ECLI:NL:RBROT:2026:8850

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
C/10/709365 / JE RK 25-2241
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en schoolverzuim

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die al onder toezicht stond vanwege ernstige zorgen over haar ontwikkeling en schoolverzuim.

De moeder had een langdurige vrijstelling van de leerplicht geregeld, wat leidde tot een verslechtering van de situatie. De minderjarige ging nauwelijks naar school en er was sprake van contactverlies met de vader en hulpverleners. De moeder werkte niet mee aan het delen van medische informatie en hulpverlening, terwijl de vader juist pleitte voor meer betrokkenheid en een persoonlijkheidsonderzoek.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde verlenging van de ondertoezichtstelling. De rechtbank oordeelde dat de ontwikkelingsbedreiging ernstig is en niet met vrijwillige hulpverlening kan worden weggenomen. De ondertoezichtstelling werd daarom verlengd voor zes maanden, met de verplichting voor de gecertificeerde instelling om strakke regie te voeren over hulpverlening en schoolgang, waaronder inzet van Multi Systeem Therapie.

De rechtbank verzocht de Raad om een diepgaandere analyse van de situatie en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 23 december 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/709365 / JE RK 25-2241
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. Logtenberg, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].
In zijn raadgevende en/of adviserende rol op grond van artikel 810 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad,
gevestigd te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de Raad van 1 mei 2026.
  • het bericht van I. van Bekkum doorgestuurd door de advocaat van de moeder met bijlagen van 4 mei 2026;
  • het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 10 juni 2026;
  • de brief van de GI met bijlagen van 12 juni 2026;
  • de twee e-mails van de moeder met bijlagen van 15 juni 2026.
1.2.
Op 17 juni 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] en [naam 3].
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft met een brief gereageerd. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 16 december 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 23 juni 2026. Het overige verzochte is aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De ondertoezichtstelling is al verlengd voor de duur van zes maanden. Er resteert nog een beslissing over de periode tot 23 december 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. Bij de vorige zitting was door de rechtbank verzocht om een raadsrapport met een duidelijke analyse en concrete doelen. Het raadsrapport dat is ontvangen, bevatte dit helaas niet. Dat er zorgen zijn is evident. De zorg omtrent het schoolverzuim van [minderjarige] is zelfs vergroot, doordat de moeder een vrijstelling van de leerplicht voor het schooljaar 2025/2026 en het schooljaar 2026/2027 heeft gekregen. Dit besluit is gebaseerd op een advies van een GGD-arts, maar de GI en de leerplichtambtenaar zijn het daar nadrukkelijk niet mee eens en zijn daarin ook niet betrokken door de moeder. Het is van groot belang dat [minderjarige] naar school gaat, mede door de symbiotische relatie tussen haar en de moeder. Dat er uiteindelijk een vrijstelling is verleend, is onbegrijpelijk. Het is ook onbegrijpelijk dat de GGD-arts deze beslissing heeft genomen, zonder alle betrokken partijen te spreken. Binnen de lopende ondertoezichtstelling is als doel gesteld dat [minderjarige] naar school gaat. Daar kan als gevolg van de vrijstelling van de leerplicht de komende periode niet aan gewerkt worden. Het is wel positief dat de moeder [minderjarige] heeft ingeschreven voor de [naam school], maar het zal afwachten zijn of dit goed gaat. Naast school is ook de gezinsrelatie een doel om aan te werken. Daarvoor zal Multi Systeem Therapie (MST) door de Viersprong worden ingezet. [minderjarige] staat hiervoor al op de wachtlijst. Er moet gekeken worden hoe het thuis gaat, hoe de relatie is tussen de moeder en [minderjarige] en de vader zal hierbij betrokken moeten worden. De hulp die de moeder heeft ingeschakeld van Buzzy 4 You is niet passend en het is ook niet ingekocht. Er wordt door de moeder telkens gesproken over dat [minderjarige] geen dwang maar rust moet hebben. De GI heeft al maanden geen contact met [minderjarige], dus in dat opzicht zou er rust moeten zijn. Het is spijtig dat het contact met andere hulpverleners wordt bemoeilijkt doordat [minderjarige] en de moeder geen toestemming geven voor het delen van (medische) informatie. Wellicht zullen de komende tijd juridische stappen gezet moeten worden, zodat dit toch mogelijk wordt.
4.2.
Door en namens de moeder is verzocht het verzoek af te wijzen. [minderjarige] heeft gesproken met de GGD-arts en deze arts is tot de conclusie gekomen dat er sprake is van overbelasting. Daarom is het voorlopig niet de bedoeling dat [minderjarige] naar school gaat. Zij is wel aangenomen op de [naam school]. Dat is een school die voor haar geschikt is en er is sprake van intrinsieke motivatie vanuit [minderjarige] om hier daadwerkelijk heen te gaan. Na de zomervakantie kan en wil zij hier gaan starten. De vrijstelling is er dan ook meer om [minderjarige] het gevoel van rust te geven. De moeder is met hulpverlening voor [minderjarige] bezig en is het dan ook niet eens met de stelling dat [minderjarige] zich niet meer ontwikkelt. Dat doet [minderjarige] namelijk wel, met hulp van de moeder. Het is echter wel nodig dat [minderjarige] kan ontspannen, zodat zij aan ontwikkelen toe kan komen. Door de vrijstelling is de ontspanning er nu. Omdat de GI er niet in slaagt hulpverlening op te starten, zoekt de moeder deze zelf. Daarom is Buzzy 4 You inmiddels betrokken. Dit is hulpverlening die goed past binnen het gezin en die voor [minderjarige] vertrouwd is.
4.3.
Door de vader is verzocht het verzoek toe te wijzen. De vader vindt het nog altijd spijtig dat hij weinig wordt betrokken door de instanties. Zo is hij niet betrokken in de procedure rondom de vrijstelling van de leerplicht. Hij blijft uiteindelijk de vader met gezag, dus is er recht op informatie en moet hij betrokken worden. Er lijkt sprake te zijn van ouderverstoting en dat zal vooral zijn gevolgen hebben voor [minderjarige]. Het vrijwillig kader gaat onvoldoende zijn om [minderjarige] te kunnen helpen. Als de GI [minderjarige] de komende maanden wil helpen, dan moet dat met drastische maatregelen. Ook is er een persoonlijkheidsonderzoek nodig zodat duidelijk wordt wat er aan de hand is met [minderjarige]. Het is zeer zorgelijk dat [minderjarige] door niemand anders dan de moeder wordt gezien en de Raad, de GI en de kinderrechter niet met [minderjarige] hebben gesproken in aanloop naar deze zitting. Op dit moment weet niemand hoe het werkelijk met haar gaat.
4.4.
De Raad heeft geadviseerd de ondertoezichtstelling te verlengen, zoals door de GI is verzocht. De Raad erkent desgevraagd dat de briefrapportage van de Raad onvoldoende ingaat op de door de rechtbank specifiek gestelde vragen en niet de gevraagde analyse bevat. Er is contact geweest met de GI over de laatste stand van zaken en het voornaamste doel is dat MST van de Viersprong in het gezin gaat starten. Nu [minderjarige] niet naar school gaat is er nog een groter probleem ontstaan, want zij ontwikkelt zich niet. Het is van groot belang voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat de GI betrokken blijft, zodat de ontwikkeling van [minderjarige] niet nog verder stagneert.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.2.
Alle partijen zijn het er ter zitting over eens dat er nog altijd grote zorgen zijn over [minderjarige]. Dit blijkt ook uit het raadsrapport. Zo zijn er nog steeds ernstige zorgen over haar langdurig schoolverzuim, ernstige overgewicht en angstklachten. Daarnaast is er geen enkel zicht op [minderjarige] vanuit de GI en de Raad en houdt zij alle gesprekken af, terwijl [minderjarige] al jarenlang onder toezicht van de GI staat. Ook is er sprake van langdurig en structureel contactverlies met haar vader, is er veel wantrouwen tussen de ouders over en weer en zijn er zorgen over de relatie tussen de moeder en [minderjarige]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. In de afgelopen maanden is het niet gelukt de ontwikkelingsbedreigingen op de verschillende domeinen weg te nemen. Sterker nog, de ontwikkelingsbedreiging is enkel groter geworden nu [minderjarige] niet meer naar school gaat en de moeder voor haar een langdurige vrijstelling heeft geregeld. Er zijn grote zorgen of zij voldoende (schoolse) vaardigheden heeft om een vervolgopleiding te kunnen starten en voltooien.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Nu de ouders beide het gezag hebben over [minderjarige] zou de moeder samen met de vader tot overeenstemming moeten komen over de voor [minderjarige] in te zetten hulpverlening, maar dat is tot op heden niet gelukt. De moeder heeft haar eigen visie op de problematiek van [minderjarige]. Hierdoor trekt de moeder volledig haar eigen plan, zonder de vader te betrekken en (medische) informatie over [minderjarige] met hem te delen. De moeder staat ook niet open voor inzichten van (andere) professionals en betrokkenen (zoals de Raad, de GI, de uitkomsten van de gezinsopname door Mereo en de school). Dit alles maakt dat het noodzakelijk is dat er een gedwongen kader is.
5.4.
Ter zitting is door en namens de moeder aangegeven dat de ondertoezichtstelling niet langer doelmatig is en [minderjarige] vooral gebaat is bij rust. De rechtbank ziet dat anders. De afgelopen periode is er rust voor [minderjarige] geweest, nu er geen contact was tussen [minderjarige] en de jeugdbeschermers en de GI geen hulpverlening heeft in kunnen zetten. Dit heeft echter niet tot een verbetering van de situatie van [minderjarige] geleid, maar eerder tot een verslechtering. Op de zitting is immers gebleken dat [minderjarige] het huidige schooljaar slechts 32 uur naar school is gegaan, waarbij uit de brief van de school van [minderjarige] blijkt dat er zorgen zijn of [minderjarige] in staat is om uit te stromen naar het voortgezet onderwijs. Uiteindelijk is de plaatsingsovereenkomst van [minderjarige] op school, waar de moeder haar graag op geplaatst wilde hebben, beëindigd door de problemen in de samenwerking met de moeder, waardoor [minderjarige] op dit moment helemaal geen schoolinschrijving heeft. Daarnaast is ook het contact met de vader niet opgestart. De rechtbank ziet dan ook niet dat het beëindigen van het dwangkader de oplossing is om de huidige impasse te doorbreken.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Dat betekent dat het aan de GI is om te bepalen welke hulpverlening noodzakelijk is voor [minderjarige]. Zij voeren hierover de regie en de moeder is verplicht om hieraan haar medewerking te verlenen. Ter zitting is gesproken over MST van de Viersprong. De rechtbank acht dit noodzakelijk voor [minderjarige], de vader en de moeder. Er moet namelijk zicht komen op de relatie tussen [minderjarige] en de moeder en de rol van de vader. Het is dan ook van belang dat dit zo snel mogelijk ingezet gaat worden. Het voeren van een strakke regie geldt niet alleen voor de hulpverlening van [minderjarige], maar ook voor haar schoolgang. Het is voor [minderjarige] namelijk van groot belang dat zij naar school gaat en zij zich op die manier positief kan ontwikkelen. Het is voor de rechtbank onbegrijpelijk hoe het kan dat [minderjarige] in strijd met de visie van de GI en de leerplichtambtenaar en zonder een deugdelijke onderbouwing door toedoen van de moeder een langdurige vrijstelling heeft gekregen in een fase waar het juist belangrijk is dat ze naar school gaat. Dat zij ondanks de vrijstelling toch de school gaat oppakken, zoals door de moeder wordt gezegd, kan zij met de start op de [naam school] laten zien, waarbij het belangrijk is dat zij hierin ondersteund wordt door de GI. Omdat het de komende maanden aan de GI is om te zorgen voor een strakke regie op de hulpverlening en de schoolgang is het van belang dat er een vaste en ervaren jeugdbeschermer betrokken blijft. De rechtbank geeft de GI daarnaast mee dat de GI beschikt over de nodige juridische middelen om te zorgen voor medewerking of het verkrijgen van informatie.
5.6.
De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de resterende duur van zes maanden.
5.7.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat in de beschikking van 16 december 2025 de Raad is verzocht om een analyse van de situatie te maken en te adviseren over wat er in deze situatie het meest passend zou zijn om de ontstane impasse te doorbreken. Daartoe zijn door de rechtbank vijf vragen gesteld, zoals beschreven in punt 6.8 van de beschikking van 16 december 2025. Ter zitting is gebleken dat de gevraagde analyse onvolledig was en voorbij ging aan de specifieke issues in deze zaak en er onvoldoende is ingegaan op de gestelde vragen. De rechtbank verzoekt de Raad dan ook nogmaals, onder verwijzing naar overweging 6.8. van de beschikking van 16 december 2025, om de gevraagde analyse te maken. De rechtbank verzoekt de Raad de analyse uiterlijk op 1 november 2026 te overleggen (met afschrift aan de GI, de vader, de moeder en haar advocaat).
5.8.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 23 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verzoekt de Raad uiterlijk 1 november 2026 de rechtbank (met afschrift aan de Gl, de vader, de moeder en mr. K. Logtenberg) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, mr. D.I. Hendriks-van Wel en mr. D.G.J. Roset, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken als griffier, en op schrift gesteld op 29 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.