ECLI:NL:RBROT:2026:883

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
10.374639.24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag bij verkeersongeval met dodelijke afloop

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die verantwoordelijk werd gehouden voor een verkeersongeval op 27 juni 2024 te Rotterdam. De verdachte, een beroepschauffeur, had zijn vrachtwagen met aanhangwagen geparkeerd op de Professor Gerbrandyweg, een voorrangsweg, zonder de vereiste verlichting aan te hebben. Dit leidde tot een aanrijding met een motorvoertuig, waarbij de bestuurder, [slachtoffer], om het leven kwam. De officier van justitie beschuldigde de verdachte van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, en vorderde een taakstraf van 240 uur, waarvan 120 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig had gehandeld door zijn voertuigcombinatie onverlicht te parkeren op een voorrangsweg, wat de oorzaak was van het fatale ongeval. De rechtbank nam in haar overwegingen mee dat de verdachte als beroepschauffeur extra voorzichtigheid had moeten betrachten. De verdediging pleitte voor vrijspraak, maar de rechtbank verwierp dit en legde de gevorderde straf op, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de impact van het ongeval op de nabestaanden. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van verkeersdeelnemers om zich aan de verkeersregels te houden en de gevolgen van onvoorzichtig gedrag in het verkeer.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.374639.24
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Datum zitting: 18 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaatsnaam] .
Advocaat van de verdachte: mr. G.W.M. de Leest namens mr. J.J. van 't Hoff
Officier van justitie: mr. I. Barendregt

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat – samengevat – het aan zijn schuld te wijten is dat op 27 juni 2024 te Rotterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
Primair:
hij, op of omstreeks 27 juni 2024 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als
inzittende van een geparkeerde vrachtwagen met aanhangwagen/oplegger, zich
zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend, op enig moment,
- in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 1 onder c van het Reglement
Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, die vrachtwagen met
aanhangwagen/oplegger te parkeren aan de rechterzijde van de rijbaan van de
Professor Gerbrandyweg, en/of zulks
- terwijl die aanhangwagen/oplegger geen achterlicht voerde, terwijl dit volgens
artikel 39 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 verplicht was,
waarna een bestuurder ( [slachtoffer] ) van een motorvoertuig (motor) tegen de
achterzijde van die (onverlichte) aanhangwagen/oplegger is gereden of gebotst, ten
gevolge waarvan die bestuurder is overleden;
subsidiair:
hij, op of omstreeks 27 juni 2024 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als
inzittende van een geparkeerde vrachtwagen met aanhangwagen/oplegger, zich
zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon
worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd, althans
kon worden gehinderd,
- in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 1 onder c van het Reglement
Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, die vrachtwagen met
aanhangwagen/oplegger heeft geparkeerd aan de rechterzijde van de rijbaan van de
Professor Gerbrandyweg, en/of zulks
- terwijl die aanhangwagen/oplegger geen achterlicht voerde, terwijl dit volgens
artikel 39 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 verplicht was,
waarna een bestuurder ( [slachtoffer] ) van een motorvoertuig (motor) tegen de
achterzijde van die (onverlichte) aanhangwagen/oplegger is gereden of gebotst, ten
gevolge waarvan die bestuurder is overleden.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primaire feit in die zin dat daarbij sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig verkeersgedrag ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door zijn vrachtwagen met oplegger te parkeren op een voorrangsweg zonder daarbij verlichting te voeren, als gevolg waarvan [slachtoffer] tegen de vrachtwagen is aangebotst en is komen te overlijden. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het primaire feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Ik heb mijn vrachtwagen met oplegger op 27 juni 2024 op de rechter rijbaan van de Professor Gerbrandyweg geparkeerd in Rotterdam. De verlichting van de vrachtwagen en oplegger was niet aan toen ik daar geparkeerd stond.
2.
Proces-verbaal van de politie, verkeersongevallenanalyse [3] De Professor Gerbrandyweg bestond ter plaatse van het ongeval uit één rijbaan en was verdeeld in twee rijstroken; één rijstrook bestemd voor verkeer in de richting van de Botlekweg en één rijstrook bestemd voor verkeer in de richting van het terrein van de Botlek Terminal.
De maximumsnelheid ter plaatse 80 km/u was als gevolg van artikel 21 onder a van
het RVV 1990.
Voor bestuurders die de Professor Gerbrandyweg vanaf de Botlekweg of vanaf de Torontostraat opreden, door middel van borden BI conform bijlage 1 van het RVV 1990 kenbaar werd gemaakt dat de Professor Gerbrandyweg een voorrangsweg betrof.
Voor bestuurders die de Gerbrandyweg vanaf het terrein van de Botlekterminal of Damen Verolme opreden, door middel van bord BI conform bijlage 1 van het RVV 1990 kenbaar werd gemaakt dat de Professor Gerbrandyweg een voorrangsweg betrof.
Wij zagen dat de Iveco en de Stas (de rechtbank begrijpt: de vrachtwagen en de oplegger van de verdachte) bij onze komst ter plaatse geen licht uitstraalde.
De Iveco met de aangekoppelde Stas stond aan de rechterzijde van de rijbaan.
3.
Proces-verbaal van de politie, aanvulling verkeersongevallenanalyse [4]
Uit de berekening volgt dat ook bij een snelheid van 80 km/u de bestuurder van de Suzuki een forse remming had moeten uitvoeren om een aanrijding te voorkomen.
4.
Proces-verbaal van de politie [5] Op 27 juni 2024 werd de lijkschouw verricht bij [slachtoffer] . Uit de bevindingen van de forensisch arts bleek van een niet natuurlijk overlijden ten gevolge van het verkeersongeval.
5.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 1] [6]
Op 27 juni 2024 reed ik op de Professor Gerbandyweg. Ik werd ingehaald door een motor. Ik zag dat hij onverwachts uitweek. Ik kwam dichterbij en zag toen pas dat er een vrachtwagen stond. Ik zag dat het helemaal donker was bij de vrachtwagen.
6.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 4] [7]
Op 27 juni 2024 reed ik samen met [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) de poort uit bij Damen. [slachtoffer] reed voorop en tussen ons reed een auto. Ik hoorde een klap en zag vonken in de lucht. Ik vond de trailer slecht zichtbaar. Op het moment van de klap reed ik ongeveer de afstand tussen twee lantarenpalen achter [slachtoffer] .
2.3.2.
Bewijsmotivering
Inleiding
Op 27 juni 2024 omstreeks 00:05 uur heeft op de Professor Gerbrandyweg te Rotterdam een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een motorfiets en een geparkeerde vrachtwagen met oplegger (hierna: voertuigcombinatie) van de verdachte. De motorfiets is tegen de achterzijde van de oplegger gereden ten gevolge waarvan de bestuurder, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) is overleden.
Verkeersdeelnemer
Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), zoals primair ten laste gelegd, is allereerst vereist dat de verdachte verkeersdeelnemer was.
De rechtbank overweegt dat de verdachte als laatste feitelijke bestuurder ervoor verantwoordelijk is dat zijn voertuigcombinatie zich op de betreffende plek van het ongeval bevond, zodat hij ook op het tijdstip van het ongeval als verkeersdeelnemer en bestuurder had te gelden. De rechtbank beschouwt verdachte dan ook als verkeersdeelnemer als bedoeld in artikel 6 WVW.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de verdachte aan het verkeersongeval schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van een ongeval worden afgeleid. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
De Professor Gerbrandyweg betreft een voorrangsweg buiten de bebouwde kom en is verdeeld in twee rijstroken: één bestemd voor verkeer in de richting van de Botlekweg en één rijstrook bestemd voor verkeer in de richting van het terrein van de Botlek Terminal. De maximumsnelheid ter plaatse was 80 km/u. De verdachte heeft in strijd met artikel 24 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: Rvv) zijn voertuigcombinatie geparkeerd aan de rechterzijde van de Professor Gerbrandyweg. De verdachte is in de cabine van zijn vrachtwagen blijven zitten. De voertuigcombinatie blokkeerde vrijwel de gehele rechter rijstrook. Op het moment dat het donker werd, heeft de verdachte nagelaten de achterlichten van zijn oplegger te ontsteken, terwijl dit op grond van artikel 39 van de Rvv verplicht is. Hoewel de voertuigcombinatie stond geparkeerd onder een lantarenpaal en was voorzien van reflectoren was de achterzijde van de oplegger slecht zichtbaar voor de andere verkeersdeelnemers zoals meerdere getuigen ook hebben verklaard. Als gevolg hiervan is de bestuurder van de motorfiets tegen de achterzijde van de oplegger aangereden en komen te overlijden.
De rechtbank is van oordeel dat het parkeren van de voertuigcombinatie op een rijstrook van een provinciale weg in combinatie met het onverlicht laten van de oplegger aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag oplevert, zodat het verkeersongeval aan verdachtes schuld te wijten is. Van een beroepschauffeur mag worden verwacht dat hij extra voorzichtigheid betracht ten opzichte van het andere verkeer en dat hij zich houdt aan de voor hem geldende verkeersregels. Daarin is de verdachte ernstig tekort geschoten.
Medeschuld
Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat sprake is van medeschuld van het slachtoffer, merkt de rechtbank het volgende op.
In zijn algemeenheid geldt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van de slachtoffers, de schuld aan de zijde van de verdachte niet opheft. Medeschuld van anderen is derhalve voor de vaststelling van de strafrechtelijke schuld niet direct relevant, de eigen schuld staat centraal. [8] In uitzonderlijke gevallen kan dit anders zijn. De onvoorzichtigheid van de ander(en) moet dan zo groot zijn geweest dat de onvoorzichtigheid van de verdachte te gering wordt om schuld in de zin van artikel 6 WVW op te leveren. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is geen sprake. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de aanvulling op de verkeersongevallenanalyse volgt dat ook wanneer het slachtoffer van de motorfiets zich aan de maximumsnelheid had gehouden hij een forse remming had moeten uitvoeren om een aanrijding te voorkomen. Dat het slachtoffer veel harder reed dan was toegestaan, neemt naar het oordeel van de rechtbank de onvoorzichtigheid van de verdachte door zijn voertuigcombinatie onverlicht buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg te parkeren, niet weg.
Het verweer wordt dan ook verworpen.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 primair
hij, op 27 juni 2024 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als
inzittende van een geparkeerde vrachtwagen met oplegger, zich
zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig, op enig moment,
- in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 1 onder c van het Reglement
Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, die vrachtwagen met oplegger te parkeren aan de rechterzijde van de rijbaan van de Professor Gerbrandyweg, en zulks
- terwijl die oplegger geen achterlicht voerde, terwijl dit volgens artikel 39 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 verplicht was, waarna een bestuurder ( [slachtoffer] ) van een motorvoertuig (motor) tegen de achterzijde van die (onverlichte) oplegger is gereden of gebotst, ten gevolge waarvan die bestuurder is overleden.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uur waarvan 120 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaar.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten en er daarom geen straf moet worden opgelegd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zijn vrachtwagen met oplegger onverlicht geparkeerd op een voorrangsweg waar dat niet was toegestaan. Het slachtoffer heeft de vrachtwagen niet tijdig opgemerkt en is in volle vaart op de vrachtwagen gebotst. Als gevolg hiervan is het slachtoffer ter plaatse overleden.
Van verdachte die al 34 jaar als beroepschauffeur aan het verkeer deelneemt mocht verwacht worden dat hij zich ervan had vergewist of hij zijn vrachtwagen met oplegger op die weg mocht parkeren en of die voertuigcombinatie daarbij goed zichtbaar was voor overige verkeersdeelnemers.
De gevolgen van het handelen van verdachte zijn zeer ingrijpend. De nabestaanden moeten verder leven met het verdriet en de enorme impact van dit verlies. Uit de tijdens de terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen namens de ouders van het slachtoffer en de moeder van zijn kind blijkt dat het leed dat dit veroorzaakt zeer ingrijpend, onherstelbaar en intens is.
Ter zitting is ook gebleken dat de verdachte dit ongeval nooit heeft gewild en zal moeten verder leven met het besef dat hij betrokken is geweest bij dit ongeval met dodelijke afloop.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 14 november 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte rijdt voor zijn werk nog steeds als chauffeur op de vrachtwagen. Hij heeft nu een bedrijf samen met zijn zoon met twee eigen vrachtwagens.
4.3.3.
Oplegging straffen
De rechtbank is zich er van bewust dat geen enkele straf het verlies van een dierbare kan compenseren. Strafoplegging dient niet alleen te gebeuren met inachtneming van de gevolgen van de gemaakte verkeersfouten, maar moet vooral worden afgezet tegen de ernst van de fout en dus de mate van schuld van de verdachte. De rechtbank acht de minst zware vorm van schuld bewezen en dit dient tot uitdrukking te komen in de strafmaat. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, zoals blijkt uit de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
De rechtbank acht het opleggen van een taakstraf van 240 uur waarvan 120 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden, zoals door de officier van justitie geëist, passend en geboden. Daarbij is rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte; als beroepschauffeur heeft hij zijn rijbewijs nodig om zijn werk uit te kunnen voeren. De voorwaardelijke straffen hebben als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 [tweehonderdveertig] uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
bepaalt dat
120 [honderdtwintig] uur van deze taakstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
twee jaar,waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende
hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 [honderdtwintig] dagen;
Ontzegging van de rijbevoegdheid
ontzegtde verdachte voor het primaire feit
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van
6 [zes] maanden;
bepaalt dat
deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. G.C. Bos en L. van Eck Rasmussen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 januari 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 18 december 2025.
3.Pagina 85 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] .
4.Proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2]
5.Pagina 57 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] .
6.Pagina 66 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2]
7.Pagina 71 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] .
8.Vgl. [naam 2] en [naam 3] ,