ECLI:NL:RBROT:2026:8892

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
ROT 23/6188
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet DierenArt. 2.4 Regeling dierlijke productenArt. 4 Verordening (EG) 852/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor overtredingen van de Wet Dieren wegens onhygiënische bedrijfsruimten en condensvorming

Compaxo Vlees Zevenaar B.V. werd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beboet wegens drie overtredingen van de Wet Dieren, waaronder onhygiënische bedrijfsruimten en het niet voorkomen van condensvorming. Na bezwaar werd één boete ingetrokken en omgezet in een waarschuwing, waarna Compaxo beroep instelde tegen de resterende boetes.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de overtredingen afzonderlijk beboet mochten worden omdat ze verschillende gedragingen betroffen die los van elkaar konden worden begaan. De stellingen van Compaxo dat schoonmaak pas na leegdraaien van ruimten mogelijk was en dat de termijn voor corrigerende maatregelen te kort was, werden verworpen.

De rechtbank stelde vast dat de overtredingen niet waren bestreden en dat de boetes passend waren, mede vanwege eerdere boetes voor soortgelijke overtredingen en het risico voor de volksgezondheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en de boetes bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van Compaxo Vlees Zevenaar B.V. tegen de boetes voor overtredingen van de Wet Dieren wordt ongegrond verklaard en de boetes bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/6188

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2023 in de zaak tussen

Compaxo Vlees Zevenaar B.V., uit Zevenaar, eiseres

(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),
en

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Harteveld).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een boete voor overtredingen van de Wet dieren. Met het primaire besluit van 27 januari 2023 heeft verweerder eiseres een boete van in totaal [bedrag 1] opgelegd. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het besluit van 18 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres deels gegrond verklaard en de boete vastgesteld op [bedrag 2]. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Ook is verschenen [naam] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Totstandkoming van het besluit

2. Op 27 en 28 juni 2022 hebben toezichthouders van de NVWA controles bij eiseres uitgevoerd. De bevindingen van de toezichthouders zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 8 december 2022 (het rapport).
3. Op grond van het rapport heeft verweerder vastgesteld dat eiseres drie beboetbare feiten heeft gepleegd.
3.1.
Beboetbaar feit 1: “De bedrijfsruimten voor levensmiddelen waren niet schoon.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, artikel 4, tweede lid en bijlage II, hoofdstuk I, punt 1 van Verordening (EG) 852/2004 (de Verordening).
3.2.
Beboetbaar feit 2: “De vorming van condens op oppervlakken werd niet voorkomen”. Daarmee heeft eiseres volgens verweerder gehandeld in strijd met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, artikel 4, tweede lid en bijlage II, hoofdstuk I, punt 2, onder b, van de Verordening.
3.3.
Beboetbaar feit 3: “Artikelen die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moet zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Door dit na te laten, heeft eiseres gehandeld in strijd met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, artikel 4, tweede lid en bijlage II, hoofdstuk V, punt 1, onder a, van de Verordening.
3.4.
Bij het boetebesluit heeft verweerder eiseres voor feit 1 en feit 3 een boete opgelegd van € 5.000,- en voor feit 2 een boete van € 7.500,-. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor zover dat feit 3 betreft, de boete daarvoor ingetrokken en gewijzigd in een schriftelijke waarschuwing en de totale boete (voor feiten 1 en 2) vastgesteld op [bedrag 2].

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt rechtmatigheid en de evenredigheid van de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. Eiseres voert in beroep aan dat haar ten onrechte voor zowel feit 1 als feit 2 een afzonderlijke boete is opgelegd. Daartoe betoogt zij dat sprake is van een onderlinge samenhang van overtredingen die is gelegen in het bezoedelingsgevaar bij onmiddellijk schoonmaken van de ruimten waar de overtredingen zijn geconstateerd en waarvoor een respijttermijn is gegeven. Het schoonmaken van de bevuilde ruimten is namelijk alleen verantwoord als deze leeggedraaid zijn. Het leegdraaien en het schoonmaken zou pas beginnen na de hercontrole. Vanwege het bezoedelingsgevaar als gevolg van het schoonmaken was het volgens eiseres verstandig om te wachten met het schoonmaken van de plafonds en de kratten. Daarnaast vindt eiseres dat haar een te korte termijn is gegeven voor het schoonmaken van de op 27 juni 2022 geconstateerde verontreinigingen.
5.1.
In het rapport is, kort weergegeven, opgenomen dat de toezichthouders tijdens de controle op 27 juni 2022 hebben waargenomen dat er in de krattenwasserij veel zwerfvuil in de hoeken en rondom de stellingen lag en dat ook de stellingen en de muren vuil en beschimmeld waren. Ook werd in de karkassencel 1 op de vloer en aan de pilaren van de fundering een waterige laag met bruin-gele drap aangetroffen en gezien dat zowel de poten als de kop van het varkenskarkas tegen de bevuilde pilaren aankwamen. Op 28 juni 2022 werden in de krattenwasserij opnieuw vuile resten en vrijwel exact dezelfde laag schimmel op de stellingen en de muren aangetroffen. De poging die was gedaan om schoon te maken had ertoe geleid dat er een laag water langs de randen lag, waardoor het zwerfvuil was veranderd in een vuile drab. Ook in de karkassencel werd dezelfde situatie als de dag ervoor aangetroffen. Op grond van deze bevindingen heeft verweerder een boete opgelegd van € 5.000,- (beboetbaar feit 1).
5.2.
Aan beboetbaar feit 2 is ten grondslag gelegd dat op 28 juni 2022 is geconstateerd dat er aan het plafond in de gang tussen karkassencel 1 richting de snelkoeltunnel zeer veel condens hing. Deze condens hing boven naakt vlees dat door de gang werd geleid. Ook in het darmlokaal zagen de toezichthouders op een groot gedeelte van het plafond condens dat zich boven de productielijnen bevond.
5.3.
Eiseres heeft de bevindingen van de toezichthouders inhoudelijk niet bestreden. Evenmin wordt betwist dat deze constateringen onder de reikwijdte vallen van de onder 3.1 en 3.2 opgenomen artikelen en dat daarmee is komen vast te staan dat eiseres de haar verweten overtredingen heeft begaan. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder eiseres daarvoor twee afzonderlijke boetes heeft mogen opleggen.
5.4.
De beroepsgrond dat sprake is van samenhangende overtredingen, waarvoor volstaan had moeten worden met één boete, slaagt niet. Van een eendaadse samenloop waarbij het evenredigheidsbeginsel zich verzet tegen cumulatie van de boetes is geen sprake. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral op aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de overtreder daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. In het geval van eiseres correspondeert het aantal aan haar opgelegde boetes met het aantal door haar overtreden, door de wetgever in afzonderlijke bepalingen neergelegde normen. Nu, zoals eiseres ook ter zitting heeft bevestigd, niet in geschil is dat de aard en de categorisering van de overtredingen verschillend zijn en dat deze niet voortvloeien uit hetzelfde feitelijk handelen of nalaten, bestaan de overtredingen waarvoor verweerder boetes heeft opgelegd in van elkaar te onderscheiden en niet noodzakelijk met elkaar samenhangende gedragingen die los van elkaar kunnen worden begaan en beboet.
5.5.
De rechtbank volgt eiseres bovendien niet in haar betoog dat alle geconstateerde overtredingen pas in één keer konden worden weggenomen na het leegdraaien van de ruimten. De rechtbank acht hierbij van belang dat het zwerfvuil en de schimmel in de krattenwasserij gemakkelijk te verwijderen zijn en dat in de krattenwasserij geen vlees aanwezig is, zodat het al dan niet schoon kunnen maken van deze ruimte niet afhankelijk is van de aanwezigheid van vlees. Reeds op grond daarvan heeft verweerder eiseres kunnen beboeten voor feit 1. Daarbij heeft de toezichthouder gesteld, en eiseres heeft dat niet weersproken, dat er wel degelijk tijdsmomenten zijn geweest waarop de karkassencel (grotendeels) leeg is geweest, zodat niet valt in te zien dat op die momenten geen schoonmaakwerkzaamheden hebben kunnen plaatsvinden. Bovendien beschikt eiser over een speciale vloerschoonmaakmachine die de vloer onder karkassen kan schoonmaken zonder dat deze nat worden. Ten slotte valt niet in te zien dat eiseres de condensvorming niet al in een vroegtijdig stadium had kunnen voorkomen door het tijdig moppen van het plafond.
5.6.
De beroepsgrond dat de gegeven termijn voor corrigerende maatregelen te kort was, slaagt evenmin. De rechtbank stelt allereerst vast dat deze grond alleen betrekking kan hebben op feit 1, aangezien de toezichthouders de ruimten waar condens is geconstateerd (feit 2) niet hebben gecontroleerd op 27 juni 2022 en de gegeven mogelijkheid tot corrigerende maatregelen niet was gericht op verwijdering van condens.
Nadat verweerder op 27 juni 2022 heeft geconstateerd dat niet was voldaan aan de verplichting dat bedrijfsruimten voor levensmiddelen schoon en goed onderhouden moeten zijn, is eiseres een termijn geboden waarbinnen zij corrigerende maatregelen diende te treffen. Vaststaat dat eiseres op 28 juni 2022 opnieuw of nog steeds niet aan de gestelde norm heeft voldaan, zodat verweerder daarvoor een boete heeft kunnen opleggen. Verweerder heeft daarvoor van belang kunnen achten dat het aan eiseres is om de specifieke hygiënevoorschriften in acht te nemen en te zorgen voor schone bedrijfsruimten. Omdat er op grond van de Verordening een resultaatverplichting is dient eiseres op ieder moment te voldoen aan de gestelde norm en was verweerder niet verplicht om eiseres een termijn te geven om de ruimten alsnog schoon te maken. Het is niet aannemelijk dat eiseres niet op een eerder moment en nog binnen de haar gegeven termijn de overtreding had kunnen beëindigen. Ter zitting heeft de toezichthouder verklaard dat de verontreinigingen die aan boete 1 ten grondslag zijn gelegd, al tijdens de aanvangscontrole in de ochtend van 27 juni 2022 waren geconstateerd en bij eiseres bekend waren, zodat zij vanaf dat moment al maatregelen had kunnen nemen. Ook had eiseres, indien zij de gegeven respijttermijn te kort achtte, zich tot de toezichthouder kunnen wenden en kunnen vragen om verlenging. Dat is niet gebeurd. De keuze van eiseres om nog te wachten met het schoonmaken van de bedrijfsruimten, komt dan ook volledig voor haar rekening en risico.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiseres voor zowel feit 1 als feit 2 een afzonderlijke boete op kunnen leggen. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om de boetes te matigen. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd over de hoogte van de aan haar opgelegde boete. Nu eiseres bij besluiten van 19 juni 2020, respectievelijk 29 december 2017 eerder is beboet voor eenzelfde overtreding en dus sprake is van recidive, en niet is weersproken dat het gaat om overtredingen die grote risico’s kunnen hebben voor de volksgezondheid, acht de rechtbank de aan eiseres opgelegde boetes van € 5.000,- voor feit 1 en van € 7.500,- voor feit 2 in dit geval passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.