot het puingranulaat. Daarin concludeert zij: “
Bij (her)gebruik van deze AP04-gekeurde partij geldt een meldingsplicht, omdat er sprake is van een IBC-bouwstof.” Dit betekent – kort gezegd – dat het puin verontreinigd is en volgens bijzondere (milieu)regels moet worden afgevoerd. De sulfaatconcentratie in het puin bleek te hoog.
2.10.
Een toezichthouder milieu/bodem van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid heeft bij e-mail van 13 maart 2024 aan de Gemeente laten weten dat gips, gasbeton en kalkzandsteen bronnen van veel sulfaat kunnen zijn. In het sloopveiligheidsplan van [gedaagde] (zie 2.3) wordt de hoeveelheid gipshoudend materiaal geprognosticeerd op vier ton en de hoeveelheid gasbeton en kalkzandsteen op 0 ton.
2.11.
Op 7 maart 2024 hebben onder meer de Gemeente, [gedaagde] en Sando een document getiteld “Verklaring” ondertekend. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
Nemen in overweging dat:
[…]
De Gemeente eigenaar is van een perceel grond aan [straat] te Dordrecht, kadastraal bekend […] gelegen in fase 3 en 4, groot 2.200 m2 (hierna: het parkeerterrein) […];
De Gemeente bereid is om het parkeerterrein ter beschikking te stellen, zodat het puindepot tijdelijk kan worden verplaatst naar dit perceel;
[gedaagde] bereid is om het puin te verplaatsen naar het parkeerterrein.
En verklaren als volgt:
Partijen stemmen ermee in dat het puindepot uiterlijk op 8 maart is verplaatst van de huidige locatie naar het parkeerterrein;
[…]
De verplaatsing van het puin, leidt niet tot een wijziging van de juridische positie van Partijen. Zodoende kan de verplaatsing van het puin er niet toe leiden dat een andere partij eigenaar wordt van het puin. Partijen houden zich terzake alle rechten en weren voor;
Onderhavige oplossing is enkel bedoeld om de schade te beperken en staat los van de discussie over de aansprakelijkheid voor de kosten voor het verplaatsen en afvoeren van het puin;
[gedaagde] behoudt zich het recht voor de door haar gemaakte kosten voor de verplaatsing van het puin naar het parkeerterrein te verhalen op degene die hiervoor aansprakelijk is;
Partijen dragen zorg voor verwijdering van het puin uiterlijk op 31 december 2024.
2.12.
Partijen hebben na de mondelinge behandeling geprobeerd tot een praktische oplossing te komen. In opdracht van de Gemeente heeft onderzoeksbureau Wematech onderzocht of de verontreiniging zich mogelijk alleen bevond in de kleinste puindeeltjes, zodat het eruit gezeefd zou kunnen worden en het puin veel goedkoper verwerkt zou kunnen worden. De te hoge concentratie sulfaat werd echter zowel in de grotere als kleinere puindeeltjes aangetroffen.
2.13.
Het puin ligt momenteel op het parkeerterrein zoals omschreven in de op 7 maart 2024 ondertekende verklaring.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De Gemeente vordert om – verkort weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] toerekenbaar tekort komt in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken, in het bijzonder die volgen uit het bestek, door het niet tijdig verwijderen van het puingranulaat van de in het bestek bedoelde gronden;
II. [gedaagde] te veroordelen om het puingranulaat af te voeren van de gronden die vallen onder fasen 1 t/m 4 als bedoeld in productie 1, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 250.000, en met machtiging van de Gemeente om, indien [gedaagde] nalatig blijft het puingranulaat af te voeren, dit zelf te doen uitvoeren op kosten van [gedaagde] ;
III. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, die de Gemeente lijdt door het niet tijdig verwijderen van puingranulaat door [gedaagde] ;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De Gemeente grondt haar vorderingen onder I en II op nakoming van de afspraak dat [gedaagde] het terrein aan [straat] na de sloopwerkzaamheden vrij van puin zou opleveren. De Gemeente vordert ook vergoeding van de schade (III) die zij lijdt en zal lijden als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] (artikel 6:74 lid 1 BW Pro). Daarnaast beroept de Gemeente zich op haar eigendomsrecht van het parkeerterrein en stelt zij dat [gedaagde] daarop onrechtmatig inbreuk maakt door het puin, waarvan [gedaagde] volgens de Gemeente eigenaar is, niet af te voeren.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de Gemeente in haar vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen van de Gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. Kort gezegd voert [gedaagde] primair aan dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming, subsidiair voert zij aan dat de Gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten in verband met de onvoorziene omstandigheid dat het puin door een oorzaak die partijen niet bekend is, verontreinigd is geraakt (artikel 6:258 lid 1 BW Pro).
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert om – na haar eis bij akte te hebben gewijzigd en vermeerderd – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (verkort weergegeven):
I. te verklaren voor recht dat de Gemeente is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst die zij op 30 september 2021 met [gedaagde] is aangegaan, dan wel dat zij zich jegens [gedaagde] onrechtmatig heeft gedragen, en dat zij aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] daardoor lijdt;
II. de Gemeente op grond van de onder I. bedoelde aansprakelijkheid te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van € 59.364,48 zijnde de kosten voor het verplaatsen van het puingranulaat naar fase 3 en 4, te vermeerderen met wettelijke rente;
III. de Gemeente te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
en, in het geval [gedaagde] in conventie wordt veroordeeld het vervuilde puingranulaat af te voeren:
IV. de Gemeente op grond van de onder I. bedoelde aansprakelijkheid te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van de schade die [gedaagde] lijdt, welke schade nader wordt opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;
V. de Gemeente op grond van de onder I. bedoelde aansprakelijkheid te veroordelen tot betaling van een voorschot op de onder IV. bedoelde schadevergoeding ter grootte van de kosten voor het deugdelijk en met inachtneming van alle relevante wet- en regelgeving door een afvalverwerkingsbedrijf laten verwerken van het vervuilde puingranulaat, inclusief de kosten van het transport naar dat afvalverwerkingsbedrijf, binnen drie werkdagen na overlegging van een factuur, althans een kostenopgave van dat afvalverwerkingsbedrijf.
3.5.
[gedaagde] legt aan haar vorderingen primair ten grondslag de regeling onvoorziene omstandigheden van paragraaf 47 van de UAV 1989, dan wel de regeling van artikel 7:753 BW Pro en subsidiair onrechtmatige daad.
3.6.
De Gemeente voert verweer. Zij maakt bezwaar tegen de eiswijziging en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] .

4.De beoordeling

in conventie
Afvoerplicht puin. Rol Verklaring van 7 maart 2024
4.1.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen zich mede beroepen op de afspraken in de verklaring van 7 maart 2024. Anders dan de Gemeente stelt volgt uit de verklaring van 7 maart 2024 echter niet dat [gedaagde] verplicht was om uiterlijk op 31 december 2024 het puin van het parkeerterrein af te voeren. Dat staat er niet. Artikel 6 van Pro de verklaring van 7 maart 2024 legt die verplichting uitdrukkelijk op partijen. Anders dan [gedaagde] stelt volgt hieruit ook niet dat de verplichting om het puin af te voeren daarmee is omgezet naar de partij die verantwoordelijk is voor de vervuiling en dat zij in het geheel niet langer verplicht zou zijn voor de afvoer van het puin.
4.2.
Uit de totstandkoming en bewoordingen van de verklaring van 7 maart 2024 volgt dat partijen hiermee alleen een tijdelijke oplossing hebben gezocht voor het puin dat toen nog op het terrein lag en de doorgang van de werkzaamheden belemmerde. Partijen hebben besloten het puin tijdelijk op het parkeerterrein te parkeren, maar hiermee is volgens de verklaring van 7 maart 2024 uitdrukkelijk geen verandering beoogd in de juridische posities van partijen. Met andere woorden: als er een verplichting bestaat voor [gedaagde] om het puin af te voeren, ook nu het vervuild blijkt, dan heeft de verklaring van 7 maart 2024 daarin geen verandering gebracht en vice versa.
Puin is niet afgevoerd. Tekortkoming [gedaagde]
4.3.
Bij de beoordeling van de vorderingen van de Gemeente is van belang dat in het bestek de verplichting staat voor [gedaagde] om “
Het na sloop vrijgekomen terrein (…) vrij van puin (…)” op te leveren. Hiervoor is overwogen dat de verplaatsing van het puin naar het parkeerterrein geen verandering heeft gebracht in deze afvoerverplichting van [gedaagde] .
4.4.
De verplichting van [gedaagde] om het puin na de sloop af te voeren kwalificeert de rechtbank als een resultaatsverplichting. In rechte staat vast dat de sloop gereed is, maar dat het parkeerterrein niet vrij is van puin. Dat betekent dat sprake is van een tekortkoming van [gedaagde] . Het primaire verweer van [gedaagde] , dat geen sprake is van een tekortkoming, slaagt daarom niet.
4.5.
De overige verweren van [gedaagde] komen er in de kern op neer dat de niet-nakoming van de afvoerverplichting haar niet is toe te rekenen (artikel 6:75 BW Pro). Zij voert immers aan dat haar van de verontreiniging geen verwijt treft en dat deze evenmin voor haar rekening en risico komt zodat de afvoer van het puin van het parkeerterrein, waarmee onvoorzien hoge kosten gemoeid zijn, in redelijkheid niet van haar gevergd kan worden. Ook haar subsidiaire standpunt, dat de verontreiniging een onvoorziene omstandigheid is, berust welbeschouwd op deze stelling. [gedaagde] draagt de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden die zij aan deze verweren ten grondslag legt. Bij de beoordeling hiervan is van belang wat de oorzaak is van de verontreiniging.
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat gips, gasbeton en kalkzandsteen bronnen van veel sulfaat kunnen zijn, zoals beschreven door een toezichthouder van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (zie 2.10). Onduidelijk is echter wat in dit geval de te hoge sulfaatconcentratie in het puin precies heeft veroorzaakt. Uit de stellingen en verweren van partijen volgt dat zij uitgaan van drie mogelijke oorzaken voor de verontreiniging van het puin. Deze drie mogelijke oorzaken zijn ook met partijen ter zitting besproken.
De verontreiniging is veroorzaakt door illegale stortingen van gipsplaten op het terrein waar het puin lag, waaronder door [gedaagde] zelf (stelling van de Gemeente).
De verontreiniging is veroorzaakt doordat het in het werk aanwezige gips door [gedaagde] in strijd met de afspraken niet separaat is afgevoerd na de sloop, maar in het puin terecht is gekomen (stelling van de Gemeente);
De verontreiniging was al aanwezig in het werk voorafgaand aan de sloop en is na de sloop in het puin terechtgekomen (stelling van [gedaagde] ).
De rechtbank beoordeelt hierna de door partijen genoemde scenario’s.
Scenario 1: Illegale storting van gipsplaten
4.7.
De Gemeente verwijt [gedaagde] dat in september 2022 een illegale storting van gipsplaten heeft plaatsgevonden op het sloopterrein (zie 2.6). Volgens de Gemeente kan die stort de verontreiniging (mede) hebben veroorzaakt en is bovendien niet uitgesloten dat een dergelijke storting vaker heeft plaatsgevonden. In dat kader verwijt de Gemeente [gedaagde] dat zij in strijd met haar verplichting op grond van het bestek onvoldoende toezicht heeft gehouden op het sloopterrein. [gedaagde] heeft betwist dat de eenmalige storting van gipsplaten tot de vervuiling kan hebben geleid, dat er meer stortingen hebben plaatsgevonden en dat zij het sloopterrein niet adequaat zou hebben afgesloten.
4.8.
De rechtbank stelt voorop dat de Gemeente de stelplicht en bewijslast draagt van haar stelling dat een illegale storting van gipsplaten de verontreiniging (mede) heeft veroorzaakt. Zij dient in dat kader voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te voeren. De onderbouwing van de Gemeente is echter voornamelijk hypothetisch van aard. Zij suggereert slechts dat mogelijk derden illegaal hebben gestort, maar concretiseert dat vervolgens niet. Het enkele – betwiste – feit dat [gedaagde] het sloopterrein onvoldoende zou hebben afgesloten, is dan ook een onvoldoende concrete stelling om te komen tot de conclusie dat de sulfaatverontreiniging door illegale stortingen is veroorzaakt waarvoor [gedaagde] de verantwoordelijkheid draagt.
4.9.
Daarmee resteert op dit punt de storting van de gipsplaten in september 2022 als het enige concrete feit. Deze gipsplaten zijn volgens [gedaagde] niet vermengd met het puin. Vaststaat dat [gedaagde] de bewuste platen na een paar dagen weer heeft afgevoerd. De Gemeente heeft vervolgens niet nader onderbouwd waarom die gipsplaten toch de verontreiniging (mede) zouden hebben veroorzaakt. Tegen die achtergrond acht de rechtbank allerminst aannemelijk dat de storting in september 2022 tot sulfaatverontreiniging heeft geleid. De Gemeente heeft dat althans onvoldoende gemotiveerd gesteld.
4.10.
De rechtbank concludeert dat het eerste scenario als mogelijkheid voor de geconstateerde sulfaatverontreiniging buiten beschouwing dient te blijven.
Scenario 2: Niet-separaat afvoeren van gipshoudende materialen
4.11.
Hoewel het de Gemeente is die zich op dit scenario beroept als mogelijke oorzaak van de verontreiniging, rust op [gedaagde] de stelplicht en de bewijslast dat – kort gezegd – de verontreiniging van het puin niet aan haar te wijten is. Het is immers [gedaagde] die zich in haar verweer erop beroept dat het niet afvoeren van het puin haar niet kan worden toegerekend omdat zij niet verantwoordelijk is voor de verontreiniging ervan en dit evenmin voor haar rekening komt. Dit betekent in dit kader dat zij dient te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de Gemeente, dient te bewijzen dat zij het gipshoudende materiaal afkomstig van de slooplocatie zodanig heeft afgevoerd dat dit niet de oorzaak is van de verontreiniging van het puin.
4.12.
De rechtbank stelt voorop dat uit het bestek noch de offerte van [gedaagde] noch het sloopveiligheidsplan expliciet volgt dat [gedaagde] gehouden was om het gipshoudende materiaal als zodanig separaat van de rest van het puin af te voeren. [gedaagde] stelt ook niet dat zij dat heeft gedaan; de beperkte hoeveelheid gips maakte dat niet rendabel (in haar sloopveiligheidsplan heeft [gedaagde] de hoeveelheid gipshoudend materiaal geprognosticeerd op vier ton (zie 2.10)). Zij stelt dat zij het gipshoudend materiaal gescheiden van overig puin, maar samen met ander bouw- en sloopafval (BSA) heeft afgevoerd. Belangrijk daarbij is dat het gips dus niet is vermengd met dan wel is vermalen door ander puin. Die verplichting (om dat te voorkomen) vloeide wél voort uit haar eigen sloopveiligheidsplan, waarin onder meer is opgenomen dat de vrijkomende materialen zoveel mogelijk op het werk worden gescheiden naar soort. Partijen zijn het er ook over eens dat het gipshoudende materiaal niet door het overige puin mocht worden gemengd. Het gaat er dus om dat [gedaagde] ter onderbouwing van haar verweer dient aan te tonen dat zij al het op de slooplocatie aanwezige gips correct heeft afgevoerd, al dan niet samen met ander BSA. Als dat komt vast te staan, kan de verontreiniging niet zijn veroorzaakt door vermenging van gesloopte gipsplaten met de rest van het puin. De Gemeente betwist dat [gedaagde] het gips gescheiden heeft afgevoerd.
4.13.
[gedaagde] verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar stortbonnen en de na de mondelinge behandeling in het geding gebrachte begeleidingsbrieven. Op basis van die stukken kan echter niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] het van de slooplocatie afkomstige gips gescheiden heeft afgevoerd. In de stortbonnen noch in de begeleidingsbrieven staat gipshoudend materiaal als zodanig vermeld. Zodoende kan uit de (bewijs)stukken niet worden afgeleid wat de hoeveelheid gips is die onderdeel uitmaakt van het afgevoerde puin. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat (een deel van) het gips nog aanwezig is op de slooplocatie en is vermengd met het puin.
4.14.
Het recente rapport van Wematech maakt dat niet anders. [gedaagde] heeft onder verwijzing naar dat rapport aangevoerd dat de onderzoeksresultaten (zie 2.12) haar stelling ondersteunen dat de sulfaatvervuiling vanaf aanvang in het puin moet hebben gezeten (en dus niet door vermenging met gips komt). Volgens [gedaagde] bestaat bouwgips immers uit kleine delen die bij de sloop poederachtig worden, waardoor de verwachting (uitgaande van scenario 2) was dat alleen in de kleinste puinbrokken de sulfaatverontreiniging zou worden aangetroffen. De vervuiling werd echter ook in de grotere brokken aangetroffen. Deze redenering is echter gemotiveerd weersproken door de Gemeente. Zo heeft zij aangevoerd dat regen gipsmateriaal kan verpulveren, sulfaatresten kan verdunnen en deze kan laten verkleven met ander puinmateriaal, waaronder grotere puinbrokken. Het rapport van Wematech had bovendien niet als doel om de oorzaak van de sulfaatverontreiniging te achterhalen en bevat (dus) geen conclusies op dat gebied. Aan dat rapport kunnen dan ook niet de verstrekkende conclusies worden verbonden die [gedaagde] daarop baseert.
4.15.
De omstandigheid dat in rechte niet vaststaat of het gips gescheiden is afgevoerd van de slooplocatie en daarmee of gips de sulfaatverontreiniging kan hebben veroorzaakt, staat in de weg aan het slagen van het verweer van [gedaagde] . [gedaagde] heeft aangeboden bewijs te leveren van haar stelling dat zij conform haar contractuele verplichtingen het aanwezige gips heeft afgevoerd. Zij zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Als [gedaagde] slaagt in die bewijslevering en dus in rechte komt vast te staan dat het gips van de slooplocatie is afgevoerd, dan valt scenario 2 af als mogelijke oorzaak van de sulfaatvervuiling. In dat geval komt de rechtbank toe aan beoordeling van scenario 3.
4.16.
Mocht [gedaagde] niet, of niet geheel, in die eerste bewijslevering slagen, dan is haar verweer relevant dat de relatief beperkte hoeveelheid gips van vier ton in het te slopen werk, de waargenomen sulfaatconcentraties in het puingranulaat onmogelijk kan hebben veroorzaakt. Dit verweer van [gedaagde] is ook relevant in het geval zij er slechts in slaagt te bewijzen dat zij maar een deel van het in het werk aanwezige gips heeft afgevoerd. [gedaagde] zal in dat geval moeten bewijzen dat de beperkte hoeveelheid niet afgevoerd gips, de verontreiniging evenmin kan hebben veroorzaakt.
4.17.
[gedaagde] heeft ook voor deze stellingen voldoende bewijs aangeboden. Tot die bewijslevering zal zij daarom (op voorhand) worden toegelaten (tweede bewijslevering). Het staat [gedaagde] uiteraard vrij ervoor te kiezen dit bewijs al dan niet te leveren op de wijze die zij daartoe het geschiktst acht. De rechtbank kan zich echter voorstellen dat een deskundigenbericht hiertoe de geëigende weg is. Mocht [gedaagde] tot het raadplegen van een deskundige over willen gaan, dan verdient het de voorkeur dat de Gemeente op voorhand heeft ingestemd met de persoon van de deskundige en de te stellen vragen. Ook verdient het de voorkeur dat [gedaagde] beide bewijsleveringen gelijktijdig adresseert.
4.18.
Als [gedaagde] in deze tweede bewijslevering slaagt, resteert wederom scenario 3 als enige reële oorzaak van de vervuiling. Het al dan niet gescheiden afvoeren van het gipshoudende materiaal is dan immers niet meer relevant; de vervuiling is in dat geval niet veroorzaakt door een fout in de puinverwerking van [gedaagde] .
4.19.
Als [gedaagde] noch in de eerste noch de tweede bewijslevering slaagt, staat in rechte vast dat vermenging van gips door het puin een reële oorzaak van de vervuiling is. Het beroep van [gedaagde] op de niet-toerekenbaarheid van haar tekortkoming om het puin af te voeren slaagt dan niet. Datzelfde geldt dan voor haar beroep op onvoorziene omstandigheden (vgl. 4.5). Dit betekent dat de vorderingen van de Gemeente dan in beginsel zullen worden toegewezen.
4.20.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Gemeente nog gesuggereerd dat de hoeveelheid gipshoudend materiaal in het te slopen werk mogelijk meer dan de door [gedaagde] in haar sloopveiligheidsplan geprognosticeerde vier ton zou zijn. Dat had de Gemeente echter in een eerder stadium van de procedure en bovendien gemotiveerd moeten aanvoeren. De Gemeente is destijds akkoord gegaan met de prognose uit het sloopveiligheidsplan van [gedaagde] , heeft in haar processtukken hieraan geen aandacht besteed en heeft haar standpunt tijdens de mondelinge behandeling evenmin nader onderbouwd. Zodoende dient uitgegaan te worden van de inschattingen uit het sloopveiligheidsplan.
Scenario 3: Vervuiling was al aanwezig in de gesloopte gebouwen
4.21.
Het laatste scenario is als het ware een restcategorie: als de eerste twee scenario’s (illegale stort en niet gescheiden afvoer van gips) niet de oorzaak van de vervuiling vormen, moet het aangetroffen sulfaat anderszins afkomstig zijn uit de gesloopte gebouwen en (dus) al bij aanvang van de sloopwerkzaamheden aanwezig zijn geweest. Dit scenario is daarom pas aan de orde als [gedaagde] slaagt in één van haar bewijsleveringen in het kader van scenario 2, waardoor dat scenario als reële oorzaak van de verontreiniging terzijde wordt geschoven.
4.22.
[gedaagde] voert aan dat, ervan uitgaande dat de vervuiling al voorafgaand aan de sloop in het werk aanwezig was, de Gemeente haar die vervuiling voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden had moeten melden, bijvoorbeeld in het bestek. Het onvermeld laten van de vervuiling is volgens [gedaagde] dan een toerekenbare tekortkoming van de Gemeente omdat zij op grond van paragraaf 5 lid 8 van de UAV 1989 een dergelijke meldplicht heeft. Hoe dan ook is volgens [gedaagde] de sulfaatverontreiniging een onvoorziene omstandigheid waardoor de Gemeente ongewijzigde instandhouding van de afspraken met [gedaagde] niet meer mocht verwachten. De Gemeente voert echter aan dat zij van een deskundige sloper als [gedaagde] mocht verwachten dat zij een deugdelijke stoffeninventarisatie zou uitvoeren en de vervuiling dan had behoren op te merken.
4.23.
De rechtbank stelt voorop dat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben bevestigd dat als uitgangspunt geldt dat alleen de UAV 1989 (en dus niet de algemene voorwaarden van partijen) van toepassing zijn op hetgeen is overeengekomen.
4.24.
Het derde scenario wordt gekenmerkt door een grote mate van onzekerheid over de daadwerkelijke oorzaak van de vervuiling van het puingranulaat. Het uitgangspunt in dit scenario is dat de vervuiling voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden al in het werk aanwezig was, terwijl onduidelijk is wat de vervuiling dan precies heeft veroorzaakt. Beide partijen hebben daar geen nader inzicht in kunnen verschaffen. De rechtbank is van oordeel dat deze onduidelijkheid in redelijkheid niet voor rekening van [gedaagde] kan komen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
4.25.
[gedaagde] heeft voor aanvang van haar werkzaamheden in haar sloopveiligheidsplan geïnventariseerd welke materialen er op locatie aanwezig waren. Op basis van het sloopveiligheidsplan bestond geen aanleiding voor het vermoeden dat een risico bestond op een sulfaatverontreiniging voorafgaand aan of na afloop van de sloop. De Gemeente heeft in dat licht onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom de inventarisatie van [gedaagde] niet naar behoren was, dan wel waarom [gedaagde] de vervuiling dan niettemin in een eerder stadium had moeten opmerken. Tegen de achtergrond van het bepaalde in paragraaf 5 lid 8 en paragraaf 47 UAV 1989 kan de onvoorzienbaarheid van de geconstateerde vervuiling naar het oordeel van de rechtbank in dat geval in redelijkheid niet voor rekening van [gedaagde] komen. Het was dan immers aan de Gemeente om [gedaagde] tijdig te waarschuwen voor de verontreiniging in het werk. Vaststaat dat de Gemeente dat niet heeft gedaan. In het geval scenario 3 als reëel scenario overblijft na de bewijsfase, zal het beroep van [gedaagde] op de niet-toerekenbaarheid van haar tekortkoming om het puin af te voeren slagen. [gedaagde] treft hiervan in dat geval geen verwijt terwijl de Gemeente heeft nagelaten te waarschuwen. Dit betekent dat de vorderingen van de Gemeente in dat scenario in beginsel zullen worden afgewezen.
4.26.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat als [gedaagde] wegens de niet-toerekenbaarheid van haar tekortkoming tegenover de Gemeente contractueel niet verplicht is om het puin te verplaatsen, zij daartoe ook niet verplicht is op grond van de eventualiteit dat zij eigenaar zou zijn geworden van het puin en evenmin op grond van de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht van de Gemeente (van haar parkeerterrein). De relatie tussen de Gemeente en [gedaagde] is door hen primair contractueel ingevuld. Zij hebben hun respectievelijke rechten en verplichtingen in het bijzonder ook met betrekking tot de afvoer van het puin contractueel ingevuld (en naderhand aangevuld in de verklaring van 7 maart 2024). Zonder bijkomende omstandigheden, die de Gemeente niet heeft gesteld, valt niet in te zien waarom [gedaagde] onder die omstandigheden, op andere grond toch gehouden is tot afvoer van het puin.
Overig
4.27.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in reconventie
Eiswijziging
4.28.
[gedaagde] heeft haar eis in reconventie bij akte gewijzigd na de mondelinge behandeling. De Gemeente acht deze eiswijziging in strijd met de eisen van een goede procesorde omdat [gedaagde] haar eis al veel eerder had kunnen omschrijven zoals zij na wijziging doet, omdat [gedaagde] het rapport van Wematech op oneigenlijke wijze aangrijpt om een grondslag voor een eiswijziging te construeren en omdat [gedaagde] het maximum aantal toegestane pagina’s van haar laatste akte met haar eiswijziging heeft overschreden.
4.29.
De rechtbank overweegt dat de Gemeente adequaat heeft kunnen reageren op de akte met de eiswijziging van [gedaagde] en dat ook (bij akte) heeft gedaan. Daardoor is hoor en wederhoor niet geschonden en acht de rechtbank de eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal dan ook rechtdoen op basis van de gewijzigde eis, zoals – verkort – weergegeven onder 3.4.
Kostenverhogende omstandigheden
4.30.
De inhoudelijke beoordeling van de vorderingen in reconventie vloeit deels voort uit de overwegingen in conventie. Dat betekent onder meer dat de beoordeling afhankelijk is van het te leveren bewijs door [gedaagde] .
4.31.
[gedaagde] maakt aanspraak op bijbetaling op grond van paragraaf 47 lid 1 UAV 1989 dan wel artikel 7:753 BW Pro. Daarin zijn regelingen opgenomen over kostenverhogende omstandigheden, die erop neerkomen dat wanneer dergelijke omstandigheden na het sluiten van de overeenkomst aan het licht komen zonder dat zulks aan de aannemer kan worden toegerekend, de rechter de overeengekomen prijs kan aanpassen. Het bedrag van de aanpassing/bijbetaling is dan het bedrag dat nodig is om het verontreinigde puin te laten verwerken door een erkend afvalverwerkingsbedrijf.
4.32.
Afhankelijk van de vraag wat de oorzaak van de verontreiniging is, komen deze kosten voor rekening van de Gemeente of [gedaagde] . Als [gedaagde] niet slaagt in haar bewijsopdracht(en), is vermenging met gips de meest reële oorzaak van de verontreiniging van het puin. In dat geval kan de kostenverhogende omstandigheid in beginsel aan [gedaagde] worden toegerekend en kan zij geen beroep doen op een regeling van kostenverhogende omstandigheden die zij als grondslag aanvoert. Als [gedaagde] wel slaagt in haar bewijslevering(en), slaagt dat beroep mogelijk wel en komen de door [gedaagde] gemaakte meerkosten in beginsel voor vergoeding door de Gemeente in aanmerking.
4.33.
Iedere beslissing wordt, in afwachting van de bewijslevering, aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
laat [gedaagde] toe te bewijzen dat zij al het gipshoudend materiaal uit het te slopen werk heeft afgevoerd van de slooplocatie,
5.2.
laat [gedaagde] toe te bewijzen dat de op de slooplocatie aanwezige hoeveelheid gipshoudend materiaal de aangetroffen sulfaatconcentratie in het puingranulaat niet kan hebben veroorzaakt, althans dat de door haar eventueel niet afgevoerde hoeveelheid gipshoudend materiaal die verontreiniging niet kan hebben veroorzaakt,
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 12 augustus 2026voor uitlating door [gedaagde] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.4.
bepaalt dat, als [gedaagde] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan
woensdag 12 augustus 2026in het geding moet brengen,
5.5.
bepaalt dat, als [gedaagde]
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
september 2026tot en met
januari 2027dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.6.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. J.M.J. Arts, in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125,
5.7.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
in conventie en in reconventie
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
3533 / 3455