ECLI:NL:RBROT:2026:8837

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
C/10/704693 / FA RK 25-6041
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • U. Gümüs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgregeling wegens risico op terugval minderjarige; vaststelling informatie- en onderhoudsregeling

De rechtbank Rotterdam behandelde op 6 juli 2026 een zaak over de zorg- en opvoedingstaken, informatieregeling en onderhoudsbijdrage voor een minderjarige geboren in 2013. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De minderjarige verblijft bij de moeder en het contact met de vader is sinds mei 2024 gestopt vanwege ernstige paniekaanvallen en angstklachten bij het kind.

De vader verzocht om een zorgregeling waarbij de minderjarige eens in de veertien dagen een middag bij hem zou verblijven. De rechtbank oordeelde dat het contact op dit moment niet in het belang van het kind is vanwege haar emotionele kwetsbaarheid en het risico op terugval. De rechtbank volgde het advies van de raad voor de kinderbescherming en het wijkteam en wees het verzoek af. Wel werd een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de vader eenmaal per kwartaal informeert over de ontwikkelingen van het kind.

Ten aanzien van de onderhoudsbijdrage stelde de rechtbank vast dat de vader vanaf 5 augustus 2025 maandelijks €411 moet betalen, exclusief indexering voor 2026. De rechtbank sloot een zorgkorting uit vanwege het ontbreken van contact. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Verzoek tot zorgregeling afgewezen wegens risico op terugval minderjarige; informatieregeling en onderhoudsbijdrage vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704693 / FA RK 25-6041
Beschikking van 6 juli 2026over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/de informatieregeling/de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht,
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Harent te Dordrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 5 augustus 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 25 september 2025;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op
20 november 2025;
- het bericht van de vrouw van 21 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3.
De minderjarige [minderjarige] heeft tijdens een kindgesprek bij de rechtbank haar mening kenbaar gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen hebben samen een affectieve relatie gehad, die in 2014 is beëindigd.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.4.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.5.
De minderjarige verblijft bij de vrouw.
2.6.
Na het uiteengaan van partijen was eerst sprake van een week-op-week-af regeling voor de minderjarige. In 2020 is het contact tussen de minderjarige en de man gewijzigd naar een weekendregeling en een verdeling van vakanties en feestdagen. In de meivakantie 2024 vond het laatste contact plaats tussen de minderjarige en de man.
2.7.
De vrouw is thans gehuwd. De echtgenoot van de vrouw heeft een zoon uit een eerdere relatie, zijnde [zoon] , geboren op [geboortedatum 2] 2006. [zoon] woont de helft van de tijd bij de vrouw en haar echtgenoot.

3.De beoordeling

3.1.
Zorgregeling
3.1.1.
De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, waarbij de minderjarige eens in de veertien dagen een zondag bij hem verblijft van 13.00 uur tot 17.00 uur. De man neemt het halen en brengen voor zijn rekening.
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.1.4.
Het is de rechtbank voldoende duidelijk dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat er op dit moment geen contact is tussen de minderjarige en de man.
De situatie rondom [minderjarige]
3.1.5.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende.
[minderjarige] is een 13-jarig meisje dat als gevolg van ingrijpende gebeurtenissen een verminderd basisvertrouwen heeft ontwikkeld. De minderjarige heeft last gehad van angstklachten en paniekaanvallen, waarvoor zij sinds 2023 hulp krijgt. Uit het behandelplan van de orthopedagoog van 2 maart 2023 blijkt dat de minderjarige veel piekert over verschillende onderwerpen, onder meer over het contact met de man. De minderjarige ervaart de relatie met de man nu regelmatig als lastig. Ze vindt het moeilijk dat hij snel boos kan worden en zou graag willen werken aan de band met hem. In de meivakantie van 2024 verzette de minderjarige zich hevig tegen de omgang en kreeg ze meerdere paniekaanvallen. De vrouw heeft toen de minderjarige overstuur bij de man opgehaald. De vrouw heeft de omgang gestopt om de minderjarige de ruimte te bieden en nadere hulpverlening te zoeken. De minderjarige heeft traumabehandeling ondergaan ter ondersteuning van haar verdere ontwikkeling en het versterken van haar veerkracht. Ook zijn er twee orthopedagogen betrokken geweest en Basic Trust. Eveneens is het jeugdteam betrokken geweest om te komen tot veilige en werkbare afspraken in het belang van de minderjarige. Ondanks de inzet van hulpverlening en de betrokkenheid van het wijkteam, is het niet gelukt om het contact tussen de minderjarige en de man te herstellen.
3.1.6.
Anders dan de man, ziet de rechtbank op dit moment geen mogelijkheden tot contactherstel. Hoewel de minderjarige op termijn openstaat voor contact, geeft zij duidelijk aan dat zij nu echt geen contact wil. De rechtbank vindt, evenals de raad, dat de minderjarige behoefte heeft dat er naar haar geluisterd wordt en dat het forceren van het contact op dit moment niet in het belang van de minderjarige is. De minderjarige heeft meerdere hulpverleningstrajecten in de afgelopen drie jaren afgerond en het is op dit moment voor haar te veel om het contact met de man “opeens” één op één te herstarten. Zoals blijkt uit het verslag van het wijkteam zou een te snelle of onvoorbereide confrontatie met de man schadelijk kunnen zijn voor haar emotionele welzijn. De situatie is daarvoor bij de minderjarige te wankel. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de minderjarige last heeft gehad van een aantal negatieve gebeurtenissen in de thuissituatie bij de man, zo onder meer de boosheid van de man en de wijze waarop de man is omgegaan met de paniekaanvallen van de minderjarige. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man desgevraagd verklaard dat hij geen hulp heeft gehad of gezocht voor het omgaan met de minderjarige en in het bijzonder met de paniekaanvallen van de minderjarige. Indien het contact op dit moment hersteld zou worden, is het nog maar de vraag of de man kan aansluiten bij de belevingswereld van de minderjarige en hij haar kan ondersteunen bij een mogelijke paniekaanval. Gelet op de positieve persoonlijke ontwikkeling die de minderjarige de afgelopen periode heeft laten zien en de lange weg die zij daarvoor heeft moeten afleggen, wil de rechtbank onder deze omstandigheden een terugval bij de minderjarige niet riskeren. De inzet van een bijzondere curator heeft dan ook geen meerwaarde. Het verzoek van de man wordt afgewezen.
3.1.7.
De rechtbank begrijpt dat deze uitkomst teleurstellend voor de man zal zijn. Tijdens de mondelinge behandeling is ook besproken wanneer contactherstel mogelijk zou kunnen zijn. Op termijn is contactherstel mogelijk als dit gebeurt in kleine stappen die veilig voelen voor de minderjarige om terugval te voorkomen. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is contact via Whatsapp tussen de man en de minderjarige dan een goed begin. Hoewel de man dat niet ziet zitten, zit de minderjarige in een levensfase waarin juist veel contacten via Whatsapp worden onderhouden. Deze vorm van contact zou de man juist een opening kunnen bieden voor (het verder uitbreiden van) het contact. De rechtbank geeft de man in overweging om het betrokken wijkteam te benaderen voor eventuele vragen en/of tips over hoe hij het beste kan aansluiten bij de minderjarige. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de rechtbank om de hulpverlening aan de man als voorwaarde te stellen voor contact in de toekomst. Indien de minderjarige, al dan niet met behulp van het wijkteam, op enig moment aangeeft contact te willen met de man, in welke vorm dan ook, dan dient dat geïnitieerd te worden. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw de minderjarige daarin zal blijven stimuleren.
3.2.
Informatie- en consultatieregeling
3.2.1.
De man verzoekt een informatieregeling vast te stellen.
3.2.2.
De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.2.3.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich tegen de verzochte regeling verzet.
3.2.4.
Verder merkt de rechtbank op dat de man als ouder met het gezag ook zelf informatie kan verzamelen. Anders dan de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, is het niet zo dat hij alle informatie over de minderjarige van de vrouw zou moeten krijgen. Het is in het belang van de minderjarige als partijen daarover in overleg treden en nadere afspraken maken.
3.3.
Onderhoudsbijdrage
3.3.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 411,- per maand, met ingang van 1 februari 2025.
3.3.2.
De man is het eens met de door de vrouw overgelegde berekeningen van de behoefte en de draagkracht, met uitzondering van de door de vrouw gehanteerde ingangsdatum en de zorgkorting.
Ingangsdatum
3.3.3.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
3.3.4.
Het verzoekschrift is op 5 augustus 2025 bij de rechtbank ingediend, zodat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele vaststelling van de kinderbijdrage. Daarom zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum vaststellen.
Behoefte minderjarige
3.3.5.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de minderjarige ten tijde van het uiteengaan van partijen € 633,- per maand was. Geïndexeerd naar 2025 (de ingangsdatum) is dat € 859,-.
Draagkracht partijen
3.3.6.
De rechtbank sluit aan bij de financiële gegevens in de draagkrachtberekeningen van de vrouw, omdat partijen het daarover eens zijn. Daarbij is ook rekening gehouden met de onderhoudsplicht van de vrouw jegens de zoon van haar echtgenoot. Anders dan de man betoogt, zal de rechtbank geen rekening houden met een zorgkorting. Zoals hierboven is overwogen, is er op dit moment geen contact tussen de man en de minderjarige en is het de vraag wanneer dit op termijn kan worden hervat. De rechtbank verwijst naar de aangehechte draagkrachtberekeningen.
3.3.7.
De conclusie van de rechtbank is dat de man met ingang van 5 augustus 2025 een kinderbijdrage van € 411,- per maand dient te voldoen, onder uitsluiting van de wettelijke indexering voor 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man namelijk verzocht de indexering voor het jaar 2026 uit te sluiten en de vrouw heeft daarmee ingestemd. De wettelijke indexering zal voor het eerst in 2027 aan de orde zijn.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst af het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling;
4.2.
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van de beschikking eenmaal per kwartaal de man op de hoogte houdt van de ontwikkelingen over de minderjarige en daarvan een verslag aan de man verstrekt, alsmede jaarlijks de schoolfoto van de minderjarige;
4.3.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 5 augustus 2025, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 411,- per maand;
4.4.
sluit geheel uit de wijziging die genoemde uitkering op grond van de wettelijk vastgestelde indexering over het jaar 2026 kan of zal ondergaan en verstaat dat die uitkering overigens daarna jaarlijks (dus eerst in 2027) met ingang van 1 januari aan indexering onderhevig is;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. U. Gümüs, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.J. Vrolijk-Kronbichler, griffier, op 6 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.