ECLI:NL:RBROT:2026:8847

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
10-082701-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gijzeling, afpersing en dwang met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van gijzeling, afpersing en dwang gepleegd tussen 6 en 8 maart 2026 in Vlaardingen en Rotterdam. Verdachte en mededaders hielden het slachtoffer meerdere dagen gegijzeld, dwongen hem tot het overmaken van geld en het afstaan van persoonlijke eigendommen, waaronder telefoons en paspoort. Verdachte werd vrijgesproken van het bezit van een vuurwapen.

Het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer, medeverdachten en getuigen, politie-observaties, en telefoon- en bankgegevens die de betrokkenheid van verdachte bevestigden. De rechtbank oordeelde dat de feiten ernstig zijn, maar hield rekening met het ontbreken van een strafblad en het advies van de reclassering.

De straf bestaat uit 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, gedragsinterventie en dagbesteding. Daarnaast werd een vrijheidsbeperkende maatregel (38v) opgelegd voor drie jaar met contact- en locatieverboden en elektronische monitoring. De verdachte is hoofdelijk veroordeeld tot schadevergoedingen aan twee benadeelde partijen, met een totaalbedrag van €8.740,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en een 38v-maatregel, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-082701-26
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Datum zitting: 18 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in Detentiecentrum [plaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. K.R.E. Blanken
Officier van justitie: mr. T. van den Bergh
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
Advocaat van de benadeelde partijen: mr. M. Leeflang
Kern van het vonnis
De verdachte heeft samen met anderen opzettelijk aangever gegijzeld en gedurende meerdere dagen vastgehouden. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan afpersing en dwang. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een 38v-maatregel.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in de periode van 6 tot en met 8 maart 2026 samen met anderen de aangever heeft gegijzeld, afgeperst en gedwongen om toegang te verlenen tot zijn telefoon, bankrekening en internetbankieren. Ook wordt hem het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen ten laste gelegd.
De volledige tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) houdt in dat:
1
hij in de periode van 6 maart 2026 tot en met 8 maart 2026 te Vlaardingen en/of
Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk
[slachtoffer 1]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,
door
- die [slachtoffer 1] onder schot te houden en/of een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten en/of een vuurwapen te tonen aan die [slachtoffer 1] , en/of
- een vuurwapen, dan wel een voorwerp, tegen de nek van die [slachtoffer 1] aan te houden en/of te zeggen "moet ik je laten voelen" en "ik schiet je", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of
- die [slachtoffer 1] te blinddoeken en/of
- die [slachtoffer 1] vast te houden in een auto en/of een woning en/of een schuur en/of andere locaties, waaronder een of meerdere café/restaurants, en/of
- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat ze, verdachte en/of diens mededaders, de familie van die [slachtoffer 1] zouden pakken en/of dat ze zijn huis zouden opblazen, en/of
- die [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan, met het oogmerk een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of vrienden en/of familie van voornoemd slachtoffer te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten
- een geldbedrag (totale som van 6000,- euro) over te maken via Tikkie(s) en/of contant geld te pinnen en/of een contant geldbedrag naar verdachte en/of diens mededader(s) te komen brengen;
2
hij in de periode van 6 maart 2026 tot en met 8 maart 2026 te Vlaardingen en/of
Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn telefoons en/of (pin)pas(sen)
en/of paspoort, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1]
en/of een derde toebehoorde(n)
door
- die [slachtoffer 1] onder schot te houden en/of een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten en/of een vuurwapen te tonen aan die [slachtoffer 1] , en/of
- een vuurwapen, dan wel een voorwerp, tegen de nek van die [slachtoffer 1] aan te houden en/of te zeggen "moet ik je laten voelen" en "ik schiet je", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of
- die [slachtoffer 1] te blinddoeken en/of
- die [slachtoffer 1] vast te houden in een auto en/of een woning en/of een schuur en/of andere locaties, waaronder een of meerdere café/restaurants, en/of
- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat ze, verdachte en/of diens mededaders, de familie van die [slachtoffer 1] zouden pakken en/of dat ze zijn huis zouden opblazen, en/of
- die [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan;
3
hij in de periode van 6 maart 2026 tot en met 8 maart 2026 te Vlaardingen en/of
Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige
andere feitelijkheid gericht tegen die ander,
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door
- die [slachtoffer 1] gedurende een aanzienlijke periode tegen zijn wil vast te houden en/of die [slachtoffer 1] meerdere malen te slaan en/of onder bedreiging van een vuurwapen danwel woordelijk te laten meewerken aan het openen van een bankrekening en/of (daarvoor) voornoemd slachtoffer meermalen te laten meewerken aan een 'face scan' en/of toegang en/of aan het inloggen op de telefoon van verdachte en/of diens mededader(s) op de bankrekening en/of internetbankieren-omgeving van voornoemd slachtoffer;
4
hij in de periode van 6 maart 2026 tot en met 8 maart 2026 te Vlaardingen en/of
Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten
een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III
onder 1° van die wet
in de vorm van een revolver, namelijk een revolver, van het merk Bulldog,
kaliber.320, en/of
munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4° van de Wet wapens en munitie, te weten
munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro die wet, van categorie III te weten
- zes, althans een of meerdere kogelpatro(o)n(en), van het kaliber .320, voorhanden heeft gehad.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de feiten onder 1, 2 en 3 zullen worden bewezenverklaard en dat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 4. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de verdachte integraal vrij te spreken. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Vrijspraak feit 4
De beschuldiging onder 4 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
De onder 1, 2 en 3 opgenomen gedachtestreepjes die betrekking hebben op (het gebruik van) een vuurwapen, worden niet bewezen verklaard. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
2.3.2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3
Bewezen is dat de verdachte in de periode van 6 tot en met 8 maart 2026 te Rotterdam en/of Vlaardingen samen met anderen de aangever heeft gegijzeld en vastgehouden, afgeperst en gedwongen om toegang te verlenen tot zijn telefoon, bankrekening en internetbankieren. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever 8 maart 2026 [2]
Achternaam: [achternaam aangever 1]
Voornamen: [voornaam aangever 1]
Ik was op vrijdag 6 maart 2026 bij een clip shoot. Ik zat in de auto. Toen waren daar [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , een lange gast van wie ik nu weet dat hij [verdachte] heet en nog een onbekende jongen. [medeverdachte 2] zei met een handgebaar dat ik de auto uit moest komen. [verdachte] sloeg mij in mijn gezicht voor al die gasten daar. Ik ben toen met ze meegelopen en in de auto gestapt. Tijdens de rit kreeg ik klappen van [medeverdachte 2] , ook drukte hij iets tegen mijn nek en zei “moet ik je laten voelen” en “ik schiet je”, of zoiets. Ik werd naar een schuur gebracht. Ik moest de eerste nacht in de schuur slapen. De deur zat op slot. De dag erna werd ik mee naar boven genomen en heb ik in een slaapkamer op de bank geslapen. Dit was een gebruikershuis/trap house. Ze zeiden dat ze mijn familie zouden pakken, dat ze ons huis zouden opblazen. Toen ik in de woning zat hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] mijn telefoon leeg getrokken. [verdachte] heeft mijn ING rekening op zijn telefoon gezet. Hij heeft een Revolut rekening geopend met mijn paspoort. Ze hebben mijn pinpas, mijn paspoort en twee iPhones weggenomen.
2.
Proces-verbaal van de politie, aangifte slachtoffer [3]
Tijdens mijn ontvoering zat ik in de auto van mijn 3 ontvoerders. Ik kende de mannen; [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] . Ik had eerder ruzie met [medeverdachte 2] . De ruzie ging over gestolen geld. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben mij vernederd, geslagen en bedreigd. Ik moest mijn paspoort en telefoon afgegeven. Ik moest naar mijn moeder bellen. Ik zei dat ik was ontvoerd en dat zij geld over moest maken. Ik zei dat zij 6000 euro wilden hebben, anders zou ik niet meer thuiskomen en zij zouden mij dan wat aandoen. Als er niet betaald zou worden, zou mijn familie mij niet meer zien. Ik zag en hoorde dat [medeverdachte 2] en [verdachte] via mijn telefoon tikkies verstuurden naar mijn moeder. Mijn moeder maakte diverse bedragen over. Verder moest ik andere familieleden bellen om geld over te maken. Zelfs een vriendin van mijn tante maakte 1000 euro over via een tikkie. Daarna wilden ze contant geld en mijn pinpas, maar mijn pinpas lag thuis. Ik hoorde dat mijn moeder met mijn pinpas geld moest opnemen. Dit werd opgehaald door een vriend van mij, [persoon A] . [persoon A] bracht dit geld, 2500 euro en mijn pinpas. Daarna hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] diverse scans van mijn gezicht genomen. Daarmee hebben zij bankrekeningen geopend en leningen aangevraagd op mijn naam.
3.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever 10 maart 2026 [4]
Ik was op 6 maart 2026 in Vlaardingen toen ik werd meegenomen. Ik zat in de avond 3 of 4 uur lang bij een café in Rotterdam samen met [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . Mijn gezicht werd een aantal keer gescand. Ze deden op mijn telefoon dingen met banken.
4.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever 11 maart 2026 [5]
[aangever 1] vertelde dat hij 8 maart 2026 bij [restaurant 1] in Rotterdam patat wilde, maar dat hij niet had gegeten die avond. [aangever 1] vertelde ook dat hij zag dat [verdachte] voor het pand van [restaurant 1] stond en dat hij kort met de vrienden van [verdachte] naar [restaurant 1] in Rotterdam was geweest, maar dat hij door [verdachte] terug naar binnen in de woning was gebracht.
Tevens verklaarde hij dat er ook tweemaal bij [restaurant 2] was besteld.
5.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever 4 april 2026 [6]
[verdachte] was de eerste persoon die mij klappen gaf en zei dat ik mee moest lopen naar de auto. In de auto sloeg hij mij ook ondanks dat hij voorin zat. Toen we aankwamen in de woning sloeg hij mij ook. Toen [medeverdachte 2] wat zei moest hij ook wat zeggen. [verdachte] was het meest bezig met mijn telefoon. Foto's en screenshots maken van mijn privacy dingen. De banken waren door [verdachte] geregeld. [verdachte] had mijn paspoort. Hij was ook degene die de bankrekeningen heeft geopend. Hij heeft mij eten gebracht in het huis.
6.
Proces-verbaal van de politie, verklaring medeverdachte [medeverdachte 1] 28 april 2026 [7]
A: Ik zat achterin met [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1] zat in het midden. [verdachte] die zat rechts voorin.
7.
Proces-verbaal van de politie, verklaring medeverdachte [medeverdachte 2] 31 maart 2026 [8]
Ik ben hier gekomen omdat ik eerlijk wil vertellen wat er is gebeurd. Die dag was hij bezig op die plek met een clip. Ik ben daar naar toe gegaan. Ik hoorde dat hij in een auto zat. Ik ben naar die auto gelopen. Ik heb tegen hem gezegd dat hij moest uitstappen. Ik heb hem toen meegenomen. Ik heb hem naar een huis gebracht en daar heeft hij gebeld. Wij zijn ook nog naar een café geweest. Daar hebben wij gezeten. Wij zijn ook bij de Mac Donalds geweest bij de Kuip. Later zijn wij naar mijn kelder gegaan. Daar heeft hij gezeten. Uiteindelijk heb ik geld gekregen maar niet het hele bedrag. De volgende dag heb ik hem weer naar het huis gebracht. De volgende dag, zondag, was er geld geregeld. Niet het hele bedrag maar ik besloot om het slachtoffer te laten gaan. Ik ging het slachtoffer ophalen. Ik kreeg het geld en toen kwam het AT.
8.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangever 2] , 7 maart 2026 [9]
Om 18:42 heeft mijn zoon [slachtoffer 1] mij gisteren gebeld. Ze bleven maar geld vragen. We hebben toen een beetje gevraagd aan mensen die contant geld hadden. Vriend van mijn zusje had iets van 1000 euro en ik iets van 700 euro, een vriendin van mij nog 500 euro. Zo ging het. Die jongens zei dat het geld gepind moest worden. Ze lieten [slachtoffer 1] bellen naar mij. Zij wilden het geld contant hebben, eerst wilden ze dat niet. Een vriend die [slachtoffer 1] kent, waarschijnlijk heeft [slachtoffer 1] hem gebeld dat die vriend dat geld moest brengen voor die gasten. Ik heb het geld gepind bij de geldmaat op de Van Hogendorplaan, ik weet niet meer precies hoe laat dat was. Het is de geldmaat naast de plantenbeurs in Vlaardingen. Ik heb toen het geld en de pinpas van [slachtoffer 1] aan die vriend gegeven. Die vriend ging toen met het geld en de pinpas naar die jongens die [slachtoffer 1] hadden meegenomen.
9.
Proces-verbaal van de politie, verhoor van getuige [getuige 1] 7 maart 2026 [10]
[slachtoffer 1] belde mij om 19:18 uur. Hij belde mij via Whatsapp met zijn eigen telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Hij vroeg toen aan mij om geld. Ik hoorde zijn stem. Ik zei dat ik geen geld had omdat ik net terug uit Curaçao was, maar dat ik mijn best ging doen. Ik vroeg maar [slachtoffer 1] waar ben je dan? Hij zei toen 'ergens'. Toen werd er opgehangen. Ik was intussen nog een keer gebeld door [slachtoffer 1] . Ik hoorde toen op de achtergrond dat [slachtoffer 1] een platte hand kreeg en dat die [medeverdachte 2] geïrriteerd zei ''Je moet stoppen met praten." Ik herkende de stem van [medeverdachte 2] . Ik heb toen via een vriendin duizend euro geregeld. Ik heb toen [slachtoffer 1] teruggebeld en zei van kun je een tikkie sturen want ik heb duizend euro geregeld. Hij stuurde toen een tikkie. Ik heb dit toen overgemaakt naar de rekening van [slachtoffer 1] . Even later belde [slachtoffer 1] mij weer terug en toen hoorde ik dat die [medeverdachte 2] riep: "Ik blijf hem stoten geven, tot je ophoudt met praten." Ik hoorde dat hij stoten kreeg. [slachtoffer 1] bleef mij bellen met de vraag of ik al meer geld had. Ik denk dat zij hem druk op legden.
10.
Proces-verbaal van de politie, verhoor van getuige [getuige 2] 7 maart 2026 [11]
Ik kreeg gister een belletje van [slachtoffer 1] dat vond ik al raar. Hij zei ik heb geld nodig en achter hem hoorde ik iemand praten over waarom ik zoveel vragen stelde. Ik hoorde diegene zeggen; "hij moet gewoon geld geven.". Ik hoorde een stem op de achtergrond. Ik vroeg aan [slachtoffer 1] waar ben je, wat is er aan de hand, waarom heb je geld nodig enzo en toen hoorde ik iemand anders vragen stellen. Toen ik klaar was met werk, rond 21.00 uur ging ik naar mijn zus. Zij zei toen ging zij geld pinnen voor een vriend van [slachtoffer 1] zodat hij dat kon meenemen.
11.
Proces-verbaal van de politie [12]
Ten tijde van de gijzeling van het slachtoffer zag het observatieteam van Rotterdam ter hoogte van de portiek aan [adres 2] tot en met [adres 3] in Rotterdam Zuid een drietal personen uit het portiek komen. Eén van dit drietal bleek later de hoofdverdachte van de gijzeling te zijn, te weten [medeverdachte 2] . Het observatieteam zag dat [medeverdachte 2] bij de portiek aan de Boergoensestraat werd vergezeld door een lange man en het slachtoffer. Ik zag op het adres meerdere antecedenten staan waarin de woning aan [adres 4] als (hard)drugs gebruikerspand werd gekenmerkt.
12.
Proces-verbaal van de politie [13]
Ten tijde van politie-interventie op 8 maart 2026 zat [slachtoffer 1] bij [medeverdachte 2] in een voertuig en bevonden zich meerdere mobiele telefoons in dit voertuig. Eén van deze mobiele telefoons bleek de telefoon van [slachtoffer 1] te zijn. De data van dit toestel werd uitgelezen.
Uit de data van het toestel bleek dat op 7 maart 2026 op verscheidene momenten een verbinding werd gemaakt met een snapchat-netwerk welke de naam ‘ [accountnaam] ’ had. Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] was gebruikt bij het aanmaken van dit snapchat-account. Dit nummer is sinds 2019 gekoppeld aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2005.
13.
Proces-verbaal van de politie [14]
Er is onderzoek gedaan naar historische verkeersgegevens naar het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer 2] ).
07 maart 2026:
- op die dag kwamen diverse gesprekken tot stand waarbij verbinding werd gemaakt met meerdere zendmasten.
- Eén van deze gesprekken, een uitgaande gesprek op 07 maart 2026, omstreeks 21.05.52 uur, naar het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , bleek toe te behoren aan " [restaurant 2] " Rotterdam of te wel " [restaurant 2] ", gevestigd aan de Dorpsweg te Rotterdam.
08 maart 2026:
- op 08 maart 2026, was er maar één telefonisch gesprek met het toestel van [verdachte] . Dit was tussen 18:55:10 uur tot en met 18:57:58 uur naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Uit onderzoek bleek dat dit telefoonnummer toebehoort aan " [restaurant 1] ", gelegen aan [adres 5] te Rotterdam.
Door het slachtoffer werd verklaarde dat door [verdachte] eten zou zijn besteld bij zowel [restaurant 2] alsmede bij [restaurant 1] te Rotterdam.
Tevens bleek dat het toestel van de verdachte verbinding maakte met de zendmasten aan de Eksterstraat en de Verboomstraat te Rotterdam. Beide locaties liggen om de Boergoensestraat.
2.3.3.
Bewijsmotivering
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachten de aangever gedurende meerdere dagen hebben gegijzeld en vastgehouden en de aangever, zijn familie en vrienden hebben gedwongen geld af te geven. Daarnaast heeft de aangever toegang moeten verlenen tot zijn telefoon, bankrekening en internetbankieren, en is hij gedwongen zijn telefoons, pinpas en paspoort af te geven. Tijdens deze periode is de aangever meermaals geslagen.
De aangever heeft een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd. De betrokkenheid van de verdachte blijkt daarnaast uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , uit het feit dat de telefoon van de aangever op 7 maart 2026 verbinding maakt met het Snapchat-account van de verdachte, en uit de analyse van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer dat aan de verdachte wordt gekoppeld. Uit die analyse blijkt dat met dit telefoonnummer op 7 en 8 maart 2026 bestellingen zijn geplaatst bij respectievelijk “ [restaurant 2] ” en “ [restaurant 1] ”. Dit komt overeen met wat de aangever heeft verklaard.
2.3.4.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij in de periode van 6 maart 2026 tot en met 8 maart 2026 te Vlaardingen en/of Rotterdam,
tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- een voorwerp tegen de nek van die [slachtoffer 1] aan te houden en te zeggen "moet ik je laten voelen" en "ik schiet je", en
- die [slachtoffer 1] vast te houden in een auto en/of een woning en/of een schuur en/of een café/restaurant, en
- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat ze, verdachte en/of diens mededaders, de familie van die [slachtoffer 1] zouden pakken en dat ze zijn huis zouden opblazen, en
- die [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht te slaan, met het oogmerk een ander, te weten [slachtoffer 2] en [getuige 1] en [getuige 2] en vrienden en/of familie van voornoemd slachtoffer te dwingen iets te doen, te weten
- een geldbedrag (totale som van 6000,- euro) over te maken via Tikkies en contant geld te pinnen en een contant geldbedrag naar verdachte en diens mededaders te komen brengen;
Feit 2
hij in de periode van 6 maart 2026 tot en met 8 maart 2026 te Vlaardingen en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn telefoons en (pin)pas(sen) en paspoort, die aan die [slachtoffer 1] en toebehoorden door
- een voorwerp tegen de nek van die [slachtoffer 1] aan te houden en te zeggen "moet ik je laten voelen" en "ik schiet je", en
- die [slachtoffer 1] vast te houden in een auto en/of een woning en/of een schuur en/of een café/restaurant, en
- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat ze, verdachte en/of diens mededaders, de familie van die [slachtoffer 1] zouden pakken en dat ze zijn huis zouden opblazen, en
- die [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht te slaan;
Feit 3
hij in de periode van 6 maart 2026 tot en met 8 maart 2026 te Vlaardingen en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, en te dulden, door
- die [slachtoffer 1] gedurende een aanzienlijke periode tegen zijn wil vast te houden en die [slachtoffer 1] meerdere malen te slaan en
te bedreigen, te weten hemte laten meewerken aan het openen van een bankrekening en (daarvoor) voornoemd slachtoffer meermalen te laten meewerken aan een 'face scan' en aan het inloggen op de telefoon van verdachte en/of diens mededader(s) op de bankrekening en internetbankieren-omgeving van voornoemd slachtoffer.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1: medeplegen van gijzeling
Feit 2: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
Feit 3: medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en te dulden
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, meewerken aan een cognitieve training en het vinden van een zinvolle dagbesteding;
  • een vrijheidsbeperkende maatregel ex. artikel 38v Sr voor de duur van 3 jaar, inhoudende de door de reclassering geadviseerde contactverboden en locatieverboden/-geboden, inclusief elektronische monitoring, met oplegging van een week hechtenis bij iedere overtreding. Deze maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan gijzeling, afpersing en dwang. De aangever is gedurende twee nachten vastgehouden en is uiteindelijk pas door de inzet van de politie bevrijd. De verdachten hebben de aangever, zijn familie en vrienden gedwongen geld af te geven dat hij volgens hen aan een van de verdachten verschuldigd was. Hierbij is de aangever ook geslagen en werd gedreigd dat hemzelf of zijn familie iets zou worden aangedaan. Ook hebben de verdachte en de medeverdachten aangever gedwongen toegang te verlenen tot zijn telefoon, bankrekening en internetbankierenomgeving, en moest hij zijn telefoon, pinpas en paspoort afgeven. Dit zijn zeer ernstige feiten. Ook als de aangever of een vriend van hem daadwerkelijk een schuld had, rechtvaardigt dat op geen enkele manier het handelen van de verdachten. Dit is geen manier om een vermeende schuld te innen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 26 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
Uit het rapport van Reclassering Nederland van 11 juni 2026 volgt dat de reclassering, vanwege de zwijgende proceshouding van de verdachte, geen goed beeld van de verdachte heeft kunnen krijgen. Voor het geval de feiten bewezen worden verklaard, spreekt de reclassering haar zorgen uit over zijn sociale netwerk en zijn houding. De verdachte is een first offender en op praktisch vlak lijkt hij zijn leven grotendeels op orde te hebben. Ook wordt de betrokkenheid van zijn familie als een beschermende factor gezien.
Alles afwegende adviseert de reclassering bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • het deelnemen aan een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden;
  • het vinden van een zinvolle dagbesteding;
  • een contactverbod met de aangever en enkele getuigen;
  • een contactverbod met de medeverdachten met elektronische monitoring;
  • een locatieverbod met elektronische monitoring;
  • een locatiegebod met elektronische monitoring.
4.3.3.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De verdachte is jong en heeft geen strafblad. Toch zijn de feiten waarvoor hij wordt veroordeeld zeer ernstig. De medeverdachten hebben openheid van zaken gegeven, terwijl de verdachte blijft zwijgen. Dit baart de rechtbank zorgen. De rechtbank vraagt zich af of de verdachte de ernst van zijn handelen voldoende tot zich laat doordringen en verantwoordelijkheid neemt voor de door hem gepleegde strafbare feiten.
De reclassering ziet mogelijkheden om de verdachte te begeleiden naar een stabiele en positieve toekomst. Ondanks de aard en ernst van de feiten wil de rechtbank de verdachte die kans ook bieden. Daarom legt de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van nader te noemen duur op, waaraan bijzondere voorwaarden worden verbonden. Daarbij volgt de rechtbank de eis van de officier van justitie om de contactverboden en het locatieverbod en -gebod niet als bijzondere voorwaarden op te leggen, maar als een 38v-maatregel. Op die manier komt bij een eventuele overtreding niet direct het gehele toezichtskader onder druk te staan.
De rechtbank vindt de straf zoals door de officier van justitie geëist, passend en geboden. Daarom wordt een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 12 maanden voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • het deelnemen aan een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden;
  • het vinden van een zinvolle dagbesteding.
De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 3 jaar. Deze maatregel houdt in:
  • een contactverbod met de aangever en enkele getuigen;
  • een contactverbod met de medeverdachten met elektronische monitoring;
  • een locatieverbod met elektronisch toezicht;
  • een locatiegebod met elektronisch toezicht.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van één week, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van de aangever of zijn familie. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5.In beslag genomen voorwerpen

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen die kunnen worden gekoppeld aan de verdachte, aan hem worden teruggegeven. Voor de overige inbeslaggenomen voorwerpen vordert de officier van justitie de teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte:
  • Simkaart merk Digicel, goednummer: 7127888;
  • Simkaart merk Digicel, goednummer: 7127901;
  • Simkaart van Lebara, goednummer: 7127909;
  • Apple iPhone (blauw), goednummer: 7127884;
  • Apple iPhone (wit), goednummer: 7127869.
  • Diverse (in totaal 35) digitale tegoeden/cadeaukaarten in beslag genomen, goednummers: 7127898, 7127899, 7127892, 7127919, 7127932, 7127936, 7127937, 7127923, 7127903, 7127907, 7127912, 7127918, 7127921, 7127926, 7127928, 7127935, 7127939, 7127945, 7127970, 7127969, 7127964, 7127960, 7127958, 7127957, 7127956, 7127955, 7127952, 7127949, 7127947, 7127946, 7127944, 7127942, 7127941, 7127986, 7127987.
De rechtbank beslist tot de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt:
  • Zorgpas op naam van [persoon B] , goednummer: 7127867;
  • Zorgpas op naam van [persoon C] , goednummer: 7127863;
  • Identiteitskaart (Turkse) op naam van [persoon B] , goednummer: 7127882;
  • Visa Card Wise op naam van [persoon D] rekeningnummer [nummer 1] , goednummer: 7127853;
  • Visa Card Revolut op naam van [persoon E] , goednummer: 7127846;
  • OV-chipkaart met het kaartnummer: [nummer 2] , goednummer: 7127879.

6.Vordering van de benadeelde partijen

6.1.
Vorderingen
6.1.1.
[benadeelde partij 1]
Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij een bedrag van € 7.370,25 gevorderd aan materiële schade en € 3.000,00 gevorderd aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft gevorderd dat de verdachte hoofdelijk wordt veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
6.1.2.
[benadeelde partij 2]
Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij een bedrag van € 3.920,00 gevorderd aan materiële schade en € 3.000,00 gevorderd aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft gevorderd dat de verdachte hoofdelijk wordt veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vorderingen tot vergoeding van materiële en immateriële schade van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen min het bedrag aan materiële schade wat als toekomstige schade (verhuiskosten) is gevorderd. Dit is in beide gevallen € 3.000,00. De vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] moet in zowel de materiële als de immateriële schadevergoedingsvordering niet-ontvankelijk worden verklaard, wegens onvoldoende onderbouwing en een onevenredige belasting van het strafgeding. Subsidiair moet het toe te wijzen bedrag sterk worden gematigd.
Ook de benadeelde partij [benadeelde partij 2] moet in zowel de materiële als de immateriële schadevergoedingsvordering niet-ontvankelijk worden verklaard, wegens onvoldoende onderbouwing en onevenredige belasting van het strafgeding. Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank, voor zover deze de rol van de verdachte als ondergeschikt aan die van de medeverdachte [medeverdachte 2] kwalificeert, deze omstandigheid in de hoogte van het toe te kennen bedrag aan immateriële schadevergoeding te verdisconteren.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
6.4.1.
Vordering [benadeelde partij 1]
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, 2 en 3 gepleegde strafbare feiten.
De verdediging heeft alle schadeposten betwist.
De schadeposten die zien op de drie betaalde tikkies (totaal € 1.820,00) en de twee contante geldopnamen (van € 500,00 en € 1000,00, in totaal € 1.500,00) zijn voldoende onderbouwd en de verdediging heeft de vordering op deze punten onvoldoende weersproken. Daarom wordt een bedrag van € 3.320,00 toegewezen.
Het deel van de vordering dat ziet op de twee telefoons (respectievelijk € 444,42 en € 1005,83) vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De gevorderde (toekomstige) verhuiskosten (€ 3.000,00) worden afgewezen omdat deze (toekomstige) schade te ver verwijderd is van de gepleegde feiten en geen direct causaal verband houdt met de feiten.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten. De benadeelde partij durft niet meer thuis te zijn, maar ook niet naar buiten te gaan. Ook kampt hij met angstklachten en slaapproblemen.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 3.000,00. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen.
Dit betekent dat ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] een totaalbedrag van € 6.320,00 aan schadevergoeding wordt toegewezen.
6.4.2.
Vordering [benadeelde partij 2] (moeder)
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, 2 en 3 gepleegde strafbare feiten.
De verdediging heeft alle schadeposten betwist.
Het gevorderde bedrag aan ‘losgeld’, totaal € 920,00, dat de moeder van aangever aan de verdachten heeft betaald om haar zoon terug te krijgen is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen. Dit bedrag bestaat uit een betaald tikkie van € 700,00 en een bedrag van € 220,00 aan contant geld.
De gevorderde (toekomstige) verhuiskosten (€ 3.000,00) worden afgewezen omdat deze (toekomstige) schade te ver verwijderd is van de gepleegde feiten en geen direct causaal verband houdt met de feiten.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten. Immers heeft zij moeten vrezen voor het leven van haar zoon. Zij kampt eveneens met angstklachten en slaapproblemen en durft ook niet meer thuis te zijn, nu de verdachten op de hoogte zijn van haar adres.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.500,00. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering aan immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.
Dit betekent dat ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] een totaalbedrag van € 2.420,00 aan schadevergoeding wordt toegewezen.
6.4.3.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoedingen worden toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoedingen. Als (een) de mededader(s) de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partijen te betalen.
6.4.4.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 7 maart 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoedingen aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 56 dagen. Als dwangmiddel kan met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 24 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichtingen niet op.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 282a, 284 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
12 (twaalf) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt gesteld op
3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Cova of Cova plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
3. zich inspant voor het vinden en behouden van werk, school en/of stage, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 3 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaar, inhoudende:
  • een contactverbod: dat de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met: [slachtoffer 1] ( [geboortedatum 2] 2004), [getuige 1] ( [geboortedatum 3] 1994), [getuige 3] ( [geboortedatum 4] 1944) en [benadeelde partij 2] ( [geboortedatum 5] 1984);
  • een contactverbod met elektronische monitoring: dat de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect — contact zoekt of heeft met de medeverdachten: [medeverdachte 1] ( [geboortedatum 6] 2006) en [medeverdachte 2] ( [geboortedatum 7] 2005), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het contactverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De reclassering controleert het contactverbod mede door het inzien van de GPS-gegevens;
  • een locatieverbod met elektronische monitoring: dat de verdachte zich niet bevindt in de gemeente Vlaardingen, zolang de reclassering dat nodig vindt. Zie hiervoor de plattegrond in de bijlage. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan de verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De verdachte mag voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaten zonder toestemming van de reclassering;
  • een locatiegebod met elektronische monitoring: dat de verdachte op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: Bij de start dient de verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van één week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van het locatieverbod, het locatiegebod en de contactverboden.
In beslag genomen voorwerpen
beveelt de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte:
  • Simkaart merk Digicel, goednummer: 7127888;
  • Simkaart merk Digicel, goednummer: 7127901;
  • Simkaart van Lebara, goednummer: 7127909;
  • Apple iPhone (blauw), goednummer: 7127884;
  • Apple iPhone (wit), goednummer: 7127869;
  • Diverse (in totaal 35) digitale tegoeden/cadeaukaarten in beslag genomen, goednummers: 7127898, 7127899, 7127892, 7127919, 7127932, 7127936, 7127937, 7127923, 7127903, 7127907, 7127912, 7127918, 7127921, 7127926, 7127928, 7127935, 7127939, 7127945, 7127970, 7127969, 7127964, 7127960, 7127958, 7127957, 7127956, 7127955, 7127952, 7127949, 7127947, 7127946, 7127944, 7127942, 7127941, 7127986, 7127987;
beveelt de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt:
  • Zorgpas op naam van [persoon B] , goednummer: 7127867;
  • Zorgpas op naam van [persoon C] , goednummer: 7127863;
  • Identiteitskaart (Turkse) op naam van [persoon B] , goednummer: 7127882;
  • Visa Card Wise op naam van [persoon D] rekeningnummer [nummer 1] , goednummer: 7127853;
  • Visa Card Revolut op naam van [persoon E] , goednummer: 7127846;
  • OV-chipkaart met het kaartnummer: [nummer 2] , goednummer: 7127879;
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van
€ 6.320,00, bestaande uit € 3.320,00 als vergoeding van materiële schade en € 3.000,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 7 maart 2026 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op het aanschaffen van telefoons (respectievelijk € 444,42 en € 1005,83);
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
wijst af het gedeelte van de vordering dat ziet op de (toekomstige) verhuiskosten (€ 3.000,00);
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] aan de staat
€ 6.320,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 7 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal
56 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] of aan de staat heeft/hebben vergoed;
[benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van
€ 2.420,00, bestaande uit € 920,00 als vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 7 maart 2026 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
wijst af het gedeelte van de vordering dat ziet op de (toekomstige) verhuiskosten (€ 3.000,00);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk voor de overige gevorderde immateriële schade;
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] aan de staat
€ 2.420,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 7 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal
24 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,
en mrs. J.A. Terstegge en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. P.A.J. van der Hart, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.
Mr. J.A. Terstegge is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] , proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .
2.Pagina 43 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] ).
3.Pagina 171 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] ).
4.Pagina 86 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] ).
5.Pagina 97 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] ).
6.Pagina 218 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] ).
7.Pagina 240 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] ).
8.Pagina 197 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] ).
9.Pagina 1 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 9] ).
10.Pagina 22 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 10] ).
11.Pagina 26 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 11] ).
12.Pagina 84 e.v. (documentcode [code] ).
13.Pagina 106 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 12] ).
14.Pagina 248 e.v. (proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 13] ).